Raadsvragen
Vraag raadslid:
Op 8 oktober 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Vervolgvragen naar aanleiding van de beantwoording van de technische vragen over de mandatering
van lasten onder dwangsom
Naar aanleiding van de beantwoording van onze eerdere schriftelijke vraag over de mandatering van
lasten onder dwangsom hebben wij de volgende vervolgvraag.
Het afgelopen jaar zien wij regelmatig dat de Commissie voor de Bezwaarschriften bij besluiten over
lasten onder dwangsom constateert dat deze onvoldoende zijn gemotiveerd en dat bezwaren daartegen gegrond worden verklaard. Dit roept bij ons de vraag op of de wijze waarop deze besluiten tot stand komen voldoende aansluit bij het eigen Vergunningen-, Toezicht- en Handhavingsbeleid 2024-2027 van de gemeente.
Juist omdat een last onder dwangsom voor inwoners grote financiële en persoonlijke gevolgen kan
hebben en veel onzekerheid en stress kan veroorzaken, vinden wij het van belang dat dergelijke
besluiten zorgvuldig, proportioneel en goed gemotiveerd worden genomen en aantoonbaar in
overeenstemming zijn met het eigen VTH-beleid.
- Hoe vaak zijn de afgelopen drie jaar besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom na
bezwaar herroepen, gewijzigd of anderszins aangepast? - Hoe vaak heeft de Commissie voor de Bezwaarschriften daarbij opmerkingen gemaakt over de
motivering van het besluit? - Worden deze uitkomsten structureel geëvalueerd en gebruikt om de werkwijze bij het opleggen
van toekomstige dwangsommen te verbeteren? - Hoe wordt geborgd dat bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt gehandeld
overeenkomstig het eigen Vergunningen-, Toezicht- en Handhavingsbeleid 2024-2027, met
name waar het gaat om zorgvuldigheid, proportionaliteit en motivering? - Gezien de ingrijpende gevolgen die een last onder dwangsom voor inwoners kan hebben, is het
college bereid te onderzoeken of bij dergelijke besluiten een grotere bestuurlijke betrokkenheid
nodig is? - Is het college bereid de huidige mandatering van deze bevoegdheid aan de teammanager te
evalueren, mede in het licht van de uitkomsten van bezwaarprocedures en de adviezen van de
Commissie voor de Bezwaarschriften?
Antwoord namens college:
1.Hoe vaak zijn de afgelopen drie jaar besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom
na bezwaar herroepen, gewijzigd of anderszins aangepast?
De bezwarenprocedure is er met name voor bedoeld dat, alvorens eventueel een procedure
tegen een besluit bij de rechtbank wordt opgestart, het bestreden besluit wordt getoetst door
een onafhankelijke deskundige instantie. Binnen gemeente De Fryske Marren is dit de
Commissie voor de Bezwaarschriften. De afgelopen drie jaar (2024, 2025 en 2026) heeft de
Commissie voor de Bezwaarschriften tot op heden in 16 bezwaarprocedures advies uitgebracht
naar aanleiding van bezwaren tegen handhavingsbesluiten waarbij een last onder dwangsom
was opgelegd. In vijf van deze zaken heeft de commissie geadviseerd de bezwaren geheel of
gedeeltelijk gegrond te verklaren.
2. Hoe vaak heeft de Commissie voor de Bezwaarschriften daarbij opmerkingen gemaakt over de
motivering van het besluit?
De Commissie voor de Bezwaarschriften onderbouwt ieder advies met overwegingen. Daarbij
wordt in zowel gegrond als ongegrond geachte bezwaren ingegaan op de rechtmatigheid en de
motivering van het bestreden besluit. Er wordt echter niet afzonderlijk geregistreerd in hoeveel
zaken de commissie specifiek opmerkingen heeft gemaakt over de motivering van een
handhavingsbesluit. Dit kan daarom niet zonder een uitgebreide dossieranalyse worden
vastgesteld. Daarbij geldt dat een gegrondverklaring van een bezwaar niet automatisch betekent
dat sprake is van een motiveringsgebrek. De reden voor een gegrondverklaring kan uiteenlopen.
Zo kan sprake zijn van een onjuiste of onvoldoende duidelijke formulering van de last, een
procedureel gebrek of een ander gebrek in het besluit. Niet in alle gevallen waarin een bezwaar
geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, heeft de commissie geoordeeld dat de motivering
van het handhavingsbesluit ontoereikend was.
3. Worden deze uitkomsten structureel geëvalueerd en gebruikt om de werkwijze bij het
opleggen van toekomstige dwangsommen te verbeteren?
Naar aanleiding en op basis van het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften vindt er
een heroverweging van het besluit plaats, waarbij wordt nagegaan of het college daadwerkelijk
volledig en op goede gronden het primaire besluit heeft genomen. Is dit het geval, dan wordt het
primaire besluit, eventueel met een aanvullende motivering, bekrachtigd. Is dit niet het geval,
dan wordt het college geadviseerd om het primaire besluit in het besluit op bezwaar aan te
passen. De evaluatie vindt dan ook in feite plaats aan de hand van de heroverweging in het
besluit op bezwaar.
Bovendien wordt jaarlijks een jaarverslag van de commissie voor de bezwaarschriften opgesteld.
Dit jaarverslag biedt inzicht in het aantal ingediende bezwaarschriften, de aard van de
onderwerpen waarop deze betrekking hebben en de wijze waarop hierover wordt geadviseerd
door de commissie. Het jaarverslag wordt aangeboden aan het college en jaarlijks gedeeld met
de raad. Daarnaast wordt het besproken binnen de organisatie, onder meer met de betrokken
vakteams. Het verslag heeft niet alleen een verantwoordingsfunctie, maar dient ook ter reflectie
op de behandeling van bezwaarschriften, aandachtspunten te signaleren en waar mogelijk
verbeteringen door te voeren in de besluitvorming.
4. Hoe wordt geborgd dat bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt gehandeld
overeenkomstig het eigen Vergunningen-, Toezicht- en Handhavingsbeleid 2024-2027, met
name waar het gaat om zorgvuldigheid, proportionaliteit en motivering?
Aan de hand van het 4-ogenprincipe wordt geborgd dat overeenkomstig het Vergunningen-
Toezicht- en Handhavingsbeleid 2024-2027 wordt gehandeld. Hierbij is de ‘Leidraad
handhavingsacties en begunstigingstermijnen (Bijlage C van het beleid) het uitgangspunt.
5. Gezien de ingrijpende gevolgen die een last onder dwangsom voor inwoners kan hebben, is
het college bereid te onderzoeken of bij dergelijke besluiten een grotere bestuurlijke
betrokkenheid nodig is?
Het college blijft verantwoordelijk voor besluiten die namens het college in mandaat worden
genomen. Het college kan instructies geven over de uitvoering van het mandaat en blijft
bevoegd zelf een besluit te nemen. Alvorens daadwerkelijk een handhavingsbesluit wordt
genomen, heeft er een proces vooraf plaatsgevonden om ervoor te zorgen dat de overtreding
wordt beëindigd. Hierbij vindt periodiek overleg met de portefeuillehouder plaats, waarbij de
lopende handhavingsprocedures worden besproken. Als de aard van de gevoeligheid van een
zaak daartoe aanleiding geeft, wordt deze in overleg met de portefeuillehouder ter
besluitvorming aan het college voorgelegd.
6. Is het college bereid de huidige mandatering van deze bevoegdheid aan de teammanager te
evalueren, mede in het licht van de uitkomsten van bezwaarprocedures en de adviezen van de
Commissie voor de Bezwaarschriften?
Het college ziet geen aanleiding om de huidige mandatering aan te passen.
Vraag raadslid:
Op 7 oktober 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Eerder dit jaar heb ik vragen gesteld om het hondenstrand uit te breiden.
Het college gaf aan dat dit niet mogelijk is.
- Tussen 1 mei en 1 oktober zijn de honden niet welkom. Is er een mogelijkheid dat we het
seizoen dat de honden welkom zijn kunnen verlengen? Bijvoorbeeld dat ze tussen 1 juni en 1
september niet welkom zijn. Dit zijn tenslotte ook de daadwerkelijke zomermaanden. - Is er op een andere locatie in Lemmer nog een mogelijkheid waar we een mooi gebied kunnen
creëren waar de honden het hele jaar door veilig kunnen ontmoeten, spelen en rennen? - En ik wil toch graag weten waar in Lemmer de honden dan veilig kunnen spelen en rennen als
het strand verboden terrein is.
Antwoord namens college:
1.Wij begrijpen de wens van hondenbezitters om de periode waarin honden op het strand van
Lemmer zijn toegestaan te verruimen. Tegelijkertijd moeten wij bij het beheer van het strand
rekening houden met de verschillende belangen van inwoners, recreanten, toeristen en
hondenbezitters.
Een verlenging van de periode waarin honden op het gehele strand zijn toegestaan, vinden wij
op dit moment niet wenselijk. De huidige regeling biedt een afgewogen balans tussen recreatief
gebruik van het strand en de mogelijkheden voor hondenbezitters. Daarbij speelt mee dat
recreanten zowel in het voorjaar als in het najaar gedurende langere periodes van het strand
gebruik maken. Een verruiming van de periode waarin honden op het gehele strand zijn
toegestaan, zorgt ervoor dat de overlap tussen strandrecreatie en het uitlaten van honden
toeneemt. Wij vinden deze combinatie, met het oog op comfort, veiligheid en gebruiksgenot
voor alle bezoekers, niet wenselijk.
2. Wij snappen dat hondenbezitters graag voldoende plekken in de buurt hebben waar hun hond
vrij kan lopen. Helaas ontbreekt het in Lemmer aan grotere bos- en parkgebieden die geschikt
zijn om als losloopgebied in te richten zonder dat dit leidt tot conflicten met andere gebruikers
of direct omwonenden. Op dit moment zien wij daarom geen geschikte locaties voor nieuwe
losloopgebieden binnen Lemmer. Voor het uitlaten van honden zijn er verschillende groene
plekken, zoals het Apenbos en de groenstroken langs de A6. Omdat deze gebieden binnen de
bebouwde kom liggen, moeten honden hier wel aangelijnd blijven.
3. Voor loslopen kunnen honden het hele jaar terecht op het hondenstrand in Lemmer. Daarnaast
mogen honden van 1 oktober tot 1 mei ook op de rest van het Lemsterstrand komen en
loslopen. Wie een groter natuurgebied zoekt waar honden op daarvoor aangewezen plekken los
kunnen lopen, kan bijvoorbeeld terecht in het Kuinderbos of de bossen bij Oudemirdum, op
ongeveer 20 minuten rijden van Lemmer. Zo zijn er in en rond Lemmer wel verschillende
mogelijkheden om met de hond te wandelen, maar we erkennen dat het aantal plekken waar
honden daadwerkelijk los mogen lopen in Lemmer zelf beperkt is.
Vraag raadslid:
Op 14 september 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van de beantwoording van onze schriftelijke vragen van 10 september 2026 over de definitieve verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het drijvende zonnepark Eesterga heeft de fractie van BBB nog enkele aanvullende vragen.
Inmiddels heeft de gemeenteraad het voorliggende voorstel teruggegeven aan het college. Daarnaast heeft het college in de beantwoording aangegeven dat het, naar aanleiding van de brief van de provincie Fryslân, op dit moment moet terugkomen op de eerdere veronderstelling dat de aanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
Nu het voorstel opnieuw door het college moet worden beoordeeld voordat het eventueel opnieuw aan de gemeenteraad wordt voorgelegd, acht BBB het van belang dat ook onderstaande onduidelijkheden vooraf worden weggenomen.
1. Provinciale voorwaarde van minimaal 50% lokaal mede-eigendom
In antwoord op vraag 5 geeft het college aan dat voor het project wordt uitgegaan van een zorgvuldig proces vóór 3 juni 2020 en dat “de intentie is dat minimaal 50% mede-eigendom van de lokale gemeenschap wordt beoogd”. De andere door BBB genoemde provinciale juridische routes worden door
het college als niet van toepassing aangemerkt.
In antwoord op vraag 6 schrijft het college vervolgens dat het doel van toekomstige gesprekken is om tot 50% mede-eigenaarschap te komen, maar dat wanneer dit niet kan worden ingevuld, ten minste het aangeboden gebiedsfonds van kracht blijft en/of aanvullende afspraken worden gemaakt.
Kan het college aangeven op welke concrete bepaling uit de toepasselijke provinciale regelgeving het zich baseert voor het standpunt dat kan worden volstaan met de intentie of inspanning om 50% lokaal mede-eigendom te realiseren en dat, wanneer dit percentage uiteindelijk niet wordt gerealiseerd, een
gebiedsfonds en/of andere financiële afspraken daarvoor in de plaats kunnen treden?
Indien daarvoor geen concrete provinciale grondslag bestaat, kan het college dan aangeven of het project nog aan de door het college zelf genoemde provinciale juridische route voldoet wanneer 50% lokaal mede-eigendom niet daadwerkelijk wordt gerealiseerd?
2. Wanneer moet aan de voorwaarde van 50% mede-eigendom zijn voldaan?
Uit de beantwoording blijkt dat de financiële uitwerking nog niet volledig is uitgewerkt en dat inhoudelijke gesprekken over de invulling van 50% mede-eigendom nog moeten plaatsvinden. Het college stelt daarbij dat dit niet betekent dat 50% mede-eigendom een onrealistisch scenario is.
Op welk juridisch relevant moment moet volgens de toepasselijke provinciale regelgeving daadwerkelijk zijn aangetoond dat minimaal 50% van het project in mede-eigendom van de lokale gemeenschap komt: vóór het afgeven van de definitieve vvgb, vóór vergunningverlening, vóór aanvang van de bouw of op een later moment?
Kan het college daarbij aangeven welk juridisch afdwingbaar instrument waarborgt dat die 50% daadwerkelijk wordt gerealiseerd en wat de consequentie voor de omgevingsvergunning is wanneer dat uiteindelijk niet gebeurt?
3. Wie vertegenwoordigt in dit project de ‘lokale gemeenschap’?
BBB heeft gevraagd hoe een intentieverklaring van een beperkt aantal inwoners zich verhoudt tot de eis van mede-eigendom door de ‘lokale gemeenschap’ en hoe het college de representativiteit daarvan beoordeelt. Op deze vraag antwoordt het college uitsluitend dat er ook mensen zijn die pas na vergunningverlening in gesprek willen gaan en verwijst het verder naar het antwoord op vraag 6. In dat antwoord staat bovendien dat de groep inwoners die zich als eerste heeft gemeld een “voorkeurspositie” geniet vanwege haar rol als “vertegenwoordiger van de omgeving”.
Op basis van welke objectieve criteria heeft het college vastgesteld dat deze groep inwoners kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de omgeving en daarmee van de lokale gemeenschap? Wie heeft deze groep daartoe gemandateerd en hoe heeft het college vastgesteld dat zij voldoende representatief is voor de inwoners van Eesterga, Follega en/of de overige omgeving van het project?
4. Draagvlak en de bijna 10.000 ondertekeningen
Op onze vraag of de eerdere kwalificatie van de weerstand als afkomstig van slechts enkele personen nog actueel en representatief is, antwoordt het college dat het zich heeft gericht op de vijf ingediende zienswijzen. Omdat weerstand en draagvlak daarin volgens het college niet zijn teruggekomen, is dit onderwerp niet opnieuw ter discussie gesteld. De vervolgvragen over de inmiddels bijna 10.000 ondertekeningen zijn daarom als “niet van toepassing” aangemerkt. BBB verzoekt het college deze vervolgvragen afzonderlijk en volledig te beantwoorden voordat een eventueel nieuw voorstel over de definitieve vvgb aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.
Kan het college toelichten waarom de omstandigheid dat maatschappelijke weerstand niet als afzonderlijke grond in de vijf formele zienswijzen naar voren is gebracht, betekent dat de actuele omvang van die weerstand niet relevant zou zijn voor de bestuurlijke en politieke afweging over het project?
En is het college bereid, nu het voorstel toch opnieuw wordt beoordeeld, de inmiddels bekende gegevens over de lokale en gemeentelijke herkomst van de ondertekeningen alsnog bij de voorbereiding van een eventueel nieuw raadsvoorstel te betrekken en de raad daarover expliciet te informeren?
Antwoord namens college:
1. Provinciale voorwaarde van minimaal 50% lokaal mede-eigendom
De Omgevingsverordening Fryslân 2022 bepaalt in artikel 9.3, derde lid, dat artikel 6.4
(zonneladder) niet van toepassing is op plannen waarvoor vóór 3 juni 2020 een zorgvuldig
proces met de lokale gemeenschap heeft plaatsgevonden en waarbij de lokale gemeenschap voor minimaal 50% mede-eigenaar wordt van de opstelling voor zonne-energie.
Uit ambtelijk overleg met de provincie is gebleken dat op grond van de huidige
Omgevingsverordening ruimte is voor zon op voormalige zandwinplassen zolang deze geen deel uitmaken van NNN (Natuurnetwerk Nederland). Op de plas bij Eesterga is dus zon mogelijk, want deze plas ligt niet binnen NNN. Naast artikel 6.4 is dan artikel 6.5 van de Verordening van toepassing.
De omgeving moet worden betrokken bij het planproces en de mogelijkheden voor financiële participatie van de omgeving moeten worden betrokken bij de planvorming. De toelichting geeft aan: Ook opstellingen voor zonne-energie op (voormalige) zandwinlocaties hebben doorgaans direct gevolgen voor de nabije omgeving. De provincie vindt het daarom belangrijk dat de omgeving wordt betrokken bij het planproces en ook meeprofiteert van de opbrengsten. Dit is in artikel 6.5, derde lid geregeld.
De initiatiefnemer heeft een intentieovereenkomst met omwonenden. De provincie heeft
aangegeven dat hoe verder het is uitgewerkt, hoe beter het is. Echter, is dit geen vereiste op
grond van de omgevingsverordening.
2. Wanneer moet aan de voorwaarde van 50% mede-eigendom zijn voldaan?
De provinciale regelgeving bepaalt niet op welk exact moment het lokale mede-eigendom
daadwerkelijk moet zijn gerealiseerd. De initiatiefnemer dient aan de vergunningvereisten te voldoen voordat er kan worden gestart met de bouw van het zonnepark.
De exacte verdeling van dit eigendom over individuele inwoners of lokale partijen hoeft voor verlening van de omgevingsvergunning niet noodzakelijk volledig te zijn uitgewerkt. Wel moet er een realistisch vooruitzicht zijn en duidelijk zijn op welke wijze de lokale gemeenschap de mogelijkheid krijgt om daadwerkelijk voor minimaal 50% mede-eigenaar te worden.
3. Wie vertegenwoordigt in dit project de ‘lokale gemeenschap’?
Wij hebben als gemeente geen zeggenschap over de invulling van financiële participatie. Dit zijn afspraken tussen de initiatiefnemer, de energiecoöperatie en de inwoners van Eesterga/Follega.
Van een energiecoöperatie met Eesterga/Follega binnen haar werkgebied is geen sprake. Hierop hebben een aantal inwoners zich in eerste instantie bereid gevonden deze verdere invulling op zich te nemen. Op een later moment is Energiecoöperatie Gaasterland in beeld gekomen en heeft afstemming tussen alle drie partijen plaatsgevonden. De betrokken inwoners hebben hierbij aangegeven akkoord te zijn om verdere gesprekken aan te gaan met de Energiecoöperatie Gaasterland. Wanneer dit leidt tot een verdere uitwerking zal het werkgebied van Energiecoöperatie Gaasterland worden uitgebreid.
4. Draagvlak en de bijna 10.000 ondertekeningen
Het feit dat maatschappelijke weerstand niet als afzonderlijke grond in de vijf zienswijzen naar voren is gebracht, betekent niet dat actuele signalen over draagvlak niet relevant kunnen zijn voor de bestuurlijke afweging. Draagvlak is echter geen zelfstandig juridisch criterium voor het verlenen of weigeren van de vvgb.
De ondertekeningen kunnen daarom als signaal van een deel van de maatschappelijke
weerstand worden betrokken. De beschikbare gegevens hierover kunnen bij een eventueel
nieuw raadsvoorstel aan de raad inzichtelijk worden gemaakt.
Vraag raadslid:
Op 24 september 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van de raadsmemo over de ontwerp-beleidsregels Houseboats van 22 mei 2026 en de raadsmemo Plan van Aanpak Waterfront Lemmer van 13 mei 2026 heeft de fractie van BBB behoefte aan actuele informatie over de voortgang en de ontwikkelingen sinds deze memo’s.
Toelichting
De raadsmemo van 22 mei 2026 geeft de stand van zaken weer rond de ontwerp-beleidsregels Houseboats. De fractie wil kunnen beschikken over de actuele feitelijke stand van zaken en over relevante informatie die sindsdien beschikbaar is gekomen.
In de raadsmemo van 13 mei 2026 en het bijbehorende Plan van Aanpak is een vervolgproces voor Waterfront Lemmer beschreven met analyses, participatie, het uitwerken van opgaven en alternatieven en de verdere voorbereiding van een gebiedsprogramma. De fractie wil inzicht in de actuele voortgang, de tot nu toe bereikte resultaten en eventuele afwijkingen van de eerder verstrekte planning.
De verdere ontwikkeling van Waterfront Lemmer is direct verbonden met het IJsselmeergebied. De fractie wil daarom inzicht in de wijze waarop het college relevante ontwikkelingen rond de zoetwatervoorraad, drinkwatervoorziening en het toekomstige peilbeheer betrekt bij de planvorming, mede in relatie tot de belangen van inwoners en bestaande economische activiteiten.
Vragen
- Welke concrete ontwikkelingen hebben zich sinds de raadsmemo van 22 mei 2026 voorgedaan ten aanzien van Houseboats, waaronder eventuele aanvragen, vergunningprocedures, juridische ontwikkelingen en de verdere uitwerking of wijziging van beleid? Wilt u daarbij aangeven welke nieuwe informatie, onderzoeken, besluiten of andere ontwikkelingen op dit moment voor de gemeenteraad
relevant zijn en deze, voor zover beschikbaar en openbaar, met de raad delen? - Welke concrete ontwikkelingen hebben zich sinds de raadsmemo van 13 mei 2026 voorgedaan bij de planvorming en verdere uitwerking van Waterfront Lemmer? Wilt u daarbij ingaan op de inmiddels uitgevoerde onderzoeken, analyses, participatie en overige werkzaamheden, eventuele wijzigingen ten opzichte van de eerder aan de raad verstrekte planning en de resultaten die daaruit tot nu toe naar
voren zijn gekomen? Wilt u de voor de raad relevante en beschikbare stukken daarbij betrekken dan wel beschikbaar stellen? - Welke betekenis hebben de recente ontwikkelingen op rijksniveau rond de zoetwatervoorraad, drinkwatervoorziening en het toekomstige peilbeheer van het IJsselmeergebied volgens het college voor de verdere ontwikkeling van Waterfront Lemmer, en welke gevolgen of aandachtspunten ziet het college daarbij voor inwoners, grondeigenaren, bestaande bedrijven en ondernemers?
Antwoord namens college:
- Sinds het raadsmemo van 22 mei jl. zijn er geen aanvragen ingediend voor de ontwikkeling van houseboats. De ontwerp-beleidsregels voor houseboats hebben tot eind juli ter inzage gelegen. Op dit moment worden de ingediende zienswijzen beoordeeld en bekijken we of dit moet leiden tot een aanpassing van de beleidsregels. De beleidsregels worden in Q4 van dit jaar (vergezeld van een
reactienota) aan het college aangeboden ter vaststelling. - Het projectteam is gestart met het ontwikkelen van een gebiedsprogramma conform de omgevingswet. Dit doen zij op basis van het, door het college op 12 mei 2026, vastgestelde plan van aanpak. Hierbij zijn meerdere participatie momenten geweest. Dit is een mix van besloten bijeenkomsten met Lemster belangenverenigingen en direct omwonenden en een openbare inloopbijeenkomst. Deze laatste heeft plaatsgevonden op 7 september. Daarnaast is er een digitale enquête opengesteld van 1 tot 13 september. Het projectteam is de opgehaalde informatie nu aan het
verwerken tot een concept gebiedsprogramma. Daarvoor zullen ze een tussenstap nemen, met het opstellen van een voorkeursalternatief. Zij zijn voornemens om dit voorkeursalternatief op 20 oktober aan het college ter besluitvorming aan te bieden en daarna op 18 november te presenteren in de raadscarrousel. - In de deltabeslissing IJsselmeergebied van het rijk is meegegeven dat bij toekomstig gebruik van buitendijkse gebieden rekening moet worden gehouden met een mogelijke stijging van het gemiddelde winterpeil met 30 cm. Dit wordt meegenomen in de ontwikkeling van Waterfront Lemmer.
Vraag raadslid:
Op 24 september ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Tijdens het Petear van 16 september jl. is er gesproken over het Plan van Aanpak kleinschalige asielopvang De Fryske Marren. De CDA-fractie heeft naar aanleiding van dit Petear nog de volgende schriftelijke vragen over de belangrijkste verschillen tussen een tijdelijke opvanglocatie en een permanente opvanglocatie voor asielzoekers.
- Welke verschillen bestaan er tussen tijdelijke en permanente opvanglocaties ten aanzien van de uiterlijke verschijningsvorm, inrichting en voorzieningen op de locatie?
- Welke verschillen bestaan er in de wettelijke en beleidsmatige voorwaarden die gelden voor tijdelijke respectievelijk permanente opvanglocaties, waaronder beheer, veiligheid, leefbaarheid en ruimtelijke inpassing?
- Kan het college uiteenzetten welke verschillen er zijn in de benodigde vergunningen, procedures en mogelijkheden voor inspraak en bezwaar bij tijdelijke en permanente opvanglocaties?
- In hoeverre verschillen tijdelijke en permanente opvanglocaties van elkaar als het gaat om flexibiliteit, bijvoorbeeld ten aanzien van uitbreiding, vermindering van capaciteit of beëindiging van de opvangfunctie?
- Kan het college de verschillen tussen tijdelijke en permanente opvanglocaties inzichtelijk maken op het gebied van investeringskosten, exploitatiekosten en financiële risico’s voor de gemeente?
- Welke voor- en nadelen ziet het college in tijdelijke opvanglocaties ten opzichte van permanente opvanglocaties, en vice versa?
Digitaal bijgevoegd:
Bijlage QA Reguliere kleinschalige opvang 21 oktober 2024.
Antwoord namens college:
Hieronder volgt de beantwoording per vraag afzonderlijk. Omdat nog geen locaties zijn aangewezen, blijven de antwoorden noodzakelijkerwijs op hoofdlijnen; de concrete uitwerking hangt af van de locatie, het omgevingsplan, de looptijd en de afspraken met het COA.
Toelichting:
De beantwoording van de vragen 1 en 2 is inhoudelijk door het COA opgesteld, omdat deze vragen in belangrijke mate betrekking hebben op de inrichting, voorzieningen, begeleiding, veiligheid en exploitatie van opvanglocaties. Dit zijn onderwerpen waarvoor het COA als uitvoeringsorganisatie de primaire expertise heeft. Het antwoord op vraag 4 is in afstemming met het COA opgesteld; de onderdelen over vergunningverlening en ruimtelijke besluitvorming zijn door de gemeente aangevuld.
Voor de volledigheid merkt het college op dat het Plan van Aanpak uitgaat van reguliere, structurele kleinschalige COA-opvang. Noodopvang maakt geen onderdeel uit van de voorgestelde voorkeursvariant en wordt hieronder uitsluitend genoemd ter toelichting op de algemene verschillen met reguliere opvang.
Antwoord op vraag 1, door het COA:
Verschijningsvorm is met name afhankelijk van locatie en aangeboden vastgoed (weiland of gebouw). Bij permanente of langdurige opvang is er meer ruimte voor langjarige investeringen in vastgoed, inrichting en voorzieningen. Bij tijdelijke opvang worden deze investeringen meer afgestemd op de gebruiksduur, waardoor eerder gekozen kan worden voor tijdelijke, flexibele of demontabele oplossingen. Indien de locatie nog ingericht moet worden met woningen, zal dat wel afhankelijk kunnen zijn van de duur dat wij
daarvan gebruik kunnen maken. Tevens is de inzet van de woningen na ons gebruik, bijvoorbeeld voor andere woningzoekenden/doelgroepen, ook van invloed op de uiterlijke verschijningsvorm.
In onze vastgoedgids (website COA) kun je met indicatieve termijnen ongeveer zien wat we in het verleden hebben gerealiseerd. Van permanente woningbouw zoals in Burgum en Delfzijl tot tijdelijk units en verbouwde gevangenissen en kloosters. Tevens hebben we ons woonconcept COACH, dit zijn op maat gemaakte units die met verschillende afwerkingsmaterialen opgeleverd kunnen worden (afhankelijk van locatie), bij minimale periode van 10 jaar. Deze zien eruit als reguliere woningen, maar zijn wel flexibele demontabel en dus ook weer inzetbaar op andere COA locaties.
Inrichting en voorzieningenniveau als bedoeld in stedenbouwkundige context, is ook afhankelijk van de locatie en omgeving en de omvang van de locatie. Bij kleinschaligheid zullen we voorzieningen en daarmee de dienstgebouwen delen met andere AZC locaties of bijvoorbeeld de combinatie zoeken met een buurthuis. Zie ook onze brochure en website over kleinschalige opvang. Als we met ambulante teams gaan werken komen daar veel kleinere of geen voorzieningen (dienstgebouwen) op de locatie.
Maar andermaal geldt, kleinschaligheid is maatwerk en zal ingericht worden afhankelijk van voorzieningen in de omgeving van de opvang. Als we wel dienstgebouwen gaan plaatsen op de opvanglocatie zal dat in uiterlijke verschijningsvorm aansluiten bij de woningen.
Inrichting en voorzieningenniveau, hiervoor geldt eveneens dat bij permanente of langdurige opvang meer ruimte is om passende voorzieningen te realiseren en duurzame samenwerkingen in de omgeving op te bouwen. Over het algemeen ligt het kwaliteits- en voorzieningenniveau bij tijdelijke opvang daardoor lager dan bij reguliere opvang. Daarnaast zijn deze sterk ook afhankelijk van de locatie en omgeving en de omvang van de locatie. Bij kleinschaligheid zullen we voorzieningen en daarmee de dienstgebouwen delen met andere AZC locaties of bijvoorbeeld de combinatie zoeken met een buurthuis. Zie ook onze brochure en website over kleinschalige opvang. Als we met ambulante teams
gaan werken komen daar veel kleinere of geen voorzieningen (dienstgebouwen) op de locatie. Maar andermaal geldt, kleinschaligheid is maatwerk en zal ingericht worden afhankelijk van voorzieningen in de omgeving van de opvang. Als we wel dienstgebouwen gaan plaatsen op de opvanglocatie zal dat in uiterlijke verschijningsvorm aansluiten bij de woningen.
Antwoord op vraag 2, door het COA:
Het COA heeft als kerntaak de opvang en begeleiding van asielzoekers, ongeacht de opvangvorm. Op zowel tijdelijke als reguliere opvanglocaties zijn medewerkers van Opvang & Begeleiding aanwezig en vanaf 100 bewoners permanente beveiliging. Voor alle opvanglocaties gelden eisen op het gebied van onder andere veiligheid en brandveiligheid. In het Ruimtelijk-functioneel Programma van Eisen (PvE) zijn de functionele, bouwkundige en ruimtelijke uitgangspunten voor opvanglocaties beschreven. Bij met name noodopvang, als vorm van tijdelijke opvang, wordt van het PvE geweken en gelden minder strikte
eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal vierkante meters per bewoner of de mogelijkheid om zelf te koken. Dit heeft consequenties voor de kwaliteit van de opvang.
In het algemeen ligt de kwaliteits- en voorzieningenniveau bij tijdelijke opvang lager dan bij reguliere opvang. Bewoners hebben vaker minder privacy en minder mogelijkheden voor zinvolle dagbesteding.
Daarnaast is het bij reguliere opvanglocaties gemakkelijker om passende faciliteiten te organiseren, duurzame relaties met lokale organisaties en samenwerkingspartners op te bouwen en het reguliere aanbod aan begeleiding en programma’s volledig aan te bieden. Het COA streeft er daarom naar dat bewoners zoveel mogelijk op stabiele, reguliere opvanglocaties verblijven.
Antwoord op vraag 3:
Of vergunningen of een wijziging van het omgevingsplan nodig zijn, hangt af van de concrete locatie en het geldende omgevingsplan. Dit kan zowel bij tijdelijke als bij structurele opvang aan de orde zijn.
Tijdelijke opvang kan soms met een tijdelijke vergunning of afwijking worden gerealiseerd; structurele opvang vraagt vaker om een duurzame planologische borging. Bij beide vormen gelden de reguliere mogelijkheden voor participatie, zienswijzen, bezwaar en beroep, hierin zit dus geen verschil.
Antwoord op vraag 4, mede door het COA:
Bij zowel tijdelijke als permanente opvanglocaties worden bestuurlijke afspraken gemaakt over capaciteit, looptijd en eventuele beëindiging van de opvang. Deze afspraken zijn leidend. Het verschil in flexibiliteit is daardoor niet per definitie groot.
Voor zowel tijdelijke als permanente opvanglocaties zijn, afhankelijk van de locatie en het geldende omgevingsplan, ruimtelijke besluiten en mogelijk vergunningen nodig. Daarin wordt vastgelegd welke bouwwerken en voorzieningen zijn toegestaan, waarvoor deze mogen worden gebruikt en wat de maximaal toegestane capaciteit is.
Om flexibiliteit te behouden, kan bij de vergunningverlening, voor zover ruimtelijk aanvaardbaar en goed onderbouwd, rekening worden gehouden met een capaciteit die hoger ligt dan de actuele opvangopgave op grond van de Spreidingswet. Binnen die vergunde capaciteit kan de bezetting vervolgens toenemen of afnemen zonder dat direct een nieuwe vergunningprocedure nodig is.
Daarnaast is bij tijdelijke opvang, met name bij noodopvang, het kwaliteits- en voorzieningenniveau doorgaans lager dan bij reguliere opvang. Dit kan gevolgen hebben voor de leefomstandigheden van bewoners. Een langere looptijd biedt meer mogelijkheden om te investeren in een kwalitatief passend voorzieningenniveau en in duurzame samenwerking met de gemeente en lokale partners.
Tijdelijke opvang is doorgaans eenvoudiger te beëindigen, omdat deze meestal voor een bepaalde termijn wordt vergund of gecontracteerd. Bij permanente opvang kunnen beëindiging of grotere wijzigingen door langdurige afspraken en investeringen meer voorbereiding vragen. Permanente opvanglocaties sluiten daarmee aan bij het doel van de Spreidingswet om te komen tot een stabiel en duurzaam opvanglandschap.
Antwoord op vraag 5:
Er zijn nog geen concrete bedragen beschikbaar, omdat locaties en uitvoeringsafspraken nog niet zijn vastgesteld. Tijdelijke opvang kan lagere investeringen vooraf vragen, maar kan per plaats duurder zijn door tijdelijke inrichting, huur, vervoer en herhaalde op- en afbouw. Structurele opvang kan hogere investeringen vooraf vragen, maar biedt mogelijkheden om kosten over een langere periode te verdelen.
De rijksoverheid financiert de asielopvang (zie bijlage QA Reguliere kleinschalige opvang 21 oktober 2024). Het COA exploiteert en bekostigt in beginsel ook reguliere kleinschalige opvang en betaalt, binnen de gemaakte afspraken, de kosten voor lokale voorzieningen en faciliteiten. Kleinschalige opvanglocaties zijn voor het COA in het algemeen duurder dan reguliere, grotere azc’s, omdat voorzieningen voor grotere groepen relatief goedkoper kunnen worden georganiseerd.
De financiële risico’s voor de gemeente hangen vooral af van de taak- en kostenverdeling met het COA, eigendom, contractduur, benodigde voorzieningen en aanvullende gemeentelijke inzet. Omdat de Spreidingswet een structurele opvangopgave kent, kan tijdelijke opvang bovendien leiden tot terugkerende kosten wanneer locaties opnieuw moeten worden ingericht, verlengd of vervangen.
Antwoord op vraag 6, mede door het COA:
Tijdelijke opvang biedt meer flexibiliteit, maar kent vaak minder continuïteit, een soberder
voorzieningenniveau en mogelijk hogere kosten per plaats. Structurele opvang vraagt meer
voorbereiding en mogelijk hogere aanloopinvesteringen, maar biedt meer stabiliteit, betere
mogelijkheden voor voorzieningen en beheer, en een duurzamere inbedding in de omgeving. Daarom is in het Plan van Aanpak structurele kleinschalige opvang als uitgangspunt opgenomen. Tijdelijke opvang kan overigens meetellen voor de tweejarige cyclus van de Spreidingswet, mits deze gedurende de voorgeschreven periode beschikbaar is.
Gezien de Spreidingswet is dit niet een gewenste situatie omdat de tweejaarlijkse cyclus zich continue herhaalt en het ernaar uitziet dat de Spreidingwet van kracht blijft. Er wordt overigens ook in Provinciaal verband gekeken naar de opgave, maar we kunnen er niet vanuit gaan dat andere gemeenten zorgdragen voor provinciale dekking voor wat betreft de opvang van asielzoekers, door meer te doen dan gevraagd volgens het gemeentelijke verdeelbesluit.
Vraag raadslid:
Op 9 september 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Als gemeenteraad vinden wij het belangrijk om goed geïnformeerd te zijn over gerechtelijke procedures en uitspraken waarbij de gemeente betrokken is. Dergelijke uitspraken kunnen van belang zijn voor het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan.
Daarom hebben wij de volgende vragen:
- Welke gerechtelijke uitspraken zijn er het afgelopen jaar geweest waarbij de gemeente De Fryske Marren betrokken was?
- Kunnen wij hiervan een overzicht ontvangen, inclusief de betreffende uitspraken?
- Is het college bereid om de gemeenteraad te informeren over relevante gerechtelijke uitspraken waarbij de gemeente betrokken is, bij voorkeur met een link naar de volledige uitspraak?
- Zo nee, waarom niet?
Antwoord namens college:
Ad. 1 Beantwoording van deze vraag vraagt helaas meer tijd, omdat gerechtelijke uitspraken over een scala aan onderwerpen kunnen gaan en deze informatie op verschillende plekken in de organisatie moet worden opgehaald. Wij hebben nog enkele weken nodig om u nader te kunnen berichten.
Ad. 2 Een overzicht kunnen wij verstrekken. Zie ook het antwoord op vraag 1. Indien u over bepaalde uitspraken die op die lijst staan nadere informatie wenst vanuit uw controlerende taak, dan kunt u daarvoor een verzoek bij ons indienen.
Ad. 3 Het college zal u in zaken waar er politiek gevoeligheden/belangen zijn informeren over gerechtelijke uitspraken, tenzij deze uitspraak al in de media of op andere wijze al bij u bekend is geworden.
Ad. 4 N.v.t.
Vraag raadslid:
Op 9 september 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Hierbij stellen we nadere vragen naar aanleiding van de beantwoording van de vorige vragen.
DOR en kringloopwinkels
Wij begrijpen dat de gemeente de huidige landelijke regelgeving moet uitvoeren. Tegelijkertijd is er landelijk nadrukkelijk discussie over de proportionaliteit van de DOR-registratieplicht voor niet-commerciële kringloopwinkels. In de parlementaire behandeling wordt juist gesproken over het beperken of uitzonderen van deze registratieplicht, mede vanwege de administratieve lasten voor organisaties die grotendeels met vrijwilligers werken.
Tegen deze achtergrond hebben wij de volgende vragen:
- Welke ruimte heeft het college binnen de huidige wet- en regelgeving om niet-commerciële kringloopwinkels die goederen om niet ontvangen, geheel of gedeeltelijk uit te zonderen van de DOR-registratieplicht?
- Als het college van mening is dat die ruimte er niet is, op welke concrete wettelijke bepaling baseert het college dit?
- Is het college bereid het Aanwijzingsbesluit zo aan te passen dat kringloopwinkels niet méér registratieverplichtingen krijgen dan landelijk strikt noodzakelijk is en het besluit direct aan te passen wanneer de landelijke wetgeving een uitzondering of beperking mogelijk maakt?
- Kan het college toezeggen dat het de landelijke ontwikkelingen actief volgt en voorkomt dat lokale kringloopwinkels onnodig worden belast met administratieve verplichtingen die de landelijke wetgever inmiddels juist wil beperken?
Antwoord namens college:
1. Welke ruimte heeft het college binnen de huidige wet- en regelgeving om niet-commerciële kringloopwinkels die goederen om niet ontvangen, geheel of gedeeltelijk uit te zonderen van e DOR-registratieplicht?
Antwoord: Binnen de huidige wet- en regelgeving heeft het college geen ruimte om deze organisaties uit te zonderen van de wettelijke DOR-registratieplicht. Wel wordt rekening gehouden met de voorgenomen landelijke wetswijziging.
2. Als het college van mening is dat die ruimte er niet is, op welke concrete wettelijke bepaling baseert het college dit?
Antwoord: Het college baseert dit op artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 1 en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid Wetboek van Strafrecht.
3. Is het college bereid het Aanwijzingsbesluit zo aan te passen dat kringloopwinkels niet méér registratieverplichtingen krijgen dan landelijk strikt noodzakelijk is en het besluit direct aan te passen wanneer de landelijke wetgeving een uitzondering of beperking mogelijk maakt?
Antwoord: Indien de Eerste Kamer instemt met de voorgenomen landelijke wetswijziging zal het college nagaan welke effecten dit heeft op het Aanwijzingsbesluit en daar waar nodig dit aanpassen.
4. Kan het college toezeggen dat het de landelijke ontwikkelingen actief volgt en voorkomt dat lokale kringloopwinkels onnodig worden belast met administratieve verplichtingen die de landelijke wetgever inmiddels juist wil beperken?
Antwoord: Ja, het college volgt deze ontwikkelingen en voorkomt waar mogelijk dat kringloopwinkels onnodig worden belast met administratieve verplichtingen.
Vraag raadslid:
Op 28 augustus ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Geacht college,
Restaurant De Mallemok in Sloten wordt al jarenlang geconfronteerd met ernstige wateroverlast bij hevige regenval. Daarbij loopt het water in de omgeving van het Achterom op en stroomt het via de achterzijde van het perceel richting het restaurant, waar het uiteindelijk het pand kan binnendringen.
De gevolgen voor de ondernemer zijn aanzienlijk. Naast materiële schade kan de wateroverlast ertoe leiden dat het restaurant tijdelijk moet sluiten. De problematiek is volgens de ondernemer al jaren bij de gemeente bekend en de gemeente heeft de situatie in het verleden ook onderzocht. Desondanks is tot op heden geen structurele oplossing gerealiseerd. Daarbij zou vanuit de gemeente zijn aangegeven dat zij niet verder kan omdat de problematiek zich op particulier terrein bevindt.
Voor ons staat niet in de eerste plaats de vraag centraal wie uiteindelijk juridisch aansprakelijk is. Van groter belang is dat een lokale ondernemer al jarenlang wordt geconfronteerd met een terugkerend probleem, dat de gemeente daarvan op de hoogte is en dat ondanks eerdere onderzoeken nog steeds geen structurele oplossing is gevonden.
Het feit dat het water uiteindelijk een particuliere perceelgrens passeert, betekent naar onze mening niet dat daarmee de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de gemeente ophoudt. Eerst moet duidelijk zijn waar het water vandaan komt, waarom het juist op deze locatie samenkomt en welke rol de inrichting en afwatering van de openbare ruimte daarbij spelen.
Daarom stellen wij het college de volgende vragen:
1. Is het college bekend met de jarenlange en terugkerende wateroverlast bij De Mallemok en kan het college aangeven sinds wanneer deze problematiek bij de gemeente bekend is, welke meldingen hierover zijn ontvangen, welke onderzoeken en inspecties sindsdien zijn uitgevoerd, wat daaruit over de oorzaak en herkomst van het water is gebleken en welke maatregelen naar aanleiding daarvan zijn onderzocht of getroffen? Is het college bereid de relevante onderzoeksresultaten, technische bevindingen en eventuele berekeningen met de raad te delen?
2.Deelt het college de opvatting dat bij een ondernemer die herhaaldelijk water in zijn bedrijf krijgt niet uitsluitend gekeken kan worden naar het feit dat de schade uiteindelijk op particulier terrein ontstaat, maar dat ook moet worden vastgesteld in welke mate water zich in de openbare ruimte verzamelt en vervolgens richting het perceel stroomt? Welke
verantwoordelijkheid ziet het college voor zichzelf wanneer blijkt dat de inrichting,
hoogteligging, afwatering, riolering en/of andere voorzieningen in de openbare ruimte eraan bijdragen dat water richting De Mallemok stroomt, en welke mogelijkheden ziet het college om — samen met de ondernemer — tot een praktische en structurele oplossing te komen?
3. Klopt het dat door of namens de gemeente tegenover de ondernemer is aangegeven dat de gemeente niet verder kan handelen omdat de wateroverlast zich op “eigen terrein” bevindt? Zo ja, op welke feitelijke, technische en juridische onderbouwing berust dit standpunt en heeft het college daarbij ook betrokken dat voor de juridische beoordeling relevant kan zijn waar het water vandaan komt en hoe het vanuit de openbare ruimte naar het particuliere perceel afstroomt? Is het college, mede in het licht van recente jurisprudentie over gemeentelijke verantwoordelijkheid bij wateroverlast op laaggelegen particuliere percelen, waaronder het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 december 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3498), bereid deze situatie opnieuw integraal te beoordelen en daarbij niet de perceelgrens, maar het voorkomen van verdere schade en het vinden van een structurele oplossing als uitgangspunt te nemen?
Antwoord namens college:
Antwoord vraag 1:
U vraagt of het college bekend is met de jarenlange en terugkerende wateroverlast bij De Mallemok. Ons college is daar niet van op de hoogte. Wij hebben navraag gedaan, gezocht in ons meldingssysteem en gezocht in ons zaaksysteem. Daarin zijn geen meldingen gevonden.
Wel is bij ons bekend dat het rioleringssysteem in Sloten onvoldoende capaciteit heeft om heftige regenbuien op te vangen. In de zomer van dit jaar is de riolering in Sloten geïnspecteerd. Naar aanleiding van de inspectiegegevens en verder onderzoek stellen we een plan op hoe we de capaciteit van de regenwaterafvoer kunnen vergroten. We verwachten in 2027 het plan gereed te hebben en in dat jaar middelen voor 2028 aan te kunnen vragen.
Antwoord vraag 2:
Ons college deelt de mening dat indien er sprake is van wateroverlast dat er door de gemeente, met eventuele derden, onderzocht moet worden hoe de verschillende waterstromen zich verspreiden en waardoor de wateroverlast ontstaat.
Antwoord vraag 3:
U vraagt of het klopt dat door of namens de gemeente tegenover de ondernemer is aangegeven dat gemeente niet verder kan handelen omdat de wateroverlast zich op “eigen terrein” bevindt.
Wij hebben bij verschillende teams in onze organisatie navraag gedaan en hebben niet kunnen achterhalen of een medewerker een dergelijke uitspraak heeft gedaan.
De stelling “de gemeente kan niets meer doen omdat de wateroverlast zich op particulier terrein bevindt” is juridisch onjuist.
De locatie waar het water uiteindelijk staat is niet doorslaggevend. Van belang is onder andere:
- waar het hemelwater oorspronkelijk valt;
- waar het water vandaan komt;
- hoe het water afstroomt;
- of de gemeente de afstroming heeft veroorzaakt of gewijzigd;
- of de overlast structureel is;
- of de particulier het water redelijkerwijs zelf kan verwerken;
- en of er sprake is van een doelmatige gemeentelijke maatregel.
Zoals beschreven bij antwoord 1 doen wij nader onderzoek en stellen wij een plan op om te komen tot
maatregelen waarbij hemelwateroverlast binnen redelijke grenzen wordt voorkomen.
Vraag raadslid:
Op 28 augustus ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Geacht college,
Op 13 oktober 2023 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de realisatie van een drijvend zonnepark op de voormalige zandwinplas bij Eesterga. In januari 2026 heeft de toenmalige gemeenteraad ingestemd met een ontwerpverklaring van geen bedenkingen (ontwerp-vvgb).
Dat besluit vormde een stap in de procedure en was nog geen definitief oordeel van de raad over het project. Na het ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingediend, is aanvullende informatie beschikbaar gekomen en zijn onderdelen van de vergunning en de daaraan te verbinden voorwaarden nader uitgewerkt. Inmiddels is bovendien een nieuw samengestelde gemeenteraad aangetreden die over de definitieve vvgb moet besluiten.
De fractie van BBB vindt het belangrijk om daarbij een duidelijk onderscheid te maken tussen het besluit dat in januari op basis van de toen beschikbare informatie is genomen en de afweging die de gemeenteraad nu moet maken. Het enkele feit dat eerder met een ontwerp-vvgb is ingestemd, kan naar onze mening niet betekenen dat daarmee ook de uitkomst van de definitieve besluitvorming vaststaat.
Juist de periode tussen ontwerpbesluit en definitief besluit is bedoeld om zienswijzen, aanvullende informatie en eventuele gewijzigde omstandigheden daadwerkelijk in de besluitvorming te betrekken.
Daarbij valt op dat in het eerdere raadsvoorstel onder “Beoogd resultaat” werd gesproken over het opstarten van de uitgebreide voorbereidingsprocedure “met het doel de omgevingsvergunning te verlenen”. Die formulering roept de vraag op hoe dit zich verhoudt tot de zelfstandige bevoegdheid van de gemeenteraad om uiteindelijk ook te kunnen besluiten de definitieve vvgb niet af te geven.
Daarnaast bestaan bij BBB nog wezenlijke vragen over onder andere participatie, lokaal eigendom, de toepasselijke provinciale regelgeving, de kwalificatie en historische functie van de plas en de zekerheid waarmee de ecologische gevolgen vooraf kunnen worden beoordeeld.
Ook de maatschappelijke weerstand heeft zich sinds de eerdere besluitvorming verder gemanifesteerd.
De petitie tegen het voorgenomen zonnepark telt inmiddels bijna 10.000 ondertekeningen. Van de ondertekenaars die hun woonplaats openbaar hebben gemaakt, zijn er minimaal 617 afkomstig uit De Fryske Marren. Uit Eesterga/Jistergea en Follega zijn gezamenlijk minimaal 34 ondertekeningen publiek traceerbaar.
BBB stelt daarom de volgende vragen.
1. Betekenis van het besluit van januari 2026
Kan het college uiteenzetten welke juridische betekenis de in januari 2026 afgegeven ontwerp-vvgb heeft voor het besluit dat de huidige gemeenteraad over de definitieve vvgb moet nemen?
Kan het college daarbij bevestigen dat de huidige raad niet gebonden is aan de eerdere politieke beoordeling of stemverhouding, maar de ingediende zienswijzen, nadien beschikbaar gekomen informatie, nader uitgewerkte voorwaarden, eventuele gewijzigde omstandigheden en alle betrokken belangen opnieuw en zelfstandig mag wegen?
Kan het college tevens bevestigen dat fracties en raadsleden die in januari met de ontwerp-vvgb hebben ingestemd, op basis van deze nadere informatie en hernieuwde belangenafweging bij het definitieve besluit rechtsgeldig tot een andere conclusie kunnen komen?
2. Welke relevante informatie is sinds het ontwerpbesluit toegevoegd of gewijzigd?
Kan het college een volledig overzicht verstrekken van alle feiten, onderzoeken, zienswijzen, aanpassingen van het plan, wijzigingen of aanvullingen van vergunningvoorschriften en overige relevante informatie die na de besluitvorming over de ontwerp-vvgb in januari 2026 beschikbaar is gekomen of inhoudelijk is gewijzigd?
Kan het college per onderdeel aangeven of en, zo ja, op welke wijze deze nieuwe informatie aanleiding heeft gegeven tot een hernieuwde inhoudelijke beoordeling?
Welke informatie acht het college daarbij zodanig relevant dat de huidige raad deze expliciet behoort mee te wegen bij zijn definitieve besluit?
3. Participatie: van eerste planvorming tot definitief plan
Kan het college een chronologisch overzicht verstrekken van het participatieproces vanaf de eerste planvorming tot heden, waarbij per participatiemoment wordt aangegeven wanneer dit heeft plaatsgevonden, welke omwonenden, inwoners, dorpsorganisaties en andere lokale partijen zijn uitgenodigd, hoeveel personen daadwerkelijk hebben deelgenomen, welke bezwaren, alternatieven en voorstellen naar voren zijn gebracht en welke concrete wijzigingen van het plan daaruit zijn voortgekomen?
Kan het college specifiek aangeven op welke concrete participatieactiviteiten vóór 3 juni 2020 het oordeel is gebaseerd dat sprake is geweest van een zorgvuldig proces met de lokale gemeenschap zoals bedoeld in de destijds toepasselijke provinciale regelgeving, en aan de hand van welke criteria het college concludeert dat aan deze voorwaarde is voldaan?
De aanvraag omgevingsvergunning dateert van 13 oktober 2023 en het plan is gedurende het proces gewijzigd. Kan het college daarom tevens aangeven bij welke relevante wijzigingen de lokale gemeenschap opnieuw is betrokken en waarom participatie over eerdere planvarianten volgens het college voldoende representatief is voor het definitieve plan?
4. Actuele maatschappelijke weerstand en draagvlak
In eerdere gemeentelijke stukken is de weerstand tegen het plan onder meer omschreven als afkomstig van slechts enkele personen. Inmiddels telt de petitie tegen het plan bijna 10.000 ondertekeningen. Van de ondertekenaars met een openbaar gemaakte woonplaats zijn er minimaal 617 afkomstig uit De Fryske Marren en minimaal 34 uit Eesterga/Jistergea en Follega gezamenlijk.
Acht het college de eerdere kwalificatie van de omvang van de weerstand nog steeds actueel en representatief?
Zo ja, op welke objectieve gegevens baseert het college dat oordeel? Zo nee, welke betekenis kent het college aan deze ontwikkeling toe bij de beoordeling van het participatieproces en het maatschappelijke en lokale draagvlak?
En op welke wijze is deze ontwikkeling meegewogen in het voorstel om de huidige raad desondanks te adviseren de definitieve vvgb af te geven?
5. Welke provinciale juridische route wordt precies toegepast?
Kan het college ondubbelzinnig aangeven op welke bepaling of combinatie van bepalingen uit de ten tijde van de aanvraag toepasselijke provinciale regelgeving het oordeel is gebaseerd dat dit zonnepark op deze locatie kan worden toegestaan?
Wij verzoeken het college daarbij afzonderlijk aan te geven:
- of een beroep wordt gedaan op de provinciale uitzondering waarbij de zonneladder niet hoeft te worden toegepast vanwege een vóór 3 juni 2020 zorgvuldig doorlopen proces én minimaal 50% mede-eigendom van de lokale gemeenschap;
- of gebruik wordt gemaakt van een provinciale afwijkingsmogelijkheid waarbij minder dan 50% lokaal eigendom mogelijk is;
- dan wel of het college zich op een andere juridische grondslag beroept.
Kan het college vervolgens voor iedere afzonderlijke voorwaarde van de daadwerkelijk gekozen juridische route aangeven met welke concrete feiten en dossierstukken wordt aangetoond dat daaraan is voldaan?
6. Lokaal mede-eigendom of financiële participatie?
In het raadsvoorstel wordt erkend dat de provinciale uitzondering op de zonneladder gekoppeld is aan minimaal 50% mede-eigendom van de lokale gemeenschap. Tegelijkertijd is in de gemeentelijke borging sprake van een inspanningsverplichting gericht op minimaal 50% financiële participatie, waarbij verschillende vormen van participatie mogelijk zijn.
Kan het college juridisch en feitelijk toelichten waarom een inspanningsverplichting tot financiële participatie volgens het college voldoet aan een provinciale voorwaarde die spreekt over minimaal 50% mede-eigendom?
Welk percentage juridisch en economisch eigendom door de lokale gemeenschap is op het moment waarop de definitieve vvgb en vervolgens de vergunning worden verleend daadwerkelijk en afdwingbaar verzekerd?
Welke zeggenschap en financiële risico’s behoren bij dit lokale eigendom, wie wordt voor dit project tot de “lokale gemeenschap” gerekend en wat zijn de juridische gevolgen indien minimaal 50% lokaal medeeigendom uiteindelijk niet wordt gerealiseerd?
7. Is 50% lokaal eigendom feitelijk nog realistisch?
Uit de stukken blijkt dat de initiatiefnemer het zonnepark ontwikkelt, bouwt en financiert en dat lokaal mede-eigendom vervolgens onder meer via een toekomstige coöperatie vorm zou moeten krijgen. Een intentieverklaring van 5 maart 2025 heeft betrekking op zes inwoners, terwijl uit andere correspondentie blijkt dat onder andere Dorpsbelang, Dorp Centraal en later benaderde individuele inwoners geen belangstelling hadden om verdere gesprekken over financiële participatie te voeren. Hoe beoordeelt het college tegen deze achtergrond de feitelijke haalbaarheid én representativiteit van minimaal 50% lokaal mede-eigendom?
Acht het college een intentie van een beperkt aantal personen voldoende om te kunnen spreken van mede-eigendom door de lokale gemeenschap zoals bedoeld in de provinciale regelgeving? Zo ja, waarop is dat oordeel gebaseerd en welke zekerheid heeft de huidige gemeenteraad dat de constructie die uiteindelijk wordt gerealiseerd ook daadwerkelijk aan de provinciale voorwaarden zal voldoen?
8. Waarom wordt deze plas als restruimte aangemerkt?
De voormalige zandwinplas wordt in de gemeentelijke beoordeling als “restruimte” aangemerkt.
Tegelijkertijd heeft de locatie planologisch de bestemming Water met waarde Natuur-Landschap en blijkt uit historische stukken dat bij de herinrichting van de voormalige zandwinplas ecologische meerwaarde werd verwacht en de toekomstige functie werd omschreven als “vis-recreatie-natuur”.
Kan het college uiteenzetten hoe deze planologische bestemming, de historische herinrichting, de destijds beoogde functie en de aanwezige natuurwaarden zijn meegewogen bij de huidige kwalificatie als restruimte?
Welke ruimtelijk meer aangewezen alternatieven overeenkomstig de toepasselijke provinciale en gemeentelijke zonneladder zijn concreet onderzocht voordat is geconcludeerd dat juist deze plas voor een grootschalig drijvend zonnepark in aanmerking komt?
9. Omvang van de bedekking en ecologische uitgangspunten
In de ecologische stukken wordt uitgegaan van circa 8,6 hectare zonnepanelen op ongeveer 11,5 hectare water, terwijl in andere stukken onder meer een bedekkingspercentage van circa 55% wordt genoemd.
Tegelijkertijd blijkt uit ecologische stukken dat bij een bedekking vanaf ongeveer 50% andere effecten kunnen optreden en nader onderzoek noodzakelijk kan zijn.
Kan het college exact aangeven welk percentage van het daadwerkelijke wateroppervlak in het definitieve plan wordt bedekt door zonnepanelen en bijbehorende constructies?
Hoe zijn de verschillen tussen de genoemde oppervlaktes en percentages te verklaren en welk percentage is uiteindelijk als uitgangspunt gehanteerd bij de ecologische beoordeling waarop het college zijn huidige advies baseert?
10. Ecologische zekerheid vooraf versus monitoring achteraf
Uit het monitoringsplan blijkt dat de waterkwaliteitsmetingen uit 2020 onvoldoende zijn om als volwaardige nulmeting te functioneren. Tevens blijkt dat mogelijke effecten niet uitsluitend lokaal onder de zonnepanelen hoeven op te treden, maar de gehele plas kunnen beïnvloeden.
Hoe kan het college vóór vergunningverlening met voldoende zekerheid concluderen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de aanwezige natuurwaarden wanneer een adequate nulmeting ontbreekt en belangrijke kennis over de daadwerkelijke effecten pas door monitoring na realisatie beschikbaar komt?
Kan het college daarbij toelichten waarom maandelijkse zuurstofmetingen voldoende worden geacht wanneer daarmee bijvoorbeeld nachtelijke zuurstofdalingen kunnen worden gemist en continue metingen een vollediger beeld zouden geven?
Welke objectieve grenswaarden en interventiemomenten worden juridisch afdwingbaar vastgelegd en kan, wanneer uit monitoring negatieve effecten blijken, daadwerkelijk worden afgedwongen dat het aantal panelen wordt verminderd of delen van het zonnepark worden verwijderd?
11. Open karakter van de besluitvorming
In het eerdere raadsvoorstel werd onder “Beoogd resultaat” gesteld dat de uitgebreide
voorbereidingsprocedure wordt opgestart “met het doel de omgevingsvergunning te verlenen”.
Die formulering kan de indruk wekken dat vergunningverlening reeds als beoogde uitkomst van het proces werd beschouwd, terwijl de gemeenteraad eerst zelfstandig moest — en thans definitief moet — beoordelen of hij bedenkingen tegen het project heeft.
Hoe verhoudt deze formulering zich volgens het college tot een open besluitvormingsproces waarin zowel het afgeven als het weigeren van de definitieve vvgb een reële uitkomst moet kunnen zijn?
Acht het college deze formulering, achteraf bezien, voldoende recht doen aan de zelfstandige positie van de gemeenteraad?
Kan het college expliciet bevestigen dat het voorstel van het college om de definitieve vvgb af te geven niet betekent dat vergunningverlening bestuurlijk reeds als vaststaand mag worden beschouwd en dat de huidige raad — ongeacht het besluit over de ontwerp-vvgb in januari — volledig vrij is om op basis van het dossier dat nu voorligt de definitieve vvgb te weigeren?
12. Fout in de ontwerpstukken en betrouwbaarheid van het dossier
Uit de nota van zienswijzen blijkt dat een door de gemeenteraad aangebrachte voorwaarde met betrekking tot participatie “per abuis niet verwerkt” was in de ontwerpstukken en alsnog moet worden toegevoegd, waarbij wordt geconcludeerd dat de betreffende zienswijze doel treft.
Welke controle heeft het college uitgevoerd op de volledigheid en onderlinge consistentie van alle stukken waarop de huidige raad zijn definitieve besluit moet baseren?
Zijn bij deze controle nog andere omissies, tegenstrijdigheden of wijzigingen geconstateerd en kan het college garanderen dat alle door de raad eerder gestelde voorwaarden correct en juridisch afdwingbaar in de uiteindelijke vergunning worden verwerkt?
13. Wat moet de huidige raad nu anders of opnieuw wegen?
Kan het college concreet aangeven welke feiten en omstandigheden sinds de ontwerp-vvgb van januari 2026 nieuw zijn, zijn gewijzigd, nader zijn onderbouwd of door de ingediende zienswijzen in een ander licht zijn komen te staan?
Kan het college vervolgens per relevant onderdeel aangeven waarom deze nieuwe of nader beschikbare informatie volgens het college géén aanleiding vormt om tot een andere beoordeling te komen dan ten tijde van de ontwerp-vvgb?
14. Integrale beoordeling: waarom zijn er volgens het college geen bedenkingen?
Kan het college ten slotte, gelet op:
- de zienswijzen die na de ontwerp-vvgb zijn ingediend;
- de actuele omvang van de maatschappelijke weerstand;
- de vragen over de kwaliteit en representativiteit van het participatieproces;
- de onzekerheid over de daadwerkelijke realisatie van minimaal 50% lokaal mede-eigendom;
- de vraag welke provinciale juridische route precies wordt toegepast en of aan alle voorwaarden daarvan is voldaan;
- de kwalificatie en historische functie van de voormalige zandwinplas;
- de omvang van de bedekking van het wateroppervlak;
- het ontbreken van een volwaardige ecologische nulmeting en de resterende onzekerheden over de ecologische effecten;
- en de overige informatie die sinds het ontwerpbesluit beschikbaar is gekomen,
voor ieder van deze punten afzonderlijk én in onderlinge samenhang gemotiveerd aangeven waarom het college van oordeel is dat de huidige gemeenteraad voldoende zekerheid en onderbouwing heeft om te verklaren dat hij geen bedenkingen tegen dit project heeft?
En kan het college daarbij expliciet aangeven waarom deze omstandigheden volgens het college geen aanleiding vormen om de raad te adviseren de definitieve vvgb te weigeren?
Wij verzoeken het college deze vragen afzonderlijk en volledig, met verwijzing naar de relevante juridische bepalingen en dossierstukken, te beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de definitieve verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad, zodat de huidige raad op basis van het volledige en actuele dossier zelfstandig tot zijn oordeel kan komen.
Digitaal bijgevoegd:
Omgevingsproces
Antwoord namens college:
1. Betekenis van het besluit van januari 2026
Kan het college uiteenzetten welke juridische betekenis de in januari 2026 afgegeven ontwerp-vvgb heeft voor het besluit dat de huidige gemeenteraad over de definitieve vvgb moet nemen?
De ontwerp-vvgb is een voorlopig standpunt van de gemeenteraad van het initiatief. De ontwerp-vvgb is een verplichte stap die tijdens een uitgebreide vergunningsprocedure moet worden doorlopen. Die heeft formeel geen juridische betekenis. Wanneer de raad besluit om geen definitieve vvgb af te geven, bijvoorbeeld wanneer er zienswijzen zijn ontvangen die wellicht zorgen voor een ander standpunt, dient er wel gemotiveerd te worden waarom het afgeven van de verklaring niet gewenst is. In dat geval kan de
vergunning niet worden verleend.
Kan het college daarbij bevestigen dat de huidige raad niet gebonden is aan de eerdere politieke beoordeling of stemverhouding, maar de ingediende zienswijzen, nadien beschikbaar gekomen informatie, nader uitgewerkte voorwaarden, eventuele gewijzigde omstandigheden en alle betrokken belangen opnieuw en zelfstandig mag wegen?
Ja, dat kunnen we bevestigen.
Kan het college tevens bevestigen dat fracties en raadsleden die in januari met de ontwerp-vvgb hebben ingestemd, op basis van deze nadere informatie en hernieuwde belangenafweging bij het definitieve besluit rechtsgeldig tot een andere conclusie kunnen komen?
Ja, dat kunnen we bevestigen.
2. Welke relevante informatie is sinds het ontwerpbesluit toegevoegd of gewijzigd?
Kan het college een volledig overzicht verstrekken van alle feiten, onderzoeken, zienswijzen, aanpassingen van het plan, wijzigingen of aanvullingen van vergunningvoorschriften en overige relevante informatie die na de besluitvorming over de ontwerp-vvgb in januari 2026 beschikbaar is gekomen of inhoudelijk is gewijzigd?
De aangepaste stukken liggen nu voor ter besluitvorming. Het landschappelijk inpassingsplan is gewijzigd en er zijn zienswijzen ingediend. Daarnaast is de ontwerp-omgevingsvergunning gewijzigd met het aangenomen amendement. Dit alles kunt u teruglezen in de stukken en de bijgevoegde Nota zienswijzen. Tot slot is er een brief binnengekomen van de Provincie Fryslân. Deze brief is nader toegelicht in de ‘Raadsmemo Zonnepark voormalige zandwinplas te Eesterga (OTZ00 P 29) Z.766274’ van
1 september 2026.
Kan het college per onderdeel aangeven of en, zo ja, op welke wijze deze nieuwe informatie aanleiding heeft gegeven tot een hernieuwde inhoudelijke beoordeling?
De hiervoor genoemde gewijzigde stukken en ingediende zienswijzen hebben geleid tot een hernieuwde inhoudelijke beoordeling. Deze beoordeling heeft echter niet geleid tot een wijziging van ons standpunt.
De brief van de provincie heeft daarentegen wel aanleiding gegeven tot een andere beoordeling. Naar aanleiding daarvan hebben wij uw raad geadviseerd het voorstel van de agenda af te voeren.
Welke informatie acht het college daarbij zodanig relevant dat de huidige raad deze expliciet behoort mee te wegen bij zijn definitieve besluit?
De raad dient alle informatie mee te kunnen wegen. Daarbij is geen sprake van meer of minder relevant.
3. Participatie: van eerste planvorming tot definitief plan
Kan het college een chronologisch overzicht verstrekken van het participatieproces vanaf de eerste planvorming tot heden, waarbij per participatiemoment wordt aangegeven wanneer dit heeft plaatsgevonden, welke omwonenden, inwoners, dorpsorganisaties en andere lokale partijen zijn uitgenodigd, hoeveel personen daadwerkelijk hebben deelgenomen, welke bezwaren, alternatieven en voorstellen naar voren zijn gebracht en welke concrete wijzigingen van het plan daaruit zijn voortgekomen?
Participatie is door een onafhankelijke partij uitgevoerd en het participatieverslag is terug te vinden in de bijlagen van het ontwerp-omgevingsvergunning. Daarnaast heeft er vóór 3 juni participatie plaatsgevonden zoals is beschreven in de bijlage ‘Omgevingsproces’.
Kan het college specifiek aangeven op welke concrete participatieactiviteiten vóór 3 juni 2020 het oordeel is gebaseerd dat sprake is geweest van een zorgvuldig proces met de lokale gemeenschap zoals bedoeld in de destijds toepasselijke provinciale regelgeving, en aan de hand van welke criteria het college concludeert dat aan deze voorwaarde is voldaan?
Wij verwijzen hiervoor naar de beantwoording van vraag 3.
De aanvraag omgevingsvergunning dateert van 13 oktober 2023 en het plan is gedurende het proces gewijzigd. Kan het college daarom tevens aangeven bij welke relevante wijzigingen de lokale gemeenschap opnieuw is betrokken en waarom participatie over eerdere planvarianten volgens het college voldoende representatief is voor het definitieve plan?
Tijdens de planvorming zijn er (kleine) wijzigingen in het plan aangebracht. Deze wijzigingen waren van dusdanige aard en hebben niet geleid tot een wezenlijke verandering van aard, omvang of ruimtelijke uitstraling van het initiatief. Om die reden bestond er geen aanleiding om de lokale gemeenschap naar aanleiding van deze wijzigingen opnieuw te raadplegen.
4. Actuele maatschappelijke weerstand en draagvlak
In eerdere gemeentelijke stukken is de weerstand tegen het plan onder meer omschreven als afkomstig van slechts enkele personen. Inmiddels telt de petitie tegen het plan bijna 10.000 ondertekeningen. Van de ondertekenaars met een openbaar gemaakte woonplaats zijn er minimaal 617 afkomstig uit De Fryske Marren en minimaal 34 uit Eesterga/Jistergea en Follega gezamenlijk.
Acht het college de eerdere kwalificatie van de omvang van de weerstand nog steeds actueel en representatief?
Het college heeft zich gericht op de vijf zienswijzen die zijn ingediend tijdens de ter inzage legging van het plan. Omdat weerstand en draagvlak niet is teruggekomen in de ingediende zienswijzen hebben wij dit onderdeel niet opnieuw ter discussie gesteld.
Zo ja, op welke objectieve gegevens baseert het college dat oordeel? Zo nee, welke betekenis kent het college aan deze ontwikkeling toe bij de beoordeling van het participatieproces en het maatschappelijke en lokale draagvlak?
Niet van toepassing, zie bovenstaand antwoord.
En op welke wijze is deze ontwikkeling meegewogen in het voorstel om de huidige raad desondanks te adviseren de definitieve vvgb af te geven?
Niet van toepassing, zie bovenstaand antwoord.
5. Welke provinciale juridische route wordt precies toegepast?
Kan het college ondubbelzinnig aangeven op welke bepaling of combinatie van bepalingen uit de ten tijde van de aanvraag toepasselijke provinciale regelgeving het oordeel is gebaseerd dat dit zonnepark op deze locatie kan worden toegestaan?
Wij verzoeken het college daarbij afzonderlijk aan te geven:
- of een beroep wordt gedaan op de provinciale uitzondering waarbij de zonneladder niet hoeft te worden toegepast vanwege een vóór 3 juni 2020 zorgvuldig doorlopen proces én minimaal 50% mede-eigendom van de lokale gemeenschap;
- of gebruik wordt gemaakt van een provinciale afwijkingsmogelijkheid waarbij minder dan 50% lokaal eigendom mogelijk is;
- dan wel of het college zich op een andere juridische grondslag beroept.
Kan het college vervolgens voor iedere afzonderlijke voorwaarde van de daadwerkelijk gekozen juridische route aangeven met welke concrete feiten en dossierstukken wordt aangetoond dat daaraan is voldaan?
- Er is een zorgvuldig proces doorlopen vóór 3 juni 2020 (zie ook bijlage ‘Omgevingsproces’) en de intentie is dat minimaal 50% mede-eigendom van de lokale gemeenschap wordt beoogd.
- Niet van toepassing;
- Niet van toepassing.
6. Lokaal mede-eigendom of financiële participatie?
In het raadsvoorstel wordt erkend dat de provinciale uitzondering op de zonneladder gekoppeld is aan minimaal 50% mede-eigendom van de lokale gemeenschap. Tegelijkertijd is in de gemeentelijke borging sprake van een inspanningsverplichting gericht op minimaal 50% financiële participatie, waarbij verschillende vormen van participatie mogelijk zijn.
Kan het college juridisch en feitelijk toelichten waarom een inspanningsverplichting tot financiële participatie volgens het college voldoet aan een provinciale voorwaarde die spreekt over minimaal 50% mede-eigendom?
Welk percentage juridisch en economisch eigendom door de lokale gemeenschap is op het moment waarop de definitieve vvgb en vervolgens de vergunning worden verleend daadwerkelijk en afdwingbaar verzekerd?
Welke zeggenschap en financiële risico’s behoren bij dit lokale eigendom, wie wordt voor dit project tot
de “lokale gemeenschap” gerekend en wat zijn de juridische gevolgen indien minimaal 50% lokaal medeeigendom uiteindelijk niet wordt gerealiseerd?
De volgende informatie hebben wij vanuit de initiatiefnemer ontvangen wat betreft het lokaal medeeigendom en de financiële participatie: In de vergunningaanvraag is een gebiedsfonds opgenomen in lijn met de ‘Gedragscode zon op land’. In de ontwikkelfase is met meerdere potentiële gesprekspartners contact geweest. Geen van deze partijen wilden in overleg.
Vervolgens heeft zich een groep inwoners gemeld. Daarnaast is er een energiecoöperatie met interesse voor de inrichting van financiële participatie vanuit dit project. Vanuit Novar is gesproken met al deze partijen en men staat momenteel onderling in contact om tot samenwerking of duidelijkheid te komen over de juiste gesprekspartner. Hierbij moet worden aangetekend dat de groep inwoners zich als eerste heeft gemeld en gezien de rol als vertegenwoordiger van de omgeving geniet deze groep een voorkeurspositie om al dan niet een samenwerking met de energiecoöperaties aan te gaan. Zodra hier duidelijkheid over ontstaat worden inhoudelijke gesprekken gevoerd. Het doel van deze gesprekken zal zijn om tot invulling te komen van 50% mede-eigenaarschap. Indien dit niet kan worden ingevuld, dan blijft tenminste het huidig aangeboden gebiedsfonds van kracht en/of worden aanvullende afspraken gemaakt.
In het door uw raad vastgestelde beleidskader Beleidskader Sinnefjilden 2020 staat bij hoofdstuk 5 participatie:
Financiële participatie . In welke vorm dan ook, vooraf of achteraf, financieel participeren in een project.
Gezien het feit dat de financiële uitwerking nog niet volledig is uitgewerkt, betekent dit niet dat het een onrealistisch scenario is.
7. Is 50% lokaal eigendom feitelijk nog realistisch?
Uit de stukken blijkt dat de initiatiefnemer het zonnepark ontwikkelt, bouwt en financiert en dat lokaal mede-eigendom vervolgens onder meer via een toekomstige coöperatie vorm zou moeten krijgen. Een intentieverklaring van 5 maart 2025 heeft betrekking op zes inwoners, terwijl uit andere correspondentie blijkt dat onder andere Dorpsbelang, Dorp Centraal en later benaderde individuele inwoners geen belangstelling hadden om verdere gesprekken over financiële participatie te voeren.
Hoe beoordeelt het college tegen deze achtergrond de feitelijke haalbaarheid én representativiteit van minimaal 50% lokaal mede-eigendom?
Acht het college een intentie van een beperkt aantal personen voldoende om te kunnen spreken van mede-eigendom door de lokale gemeenschap zoals bedoeld in de provinciale regelgeving?
Zo ja, waarop is dat oordeel gebaseerd en welke zekerheid heeft de huidige gemeenteraad dat de constructie die uiteindelijk wordt gerealiseerd ook daadwerkelijk aan de provinciale voorwaarden zal voldoen?
Er zijn ook mensen die hebben aangegeven dat zij pas in gesprek willen gaan na vergunningverlening. Zie ook de beantwoording van vraag 6.
8. Waarom wordt deze plas als restruimte aangemerkt?
De voormalige zandwinplas wordt in de gemeentelijke beoordeling als “restruimte” aangemerkt.
Tegelijkertijd heeft de locatie planologisch de bestemming Water met waarde Natuur-Landschap en blijkt uit historische stukken dat bij de herinrichting van de voormalige zandwinplas ecologische meerwaarde werd verwacht en de toekomstige functie werd omschreven als “vis-recreatie-natuur”.
Kan het college uiteenzetten hoe deze planologische bestemming, de historische herinrichting, de destijds beoogde functie en de aanwezige natuurwaarden zijn meegewogen bij de huidige kwalificatie als restruimte?
Welke ruimtelijk meer aangewezen alternatieven overeenkomstig de toepasselijke provinciale en gemeentelijke zonneladder zijn concreet onderzocht voordat is geconcludeerd dat juist deze plas voor een grootschalig drijvend zonnepark in aanmerking komt?
Het Beleidskader Sinnefjilden 2020 onderscheidt verschillende typen locaties voor de realisatie van zonnepanelen. Onder restruimten (trede 2) van de zonneladder worden onder meer bouwblokken, bedrijventerreinen, geluidswallen, waterbassins, overhoeken en bermen verstaan. Het gaat er niet om of de locatie voldoet aan de definitie van ‘waterbassin’, maar richt zich op de vraag of de locatie is aan te merken als restruimte.
De waterplas is vanaf 1975 grotendeels ontstaan door zandwinning ten behoeve van de aanleg van A6. Het betreft daarmee een kunstmatig ontstane en uitgegraven waterplas. Daarnaast is de plas geïsoleerd gelegen en vormt deze geen onderdeel van een groter stroom- of boezemsysteem. Er bestaat geen functionele verbinding met het omliggende oppervlaktewatersysteem. Gelet op het kunstmatige ontstaan en de geïsoleerde ligging wordt de zandwinplas beschouwd als een restruimte.
De waterplas wordt niet gebruikt voor landbouw en is daarvoor, gelet op de diepte, ook niet geschikt. De plas wordt momenteel gebruikt voor karpervissen. Van (courante of niet-courante) landbouwgrond is daarom geen sprake.
Indieners wijzen erop dat de locatie een natuurplas zou zijn. Wij volgen dit standpunt niet. De locatie heeft weliswaar de bestemming ‘Water’ met de aanduiding ‘Water – Natuur en Landschap’, maar deze aanduiding is destijds opgenomen vanwege het voornemen om het gebied als natuur in te richten, waaronder de ontwikkeling van een plas-drasgebied. Deze plannen zijn echter nooit gerealiseerd. De feitelijke situatie is nog steeds die van een kunstmatig ontstane zandwinplas.
In de ruimtelijke onderbouwing is daarnaast beoordeeld of het initiatief gevolgen heeft voor de bestemming en de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Daaruit blijkt dat geen sprake is van:
- het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen met bijbehorende constructies, installaties of apparatuur;
- het aanbrengen van oeverbeschoeiingen, beekbekledingen, kaden, dijken of vlonders;
- het vergraven, verbreden, verdiepen of dempen van watergangen.
Daarnaast blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat de aanwezige natuur- en landschapswaarden niet significant worden aangetast. Na beëindiging van de exploitatie worden de installaties en bijbehorende voorzieningen verwijderd.
Gelet op het voorgaande is de voormalige zandwinplas terecht ingedeeld in trede 2 van de zonneladder, omdat deze locatie is aan te merken als restruimte vanwege de ontstaansgeschiedenis en het huidige gebruik.
9. Omvang van de bedekking en ecologische uitgangspunten
In de ecologische stukken wordt uitgegaan van circa 8,6 hectare zonnepanelen op ongeveer 11,5 hectare water, terwijl in andere stukken onder meer een bedekkingspercentage van circa 55% wordt genoemd.
Tegelijkertijd blijkt uit ecologische stukken dat bij een bedekking vanaf ongeveer 50% andere effecten kunnen optreden en nader onderzoek noodzakelijk kan zijn.
Kan het college exact aangeven welk percentage van het daadwerkelijke wateroppervlak in het definitieve plan wordt bedekt door zonnepanelen en bijbehorende constructies?
Hoe zijn de verschillen tussen de genoemde oppervlaktes en percentages te verklaren en welk percentage is uiteindelijk als uitgangspunt gehanteerd bij de ecologische beoordeling waarop het college zijn huidige advies baseert?
De ecologische onderzoeken die aan de aanvraag ten grondslag liggen, zijn inmiddels verouderd. Deze onderzoeken moeten daarom worden geactualiseerd voordat definitieve besluitvorming kan plaatsvinden.
Op basis van de geactualiseerde onderzoeken moet eerst worden beoordeeld of het zonnepark zonder onevenredige aantasting van de aanwezige natuurwaarden kan worden gerealiseerd.
10. Ecologische zekerheid vooraf versus monitoring achteraf
Uit het monitoringsplan blijkt dat de waterkwaliteitsmetingen uit 2020 onvoldoende zijn om als volwaardige nulmeting te functioneren. Tevens blijkt dat mogelijke effecten niet uitsluitend lokaal onder de zonnepanelen hoeven op te treden, maar de gehele plas kunnen beïnvloeden.
Hoe kan het college vóór vergunningverlening met voldoende zekerheid concluderen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de aanwezige natuurwaarden wanneer een adequate nulmeting ontbreekt en belangrijke kennis over de daadwerkelijke effecten pas door monitoring na realisatie beschikbaar komt?
Kan het college daarbij toelichten waarom maandelijkse zuurstofmetingen voldoende worden geacht wanneer daarmee bijvoorbeeld nachtelijke zuurstofdalingen kunnen worden gemist en continue metingen een vollediger beeld zouden geven?
Welke objectieve grenswaarden en interventiemomenten worden juridisch afdwingbaar vastgelegd en kan, wanneer uit monitoring negatieve effecten blijken, daadwerkelijk worden afgedwongen dat het aantal panelen wordt verminderd of delen van het zonnepark worden verwijderd?
Wij verwijzen hiervoor naar de beantwoording van vraag 9.
11. Open karakter van de besluitvorming
In het eerdere raadsvoorstel werd onder “Beoogd resultaat” gesteld dat de uitgebreide
voorbereidingsprocedure wordt opgestart “met het doel de omgevingsvergunning te verlenen”.
Die formulering kan de indruk wekken dat vergunningverlening reeds als beoogde uitkomst van het proces werd beschouwd, terwijl de gemeenteraad eerst zelfstandig moest — en thans definitief moet — beoordelen of hij bedenkingen tegen het project heeft.
Hoe verhoudt deze formulering zich volgens het college tot een open besluitvormingsproces waarin zowel het afgeven als het weigeren van de definitieve vvgb een reële uitkomst moet kunnen zijn?
Acht het college deze formulering, achteraf bezien, voldoende recht doen aan de zelfstandige positie van de gemeenteraad?
Kan het college expliciet bevestigen dat het voorstel van het college om de definitieve vvgb af te geven niet betekent dat vergunningverlening bestuurlijk reeds als vaststaand mag worden beschouwd en dat de huidige raad — ongeacht het besluit over de ontwerp-vvgb in januari — volledig vrij is om op basis van het dossier dat nu voorligt de definitieve vvgb te weigeren?
Wij verwijzen hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.
12. Fout in de ontwerpstukken en betrouwbaarheid van het dossier
Uit de nota van zienswijzen blijkt dat een door de gemeenteraad aangebrachte voorwaarde met betrekking tot participatie “per abuis niet verwerkt” was in de ontwerpstukken en alsnog moet worden toegevoegd, waarbij wordt geconcludeerd dat de betreffende zienswijze doel treft.
Welke controle heeft het college uitgevoerd op de volledigheid en onderlinge consistentie van alle stukken waarop de huidige raad zijn definitieve besluit moet baseren?
Zijn bij deze controle nog andere omissies, tegenstrijdigheden of wijzigingen geconstateerd en kan het college garanderen dat alle door de raad eerder gestelde voorwaarden correct en juridisch afdwingbaar in de uiteindelijke vergunning worden verwerkt?
Wij verwijzen hiervoor naar de beantwoording van vraag 2.
13. Wat moet de huidige raad nu anders of opnieuw wegen?
Kan het college concreet aangeven welke feiten en omstandigheden sinds de ontwerp-vvgb van januari 2026 nieuw zijn, zijn gewijzigd, nader zijn onderbouwd of door de ingediende zienswijzen in een ander licht zijn komen te staan?
Kan het college vervolgens per relevant onderdeel aangeven waarom deze nieuwe of nader beschikbare informatie volgens het college géén aanleiding vormt om tot een andere beoordeling te komen dan ten tijde van de ontwerp-vvgb?
Wij verwijzen hiervoor naar de beantwoording van vraag 2.
14. Integrale beoordeling: waarom zijn er volgens het college geen bedenkingen?
Kan het college ten slotte, gelet op:
- de zienswijzen die na de ontwerp-vvgb zijn ingediend;
- de actuele omvang van de maatschappelijke weerstand;
- de vragen over de kwaliteit en representativiteit van het participatieproces;
- de onzekerheid over de daadwerkelijke realisatie van minimaal 50% lokaal mede-eigendom;
- de vraag welke provinciale juridische route precies wordt toegepast en of aan alle voorwaardendaarvan is voldaan;
- de kwalificatie en historische functie van de voormalige zandwinplas;
- de omvang van de bedekking van het wateroppervlak;
- het ontbreken van een volwaardige ecologische nulmeting en de resterende onzekerheden over
- de ecologische effecten;
- en de overige informatie die sinds het ontwerpbesluit beschikbaar is gekomen,
voor ieder van deze punten afzonderlijk én in onderlinge samenhang gemotiveerd aangeven waarom het college van oordeel is dat de huidige gemeenteraad voldoende zekerheid en onderbouwing heeft om te verklaren dat hij geen bedenkingen tegen dit project heeft?
En kan het college daarbij expliciet aangeven waarom deze omstandigheden volgens het college geen aanleiding vormen om de raad te adviseren de definitieve vvgb te weigeren?
Tot voor kort waren wij in de veronderstelling dat de aanvraag voldeed aan een goede ruimtelijke ordening. Vanwege de eerder genoemde brief van de provincie moeten wij echter op dit moment op dit standpunt terugkomen. Om die reden hebben wij uw Raad geadviseerd om het voorstel van de agenda af te voeren.
Vraag raadslid:
Op 27 augustus 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van een gesprek met Plaatselijk Belang Balk Vooruit op 25 augustus 2026 is bij onze fracties de vraag ontstaan naar de rol van het college bij het onderzoek naar de wensen van de bevolking ten aanzien van de mogelijke bouw van een multifunctioneel centrum (MFC) in Balk.
Tijdens het gesprek na afloop werd aangegeven dat het uitvoeren van een dergelijk onderzoek als suggestie naar voren zou zijn gekomen tijdens een gesprek met het college.
Daarom stellen wij de volgende vragen:
- Klopt het dat het college tijdens een gesprek met Plaatselijk Belang Balk Vooruit heeft voorgesteld, gesuggereerd of geantwoord op vragen van de inwoners uit Balk om onder de inwoners onderzoek te doen naar hun wensen en opvattingen over de mogelijke bouw van een MFC?
- Zo ja, waarom heeft het college of desbetreffend college lid dit geadviseerd?
- Wat vind het college van B&W van de uitkomsten van de enquête?
- Welke vervolgstappen neemt het college nav de uitkomsten van de enquête mbt de plannen van het MFC Balk
Antwoord namens college:
1. Klopt het dat het college tijdens een gesprek met Plaatselijk Belang Balk Vooruit heeft voorgesteld, gesuggereerd of geantwoord op vragen van de inwoners uit Balk om onder de inwoners onderzoek te doen naar hun wensen en opvattingen over de mogelijke bouw van een MFC?
Plaatselijk Belang Balk Vooruit heeft op eigen initiatief de betreffende enquête uitgevoerd. Wel is in eerdere contacten gesproken over de beperkte reikwijdte van een peiling die uitsluitend onder leden van Plaatselijk Belang wordt gehouden. Een werkgroep vanuit Plaatselijk Belang heeft vervolgens zelfstandig een enquête onder de huishoudens in Balk uitgevoerd om een breder beeld van de opvattingen in het dorp te verkrijgen.
Het college heeft geen opdracht gegeven voor de enquête en was niet betrokken bij het
opstellen van de vragenlijst, het uitvoeren van de enquête of de verwerking en duiding van de resultaten door Plaatselijk Belang.
2. Zo ja, waarom heeft het college of desbetreffend collegelid dit geadviseerd?
Zoals bij vraag 1 aangegeven, heeft het college niet geadviseerd om deze enquête uit te voeren. De eerdere bespreking over de beperkte reikwijdte van een ledenpeiling moet daarvan worden onderscheiden. Dat betreft een kanttekening bij de reikwijdte van een raadpleging onder uitsluitend leden en geen advies of opdracht aan Plaatselijk Belang om een specifieke enquête uit te voeren.
3. Wat vindt het college van B&W van de uitkomsten van de enquête?
Het college waardeert de betrokkenheid van Plaatselijk Belang Balk Vooruit en van de
huishoudens die aan de enquête hebben deelgenomen. Volgens de door Plaatselijk Belang
verstrekte resultaten hebben 790 huishoudens aan de enquête deelgenomen. Daarmee geven de beschikbaar gestelde resultaten een bruikbaar beeld van de voorkeuren van de respondenten en van onderwerpen die binnen het dorp leven.
Bij de interpretatie van de uitkomsten past echter enige terughoudendheid. De enquête is door Plaatselijk Belang zelf opgesteld, uitgevoerd en geanalyseerd en is niet door of namens de gemeente uitgevoerd. Op basis van de beschikbaar gestelde informatie kan niet worden vastgesteld in hoeverre de samenstelling van de respondenten representatief is voor alle inwoners of huishoudens van Balk.
Daarnaast moeten de uitkomsten worden gelezen in relatie tot de exacte vraagstelling. Zo heeft 47% van de respondenten aangegeven sportactiviteiten bij voorkeur buiten het centrum te situeren. Dit is de grootste antwoordcategorie, maar geen absolute meerderheid en de antwoordoptie ‘buiten het centrum’ is niet gelijk aan een keuze voor een specifieke locatie. Voor culturele activiteiten heeft 65% van de respondenten een voorkeur voor het centrum aangegeven. De algemene vraag naar gezamenlijk of afzonderlijk huisvesten laat zien dat 46% kiest voor sport en cultuur apart, 28% voor samen en 27% geen voorkeur heeft. De vraagstelling over cultuur heeft betrekking op culturele activiteiten; uit deze vraag kan niet rechtstreeks een afzonderlijke locatievoorkeur voor alle maatschappelijke of verenigingsfuncties worden afgeleid.
De enquête bevat daarnaast geen integrale vergelijking van concrete ontwikkelvarianten. De financiële en organisatorische gevolgen van bijvoorbeeld huisvesting op één of twee locaties zijn niet als consequentie aan de verschillende antwoordmogelijkheden gekoppeld. ‘Kosten voor de gemeente’ is wel als één van meerdere aandachtspunten opgenomen, maar respondenten zijn niet gevraagd een keuze te maken tussen varianten met de daarbij behorende investerings- en exploitatielasten.
Om die reden beschouwt het college de door Plaatselijk Belang beschikbaar gestelde
enquêteresultaten als een relevant maatschappelijk signaal over de voorkeuren van de
respondenten, maar niet als een integraal haalbaarheids- of locatieonderzoek en evenmin als vervanging van de eerdere integrale besluitvorming door de gemeenteraad.
4. Welke vervolgstappen neemt het college naar aanleiding van de uitkomsten van de enquête met betrekking tot de plannen van het MFC Balk?
De door Plaatselijk Belang beschikbaar gestelde resultaten geven het college geen aanleiding om de gemeenteraad voor te stellen de eerder vastgestelde kaders of opdracht voor het MFC XL te wijzigen. In het doorlopen proces is door de vertegenwoordigde gebruikers expliciet de voorkeur voor een MFC XL variant aan de scenarioverkenning toegevoegd. In deze variant zijn 3 zaaldelen beschikbaar, waarbij sport en cultuur (hoewel onder één dak) gescheiden plaatsvinden.
De gemeenteraad heeft in opeenvolgende besluitvormingsstappen richting gegeven aan de
ontwikkeling van een MFC XL buiten het centrum, vervolgens een voorkeurslocatie vastgesteld en daarna opdracht gegeven de haalbaarheid van de locatie Wikelerdyk 9a te onderzoeken. In het haalbaarheidsonderzoek zijn onder meer ruimte, parkeren, verkeer, financiën en het programma van eisen onderzocht.
De verdere planvorming vindt binnen deze door de raad vastgestelde kaders plaats.
De beschikbaar gestelde enquêteresultaten worden wel betrokken als één van de
informatiebronnen in het verdere participatieproces. De signalen over de vitaliteit en
toekomstige inrichting van het centrum worden daarbij serieus genomen. De herontwikkeling van de locaties die na realisatie van het MFC vrijkomen vormt een afzonderlijke opgave, waarvoor na voldoende duidelijkheid over het MFC een eigen planvormings- en participatietraject wordt doorlopen.
Vraag raadslid:
Op 24 augustus ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Geacht college,
Namens onze fractie stellen wij de volgende vragen:
- Wat is het gemeentelijk beleid rondom de plaatsing en het gebruik van laadpalen?
- Wanneer wordt de tweede laadpaal bij het gemeentehuis geplaatst en in gebruik genomen?
- Hoe wordt gehandhaafd op de parkeerplaatsen bij het gemeentehuis wanneer auto’s daar parkeren zonder gebruik te maken van de laadpaal? “Laadpaal klevers”.
Wij zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.
Antwoord namens college:
1. Wat is het gemeentelijk beleid rondom de plaatsing en het gebruik van laadpalen?
Het vigerend beleid op gebied van laadpalen is:
Beleidsregel openbare oplaadobjecten elektrische voertuigen De Fryske Marren 2016 | Lokale wet- en regelgeving.
Deze beleidsregel vormt op dit moment het kader voor de plaatsing van openbare oplaadobjecten binnen de gemeente. De beleidsregel dateert uit 2016 en sluit niet meer volledig aan bij de huidige ontwikkelingen en de toenemende behoefte aan laadinfrastructuur. Daarom wordt dit jaar met actualisatie van dit beleid gestart.
2. Wanneer wordt de tweede laadpaal bij het gemeentehuis geplaatst en in gebruik genomen?
De tweede laadpaal bij het gemeentehuis is als toekomstige laadvoorziening aangeduid. Voor de daadwerkelijke plaatsing en ingebruikname kan op dit moment nog geen concrete planning gegeven worden. De realisatie van de tweede laadpaal is afhankelijk van de beschikbare financiële ruimte en de prioritering van de laadopgaven binnen de gemeente.
3. Hoe wordt gehandhaafd op de parkeerplaatsen bij het gemeentehuis wanneer auto’s daar parkeren zonder gebruik te maken van de laadpaal? “Laadpaal klevers”.
Op grond van het geldende verkeersbesluit en feitcode R397ea van het feitenboek kan in principe worden opgetreden tegen foutparkeerders/laadpaalklevers. Om ervoor te zorgen dat de parkeerplaats met laadpaal ook daadwerkelijk wordt gebruikt waarvoor het is bedoeld, zal hierop actief toezicht worden gehouden. In die gevallen waarbij sprake is van een overtreding, zal een waarschuwing worden gegeven en waar nodig handhavend worden opgetreden. Waar het gaat om het opladen van gemeentelijke dienstauto’s op de betreffende parkeerlaadplekken, zal ervoor worden gezorgd dat de dienstauto wordt verplaatst wanneer deze volledig is opgeladen zodat de parkeerlaadplek voor een
ander beschikbaar is.
Vraag raadslid:
Op 31 augustus 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders
Onderwerp: Aanwijzingsbesluit in- en verkoopregister voor handelaren – gevolgen voor
kringloopwinkels en vrijwilligersorganisaties Zie college besluiten 18 augustus.
Geacht college,
Onze fractie heeft kennisgenomen van het Aanwijzingsbesluit in- en verkoopregister voor handelaren. Met dit besluit wordt onder meer het Digitaal Opkopersregister (DOR) aangewezen als het verplichte register en wordt registratie via het Digitaal Opkopers Loket (DOL) verplicht gesteld. Tevens wordt het bijhouden van een papieren registratie niet langer toegestaan.
Wij onderschrijven het belang van het tegengaan van heling en het kunnen traceren van gestolen goederen. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de praktische en administratieve gevolgen van deze verplichtingen voor kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties die gebruikte goederen inzamelen, ontvangen, sorteren en verkopen.
Deze organisaties werken vaak met vrijwilligers, ontvangen grote hoeveelheden goederen van inwoners en hebben doorgaans beperkte financiële en administratieve capaciteit. Een registratieplicht kan daardoor een aanzienlijke extra belasting betekenen.
Landelijk bestaat eveneens discussie over de gevolgen van de registratieplicht voor niet-commerciële kringloopwinkels en maatschappelijke organisaties.
Daarom stellen wij het college de volgende vragen:
- Vallen kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere maatschappelijke
organisaties die gebruikte goederen inzamelen en verkopen volgens het
Aanwijzingsbesluit onder de definitie van “handelaar”? Zo ja, op welke wettelijke
grondslag baseert het college dit? - Welke goederen moeten deze organisaties concreet in het DOR registreren? Kan het
college een duidelijke lijst geven van goederen die wel en niet registratieplichtig zijn? - Geldt de registratieplicht ook voor goederen die een kringloopwinkel, vrijwilligersorganisatie of maatschappelijke organisatie gratis van inwoners ontvangt, of uitsluitend voor goederen die daadwerkelijk worden ingekocht?
- Kan het college bevestigen dat deze organisaties niet ieder binnengekomen artikel
afzonderlijk hoeven te registreren? Zo nee, waarom niet? - Hoe moet een vrijwilligersorganisatie omgaan met goederen die bijvoorbeeld tijdens
een inzamelactie, huisontruiming of andere maatschappelijke activiteit gratis worden
aangeboden of geschonken? - Heeft het college onderzocht hoeveel extra administratieve lasten, personeelsuren en kosten het verplichte gebruik van DOR veroorzaakt voor organisaties die grotendeels met vrijwilligers werken?
- Heeft het college vóór het vaststellen van het besluit overleg gevoerd met lokale
kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere betrokken maatschappelijke
organisaties? Zo ja, wat waren de belangrijkste uitkomsten? - Kan het college aangeven of het gemeentelijke aanwijzingsbesluit verder gaat dan de
landelijke wettelijke registratieplicht? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen en wat is
daarvoor de wettelijke grondslag? - Is het college bekend met de landelijke discussie over het mogelijk uitzonderen van niet-commerciële kringloopwinkels en maatschappelijke organisaties van (delen van) de registratieplicht? Hoe verhoudt het gemeentelijke besluit zich tot deze landelijke
ontwikkeling? - Is het college bereid om, zolang de landelijke regelgeving hierover nog in ontwikkeling is, de verplichtingen voor kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere
maatschappelijke organisaties niet verder te laten gaan dan strikt noodzakelijk op
grond van de landelijke wetgeving? - Is het college bereid om bij de uitvoering rekening te houden met het feit dat veel van
deze organisaties volledig of grotendeels afhankelijk zijn van vrijwilligersen niet
beschikken over professionele administratieve capaciteit? - Indien uit de praktijk blijkt dat het DOR leidt tot een onevenredige administratieve
belasting of ertoe leidt dat vrijwilligersorganisaties minder goederen kunnen aannemen, is het college dan bereid het aanwijzingsbesluit te heroverwegen of aan te passen?
Onze fractie vindt het belangrijk dat de aanpak van heling effectief is, maar ook dat regelgeving proportioneel en uitvoerbaar blijft. Daarbij moet worden voorkomen dat maatschappelijke organisaties en vrijwilligersinitiatieven, die een belangrijke bijdrage leveren aan de lokale samenleving, onbedoeld worden geconfronteerd met onevenredige administratieve lasten.
Wij verzoeken het college de vragen afzonderlijk en zo concreet mogelijk te beantwoorden.
Met vriendelijke groet, Geeske Holtrop Hoekstra Kleurrijk Fryske Marren
Antwoord namens college:
1. Vallen kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties die gebruikte goederen inzamelen en verkopen volgens het Aanwijzingsbesluit onder de definitie van “handelaar”? Zo ja, op welke wettelijke grondslag baseert het college dit?
Antwoord: Ja, de wettelijke basis hiervoor is artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.
2. Welke goederen moeten deze organisaties concreet in het DOR registreren? Kan het college een duidelijke lijst geven van goederen die wel en niet registratieplichtig zijn?
Antwoord: Er is geen wettelijke limitatieve goederenlijst. In het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht wordt gesproken over gebruikte of ongeregelde goederen en daarnaast worden bepaalde categorieën expliciet benoemd.
3. Geldt de registratieplicht ook voor goederen die een kringloopwinkel, vrijwilligersorganisatie of maatschappelijke organisatie gratis van inwoners ontvangt, of uitsluitend voor goederen die daadwerkelijk worden ingekocht?
Antwoord: Ja, onder de huidige landelijke wetgeving welke geldt voor het DOR is het feit dat een goed gratis wordt ontvangen op zichzelf geen uitzondering op de registratieplicht.
4. Kan het college bevestigen dat deze organisaties niet ieder binnengekomen artikel afzonderlijk hoeven te registreren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Nee, elk artikel moet worden geregistreerd om te voorkomen dat handelaren makkelijker
goederen kunnen verhandelen en daarmee actief bijdragen aan heling.
5. Hoe moet een vrijwilligersorganisatie omgaan met goederen die bijvoorbeeld tijdens een inzamelactie, huisontruiming of andere maatschappelijke activiteit gratis worden aangeboden of geschonken?
Antwoord: Onder de landelijke regelgeving die geldt voor het DOR betekent het gratis ontvangen van goederen niet automatisch dat de registratieplicht vervalt. Als een organisatie kwalificeert als een aangewezen handelaar als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht en de ontvangen goederen onder de registratieplicht vallen, moeten deze goederen worden geregistreerd.
De registratieplicht is daarbij niet afhankelijk van het betalen van een aankoopprijs. Het feit dat een goed wordt geschonken of tijdens een inzamelactie gratis wordt aangeboden, betekent op zichzelf niet dat het van registratie is vrijgesteld.
6. Heeft het college onderzocht hoeveel extra administratieve lasten, personeelsuren en
kosten het verplichte gebruik van DOR veroorzaakt voor organisaties die grotendeels met
vrijwilligers werken?
Antwoord: Nee, landelijk is wel vastgesteld dat de registratieplicht voor organisaties die grotendeels met vrijwilligers werken een substantiële administratieve last kan betekenen. In het kader van de voorgenomen wetswijziging is daarom aandacht besteed aan het beperken van deze lasten voor maatschappelijke organisaties.
7. Heeft het college vóór het vaststellen van het besluit overleg gevoerd met lokale
kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere betrokken maatschappelijke organisaties? Zo ja, wat waren de belangrijkste uitkomsten?
Antwoord: Nee, er is sprake van landelijke wetgeving waaraan de gemeente per 1 januari 2027 moet voldoen. We wijken niet af van de landelijke wetgeving.
8. Kan het college aangeven of het gemeentelijke aanwijzingsbesluit verder gaat dan de
landelijke wettelijke registratieplicht? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen en wat is daarvoor de wettelijke grondslag?
Antwoord: Nee het aanwijzingsbesluit gaat niet verder dan de landelijk wetgeving. Wij volgen de landelijke wetgeving.
9. Is het college bekend met de landelijke discussie over het mogelijk uitzonderen van niet-commerciële kringloopwinkels en maatschappelijke organisaties van (delen van) de
registratieplicht? Hoe verhoudt het gemeentelijke besluit zich tot deze landelijke ontwikkeling?
Antwoord: Ja, dit is bekend. Zolang de Eerste Kamer nog geen besluit heeft genomen blijft de huidige wetgeving gelden.
10. Is het college bereid om, zolang de landelijke regelgeving hierover nog in ontwikkeling is, de verplichtingen voor kringloopwinkels, vrijwilligersorganisaties en andere maatschappelijke organisaties niet verder te laten gaan dan strikt noodzakelijk op grond van de landelijke wetgeving?
Antwoord: Nee, er wordt niet afgeweken van landelijke wetgeving.
11. Is het college bereid om bij de uitvoering rekening te houden met het feit dat veel van deze organisaties volledig of grotendeels afhankelijk zijn van vrijwilligers en niet beschikken over professionele administratieve capaciteit?
Antwoord: Ja, zolang dit passend is binnen de geldende wetgeving.
12. Indien uit de praktijk blijkt dat het DOR leidt tot een onevenredige administratieve belasting of ertoe leidt dat vrijwilligersorganisaties minder goederen kunnen aannemen, is het college dan bereid het aanwijzingsbesluit te heroverwegen of aan te passen?
Antwoord: Nee, het gaat hier om landelijke wetgeving en daar wordt niet van afgeweken.
Vraag raadslid:
Op 24 augustus ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Geacht college,
Wij hebben signalen ontvangen van ondernemers over het onlangs ingevoerde verbod om groenafval vanaf een aanhanger te kiepen bij het milieuterrein. Het afval moet hierdoor volledig met de hand worden gelost.
Voor met name hoveniersbedrijven betekent dit extra tijd, kosten en fysieke belasting voor
medewerkers. Deze kosten komen uiteindelijk bij de klant terecht. Ook bestaat het risico op fysieke klachten en ziekteverzuim bij medewerkers. Daarnaast kunnen ondernemers uitwijken naar commerciële afvalverwerkers, waardoor de kosten voor inwoners verder oplopen.
Wij hebben hierover de volgende vragen:
- Wanneer en op basis van welk besluit is het verbod ingevoerd?
- Wat is de concrete aanleiding voor dit verbod en welke problemen deden zich hiervoor daadwerkelijk voor?
- Hoeveel klachten, meldingen of incidenten waren hierover bij de gemeente bekend?
- Is vooraf overleg geweest met hoveniers en andere betrokken ondernemers? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
- Welke alternatieven zijn onderzocht om eventuele overlast te voorkomen zonder het kiepen volledig te verbieden?
- Waarom is gekozen voor een algeheel verbod en niet voor bijvoorbeeld duidelijke voorwaarden waaronder ondernemers wel mogen kiepen?
- Heeft het college onderzocht hoeveel extra tijd en kosten dit voor hoveniers en hun klanten oplevert?
- Is gekeken naar de gevolgen voor de fysieke belasting en veiligheid van medewerkers die het groenafval handmatig moeten lossen?
- Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de ambitie van De Fryske Marren om een
ondernemersvriendelijke gemeente te zijn? - Is het college bereid om op korte termijn met de hovenierssector in gesprek te gaan en het verbod te heroverwegen?
- Is het college bereid om tot een praktische oplossing te komen, bijvoorbeeld door het kiepen onder bepaalde voorwaarden weer toe te staan?
Wij vragen het college nadrukkelijk om hierbij ook de gevolgen voor ondernemers, medewerkers en inwoners mee te nemen. Een maatregel die leidt tot extra kosten en fysieke belasting moet naar onze mening goed onderbouwd en proportioneel zijn.
Antwoord namens college:
1. Wanneer en op basis van welk besluit is het verbod ingevoerd?
Sinds 20 juli 2026 is het gebruik van de kiepfunctie van aanhangers op de milieuterreinen niet toegestaan. Hiermee kan beter worden gecontroleerd of afvalstromen gescheiden worden aangeboden en of wordt voldaan aan de maximale hoeveelheid van 2 m³ grof tuinafval per bezoek. Dit draagt bij aan het voorkomen van vervuiling van de groenstromen.
Deze werkwijze heeft uitsluitend betrekking op particuliere aanbieders, aangezien alleen inwoners gebruik kunnen maken van de milieuterreinen. Ondernemers kunnen hier geen afval aanbieden. Er is geen sprake van nieuw beleid, maar van een aangescherpte uitvoering van de regels uit het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening, geldend vanaf 28 juni 2024. Hoveniers mogen als uitzondering op de algemene regel voor ondernemers groenafval van particuliere inwoners van De Fryske Marren naar het milieuterrein brengen. Ook voor hen geldt dat de maximale hoeveelheid 2 m³ grof tuinafval per bezoek bedraagt.
2. Wat is de concrete aanleiding voor dit verbod en welke problemen deden zich hiervoor daadwerkelijk voor?
De aanleiding voor deze maatregel ligt in de ervaringen op de milieuterreinen met de controle op de samenstelling en omvang van aangeboden groenafval. Wanneer een aanhanger in één keer wordt gelost, is het voor medewerkers lastiger om vooraf vast te stellen of het aanbod voldoet aan de gestelde voorwaarden en of uitsluitend groenafval wordt aangeleverd. In de praktijk blijkt regelmatig dat tussen het groenafval ook andere materialen aanwezig zijn. Dit kan leiden tot vervuiling van de afvalstroom, extra werkzaamheden voor de nascheiding en hogere verwerkingskosten.
De maatregel is daarom ingevoerd vanuit het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen en het bevorderen van een goede afvalscheiding. Deze doelstelling sluit aan bij de uitgangspunten van het uitvoeringsbesluit. De maatregel is niet bedoeld om gebruikers van de milieuterreinen, waaronder hoveniers, onnodig te beperken, maar om de kwaliteit van de afvalstromen te waarborgen en de verwerkingskosten beheersbaar te houden.
3. Hoeveel klachten, meldingen of incidenten waren hierover bij de gemeente bekend?
Er vindt geen afzonderlijke registratie plaats van situaties waarin tussen aangeboden groenafval ook andere afvalstromen worden aangetroffen. Het college kan daarom geen concreet aantal klachten, meldingen of incidenten noemen dat rechtstreeks ten grondslag heeft gelegen aan de invoering van deze maatregel. De maatregel is ingegeven door ervaringen uit de dagelijkse uitvoeringspraktijk op de milieuterreinen.
4. Is vooraf overleg geweest met hoveniers en andere betrokken ondernemers? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Voorafgaand aan de invoering heeft geen afzonderlijk overleg met hoveniers of andere ondernemers plaatsgevonden. Hiervoor bestond geen noodzaak, aangezien ondernemers geen gebruik kunnen maken van de milieuterreinen. De maatregel richt zich uitsluitend op particuliere aanbieders. Hoveniers die namens inwoners groenafval aanmelden (via het formulier voor het aanmelden van (grof) groenafval voor particulieren), zijn bekend met de geldende voorwaarden en scheidingsregels die gelden bij het aanbieden van (grof) groenafval.
5. Welke alternatieven zijn onderzocht om eventuele overlast te voorkomen zonder het kiepen volledig te verbieden?
Voorafgaand aan de invoering heeft geen afzonderlijk onderzoek plaatsgevonden waarin de verschillende alternatieven tegen elkaar zijn afgewogen. Bij de invoering van de maatregel is gekozen voor een praktisch uitvoerbare en eenduidige werkwijze die medewerkers in staat stelt om de aangeboden afvalstroom vooraf te controleren op samenstelling en omvang. Het uitgangspunt daarbij was het waarborgen van een goede afvalscheiding, het voorkomen van vervuiling van afvalstromen en het beperken van extra verwerkingskosten.
Vraag raadslid:
Op 27 augustus ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
- Hoe kan het dat de initiatiefnemers niets vernomen hebben van de gemeente na eerdere positieve gesprekken?
- Welke stappen onderneemt de gemeente richting de initiatiefnemers? Kan het college uitleggen wat er afgelopen jaren allemaal gebeurd is m.b.t. de Hoitepolder Langweer?
Digitaal bijgevoegd:
- Brief van juni 2026 aan de initiatiefnemers.
Antwoord namens college:
1. Kan het college uitleggen wat er afgelopen jaren allemaal gebeurd is m.b.t. de Hoitepolder Langweer?
In 2021 is er door de initiatiefnemers een plan ingediend voor de Hoitepolder. Een groot onderdeel van dit plan was de transformatie naar een natuur/energie polder waarbij er een groot gedeelte zou veranderen in een gebied met zonnepanelen. Het college stond niet negatief tegenover het plan maar zag al wel een aantal obstakels zoals het niet voldoen aan de zonneladder en bedenkingen die de provincie ambtelijk had geuit. Tezamen met de initiatieven Brekkenpolder en Haskerveenpolder is dit
initiatief op een informatieavond aan de raad voorgelegd. De raad heeft die avond te kennen gegeven niets te zien in de 3 initiatieven en heeft tevens haar twijfels geuit bij het gebruik van de zonneladder. Het college kreeg daarbij de opdracht om te komen met een beslisboom voor zonneweiden. Daarmee bleek dat er binnen de raad geen draagvlak was voor de drie initiatieven. Er dus geen officieel raadsbesluit genomen.
2. Hoe kan het dat de initiatiefnemers niets vernomen hebben van de gemeente na eerdere positieve gesprekken?
De initiatiefnemers waren zelf aanwezig bij de informatieavond van de raad. Naderhand is er nog ambtelijk overleg geweest met de initiatiefnemers.
3.Welke stappen onderneemt de gemeente richting de initiatiefnemers?
Dit jaar heeft er eerst ambtelijk overleg plaatsgevonden met de initiatiefnemers. Vervolgens heeft de verantwoordelijke portefeuillehouder met ambtelijke ondersteuning op 22 mei dit jaar een gesprek gehad met de initiatiefnemers. En is op 23 juli ter bevestiging van het gesprokene een brief gestuurd aan hen. Daarnaast is er meerdere malen telefonisch contact geweest tussen initiatiefnemers en de betrokken wethouders. Voor het college is de kwestie hiermee afgerond.
Fraach riedslid:
Fanút ferskate mediaberjochten ha wy fernommen dat it âlde, al sûnt 1850, doarpskafee yn Langwar ûnder druk stiet no as de bewenners fan de trije apparteminten boppe it kafee by de gemeente in hânhavingsfersyk yntsjinne ha nei in melding fan lûdsoerlêst. De FNP fraksje hat hjir, as oanfolling op de VVD fraksje, noch inkele fragen oer
- Is der oerlis mei de gemeente west oer it realisearjen fan (nije) wenningen boppe it kafee? Sa ja, hokker easken hat de gemeente dan mei jûn oan de ûntwikler?
- Wy ha fernommen dat de gemeente net in ‘akoestysk rapport’ opfrege hat. Is dat sa en sa ja, werom is dit net opfrege?
- Is der nei dat it projekt klear wie ek noch in kontrôle dien troch de gemeente of as alles wol oan de easken foldien hat?
- Hoe sit it mei in ‘ûndersiiksplicht’ fan de keapers fan de apparteminten boppe it kafee?
Antwurd nammens kolleezje:
1. Is der oerlis mei de gemeente west oer it realisearjen fan (nije) wenningen boppe it kafee? Sa ja, hokker easken hat de gemeente dan mei jûn oan de ûntwikler?
Ja, doedestiids hat oerlis west mei de oanfreger oer de jildende easken. It giet hjirby om de
easken fan it bestimmingsplan en de technyske easken út it Boubeslút.
Nederlandse vertaling:
Ja, destijds is overleg geweest met de aanvrager over de geldende eisen. Het gaat hierbij om de eisen van het bestemmingsplan en de technische eisen uit het Bouwbesluit.
2. Wy ha fernommen dat de gemeente net in ‘akoestysk rapport’ opfrege hat. Is dat sa en sa ja, werom is dit net opfrege?
Nee, der is gjin akoestysk ûndersyk opfrege. Op basis fan de by de oanfraach oanlevere stikken is beoardiele dat de lûdisolearjende eigenskippen fan de apparteminten foldiene oan de op dat stuit jildende wetlike easken en foarskriften. Der bestie dêrom gjin oanlieding om oanfoljend in akoestysk ûndersyk te ferlangjen yn it ramt fan de behanneling fan de oanfraach.
Nederlandse vertaling:
Nee, er is geen akoestisch onderzoek opgevraagd. Op basis van de bij de aanvraag aangeleverde stukken is beoordeeld dat de geluidisolerende eigenschappen van de appartementen voldeden aan de op dat moment geldende wettelijke eisen en voorschriften. Er bestond daarom geen aanleiding om aanvullend een akoestisch onderzoek te verlangen in het kader van de behandeling van de aanvraag.
3. Is der nei dat it projekt klear wie ek noch in kontrôle dien troch de gemeente of as alles wol oan de easken foldien hat?
Nee, nei ôfrûning fan it projekt hat gjin kontrôle troch de gemeente west om fêst te stellen oft oan alle stelde easken foldien wie. De reden hjirfoar is dat de eigener gjin melding fan de start fan de bouwurksumheden en likemin in klear melding fan de bou yntsjinne hat. Hjirtroch wie de gemeente net op de hichte fan de fuortgong en ôfrûning fan it projekt en hat der gjin einkontrôle plakfine kinnen. Wol hat de gemeente yn it ramt fan it letter úteinset hânhaveningstrajekt twa kontrôles útfierd. Dy kontrôles hawwe west neidat it fersyk om hanthavening ûntfongen wie. De kontrôles stiene los fan in reguliere einkontrôle nei ôfrûning fan de bouwurksumheden.
Nederlandse vertaling:
Nee, na afronding van het project heeft geen controle door de gemeente plaatsgevonden om vast te stellen of aan alle gestelde eisen was voldaan. De reden hiervoor is dat de eigenaar geen melding van de start van de bouwwerkzaamheden en evenmin een gereedmelding van de bouw heeft ingediend. Hierdoor was de gemeente niet op de hoogte van de voortgang en afronding van het project en heeft er geen eindcontrole kunnen plaatsvinden.
Wel heeft de gemeente in het kader van het later gestart handhavingstraject twee controles uitgevoerd. Deze controles hebben plaatsgevonden nadat het verzoek om handhaving was ontvangen. De controles stonden los van een reguliere eindcontrole na afronding van de bouwwerkzaamheden.
4. Hoe sit it mei in ‘ûndersiiksplicht’ fan de keapers fan de apparteminten boppe it kafee?
Sivielrjochtlik hawwe de keapers in ûndersyksplicht. Dizze plicht betsjut dat fan de keaper
ferwachte wurde mei dat hy, foar safier’t dêr oanlieding ta bestiet, ûndersyk docht nei de steat en eigenskippen fan de wenning foardat ta oankeap oergien wurdt. As der sinjalen binne fan mooglike gebrekken of ûndúdlikheden, dan moat de keaper hjiroer neiere fragen stelle of oanfoljend ûndersyk útfiere litte. De omfang fan dizze ûndersyksplicht hinget ôf fan de omstannichheden fan it gefal. Dêrby jildt dat de meidielingsplicht fan de ferkeaper yn it algemien swierder weaget as de ûndersyksplicht fan de keaper.
Nederlandse vertaling:
Civielrechtelijk hebben de kopers een onderzoeksplicht. Deze plicht betekent dat van de koper mag worden verwacht dat hij, voor zover daar aanleiding toe bestaat, onderzoek doet naar de staat en eigenschappen van de woning voordat tot aankoop wordt overgegaan. Wanneer er signalen zijn van mogelijke gebreken of onduidelijkheden, dient de koper hierover nadere vragen te stellen of aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. De omvang van deze onderzoeksplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat de mededelingsplicht van de verkoper in het algemeen zwaarder weegt dan de onderzoeksplicht van de koper.
Vraag raadslid:
Op 18 juli 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Hierbij de schriftelijke vervolg vragen van de VVD wat betreft Drie Zwaantjes te Langweer.
1: Wanneer gaat de gemeente reageren op de zienswijze van de ondernemer.
2: Is het college van plan met de betrokken partijen om tafel te gaan.
Antwoord namens college:
1: Wanneer gaat de gemeente reageren op de zienswijze van de ondernemer?
De zienswijze van de ondernemer wordt meegenomen in de afwegingen van de uiteindelijkef besluitvorming. De besluitvorming wordt verwacht in september.
2: Is het college van plan met de betrokken partijen om tafel te gaan?
In een eerder stadium heeft er al een gesprek plaatsgevonden met de portefeuillehouder. De behandelende medewerkers onderhouden in eerste instantie de contacten met de betrokken partijen, met als doel te komen tot een oplossing. Wanneer het in het proces nodig of wenselijk is dat een portefeuillehouder het gesprek aangaat met de betrokken partijen, dan zal dit niet worden nagelaten. Hierbij wordt voor de volledigheid opgemerkt dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is en blijft voor de ontstane situatie.
Vraag raadslid:
Op 11 augustus 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Inleiding
Naar aanleiding van het jaarverslag van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente De Fryske Marren, en specifiek paragraaf 5.6, stelt KleurRijk Fryske Marren deze schriftelijke vragen.
De Commissie bezwaarschriften vraagt om terugkoppeling over zaken waarin haar advies niet wordt gevolgd (contrair wordt besloten) en over zaken waarin na een bezwaarprocedure beroep of hoger beroep wordt ingesteld en wat daarvan de uitkomst is.
De commissie geeft daarbij aan dat zij deze aanbeveling al in 2022 heeft gedaan en dat het nodig is deze opnieuw onder de aandacht te brengen.
Kleurrijk Fryske Marren vindt het van belang dat niet alleen de commissie, maar ook de gemeenteraad structureel inzicht krijgt in de wijze waarop met haar adviezen wordt omgegaan en wat het verdere verloop van bezwaarzaken is. Dit is van belang voor de controlerende taak van de gemeenteraad.
Schriftelijke vragen
Het college wordt verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
- Kan het college de gemeenteraad vanaf 2022 tot en met heden inzicht geven in de wijze waarop is omgegaan met de aanbeveling van de Commissie bezwaarschriften, waaronder de gevallen waarin haar advies niet is gevolgd en bezwaarzaken zijn gevolgd door beroep of hoger beroep, inclusief de uitkomsten daarvan?
- Is het college bereid om de gemeenteraad voortaan jaarlijks en structureel over deze onderwerpen te informeren?
- Kan het college daarbij een concrete toezegging doen over de wijze waarop en vanaf welk moment deze structurele informatievoorziening aan de gemeenteraad en commissie bezwaarschriften plaatsvindt?
Toelichting
De Commissie bezwaarschriften heeft deze aanbeveling volgens haar eigen jaarverslag al in 2022 gedaan en vraagt hier opnieuw aandacht voor. Kleurrijk Fryske Marren vindt het daarom van belang om niet alleen vooruit te kijken, maar eerst inzicht te krijgen in wat er sinds 2022 daadwerkelijk met deze aanbeveling is gedaan.
De fractie vindt het daarnaast van belang dat de gemeenteraad structureel wordt geïnformeerd over het vervolg van bezwaarzaken, met name wanneer wordt afgeweken van een advies van de Commissie bezwaarschriften of wanneer een zaak vervolgens bij de rechter terechtkomt.
Het gaat de fractie hierbij niet primair om de aantallen, maar om transparantie, inhoudelijke terugkoppeling en de opvolging van adviezen van de onafhankelijke Commissie bezwaarschriften. Kleurrijk Fryske Marren vindt dat de gemeenteraad hierover niet opnieuw meerdere jaren hoeft te wachten op een terugkoppeling.
Antwoord namens
Antwoord namens college:
Antwoord vraag 1:
Concreet inzicht in de wijze waarop sinds 2022 is omgegaan met de aanbeveling van de commissie om haar te informeren kunnen wij u niet bieden. Het feit dat de commissie de aanbeveling opnieuw onder de aandacht heeft gebracht, laat wel zien dat dit beter in onze processen moet worden geborgd. Daar zijn wij mee aan de slag.
Als raad krijgt u jaarlijks het jaarverslag bezwaarschriften. Daarnaast worden de beslissingen op bezwaar, waaronder de contraire beslissingen, na iedere collegevergadering gepubliceerd op de openbare besluitenlijst. Deze stukken zijn over de genoemde periode 2022 tot en met heden ook terug te vinden in iBabs. Naar het oordeel van het college volstaat dat voor u als raad om uw controlerende taak uit te oefenen.
Antwoord vraag 2:
Dat gebeurt al via voornoemd jaarverslag en de besluitenlijsten van het college.
Antwoord vraag 3:
Ten aanzien van de gemeenteraad verwijzen wij naar het vorige antwoord. Het college onderkent dat het noodzakelijk is om de commissie bezwaarschriften structureel te
informeren over contraire besluiten, en ook over uitspraken in beroep en hoger beroep.
Wij beraden ons momenteel op mogelijkheden om het proces waarin dat plaatsvindt structureel te verbeteren.
Vraag raadslid:
Op 13 juli ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Uit berichtgeving van de Leeuwarder Courant blijkt dat Wetterskip Fryslân een nacontrole uitvoert naar circa 600 sloten in Fryslân die eerder illegaal zouden zijn gedempt, goed voor circa 38 kilometer watergang. Sloten en het bijbehorende greppellandschap vervullen in het buitengebied van De Fryske Marren een belangrijke functie voor waterberging, biodiversiteit en weidevogelgebieden. PRO maakt zich zorgen over de gevolgen van illegale dempingen voor deze functies en over de handhaving hierop.
Dit brengt ons tot de volgende vragen.
- Is het college bekend hoeveel van de circa 600 illegaal gedempte sloten die Wetterskip Fryslân controleert, zich binnen de gemeente De Fryske Marren bevinden, en is de gemeente betrokken bij de aangekondigde nacontrole?
- Sloten en greppellandschap zijn belangrijke structuurdragers voor waterberging, biodiversiteit en weidevogelgebieden binnen onze gemeente. Ziet het college een rol voor de gemeente om, naast de handhaving door Wetterskip Fryslân, actief bij te dragen aan herstel van illegaal gedempte sloten binnen het buitengebied van De Fryske Marren?
- Welke mogelijkheden ziet het college om in overleg met Wetterskip Fryslân te komen tot betere preventie en vroegtijdige signalering van illegale dempingen, en is het college bereid de raad te informeren over de uitkomsten van de nacontrole zodra deze bekend zijn?
Antwoord namens college:
Antwoord vraag 1:
Het college weet niet hoeveel van de circa 600 kilometer gedempte sloten zich in onze gemeente bevindt. Onze gemeente is niet verantwoordelijk en ook niet betrokken bij de aangekondigde nacontrole van het Wetterskip Fryslân.
Antwoord vraag 2:
Het Wetterskip Fryslân is het bevoegde gezag. Het college ziet daarom geen actieve rol om bij te dragen aan het herstel van illegale gedempte sloten in het buitengebied. Onze gemeente heeft wel een signaleringsfunctie. Daarnaast is het bij slootdempingen in sommige gevallen nodig om bij onze gemeente een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit is zo als de sloot in een gebied ligt met landschappelijk, cultuurhistorisch of natuurwaarden en het dempen van de sloot het landschap wezenlijk verandert. Mocht opgemerkt worden dat een sloot illegaal wordt of is gedempt dan geven we dit door aan het Wetterskip Fryslân.
Antwoord vraag 3:
Naast het bevoegde gezag door het Wetterskip Fryslân behoort dit ook tot haar kerntaken. Het college ziet ook hier geen actieve rol voor onze gemeente om te komen tot vroegtijdige preventie en vroegtijdige signalering van dempingen. Wel zal het college contact opnemen met het Wetterskip Fryslân over de uitkomsten van de nacontrole. Indien wij de informatie van het Wetterskip Fryslân hebben ontvangen dan zullen wij dit delen met de gemeenteraad.
Vraag raadslid:
Op 22 juni 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
In mijn mail had ik 2 opties aangegeven om het hondenstrand uit te kunnen breiden. Graag wil ik daar nog even op ingaan en deze mogelijkheden verder toelichten.
- Het college gaf aan dat de gemeente tijdens de drukke zomerdagen bij het strand heeft gekeken en geconstateerd dat het zowel het strand en het hondenstrand druk bezocht worden. Het college is naar verwachting op de hoogte van het feit dat het stuk bij Polem en het stuk na de stenen pier een stuk rustiger is; daar zou dan in onze visie prima een groter hondenstrand kunnen worden gerealiseerd. Zou het college daarvoor open staan om dat te realiseren?
Bezoekers kunnen bij een keuze voor deze uitbreiding nog steeds de keuze maken op welk gedeelte ze willen liggen, het stuk met honden of zonder honden. Op die manier houd je iedereen tevreden. De afscheiding van de beide stukken strand kan natuurlijk prima met een hek; op die wijze blijft het voor iedereen veilig en plezierig.
Antwoord namens college:
Uw vraag hebben wij voorgelegd aan de Fumo en vervolgens de zwemwatercoördinator van Rijkswaterstaat. Zij geven aan dat het niet wenselijk is om het hondenstrand uit te breiden richting de officiële zwemlocatie, zeker niet in de buurt van het meetpunt* of de zwemzone. Als er meer honden in of vlak bij het zwemwater komen, heeft dat invloed op de waterkwaliteit en dus ook op de meetresultaten. Huisdieren op het strand en hondenpoep of vogelpoep zijn een mogelijke bron van vervuiling. Vooral omdat er bij zwemwater wordt gekeken naar bacteriën zoals E. coli en intestinale enterokokken.
Een meetpunt wordt niet zomaar ergens neergelegd. Volgens de regels wordt gekeken naar de plek waar de meeste mensen zwemmen, of naar de plek waar de kans op vervuiling het grootst is. Het meetpunt moet dus een goed beeld geven van de waterkwaliteit op de zwemlocatie. Het meetpunt verplaatsen kan ook niet zomaar. Het meetpunt moet passen bij waar mensen zwemmen, of bij de plek waar de kans
op vervuiling het grootst is. Je kunt het meetpunt dus niet alleen verplaatsen om een mogelijk probleem buiten beeld te houden.
*: de zwemzone en het meetpunt van strand Lemmer is als volgt:

U geeft aan dat u op de volgende locaties (paarse cirkels) een extra hondenstrand wilt realiseren:

Wanneer honden hier tijdens het zwemseizoen het water in gaan, heeft dit gevolgen voor de meetresultaten van de waterkwaliteit. Bij te hoge concentraties krijgt de locatie een slechte beoordeling met een negatief zwemadvies tot gevolg. En bij meerdere jaren slechte beoordelingen wordt de locatie door de provincie afgevoerd waarna er niet meer gemeten wordt. Dit willen wij uiteraard voorkomen.
Ook met een hek kan niet voorkomen worden dat bacteriën zoals E. coli en intestinale enterokokken via de honden in het water terecht komen. Het is daarom niet mogelijk om binnen de aangewezen zwemzone een extra hondenstrand te realiseren.
Ook het vroegere hondenstrand is niet geschikt om een hondenstrand van te maken. Het gaat om deze locatie:


Door de sterke golfslag bij harde wind blijft het zand op deze locatie niet liggen. Het spoelt telkens weg, waardoor elke aanvulling binnen korte tijd verloren gaat. Het is financieel en praktisch dus niet haalbaar om deze locatie voortdurend met nieuw zand aan te vullen.
Vraag raadslid:
Op 22 juni 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
- Op welke wettelijke grondslag en op welke bepaling(en) van de Verordening Rioolheffing baseert het college de heffing voor percelen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering en geen water afvoeren naar gemeentelijke voorzieningen/watergangen?
- Welke gemeentelijke riool- of watertaak rechtvaardigt volgens het college de heffing voor deze percelen?
- Heeft het college juridisch laten toetsen of deze heffing in overeenstemming is met de geldende wetgeving en jurisprudentie? Zo ja, wat zijn de conclusies?
- Hoeveel percelen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering en geen water afvoeren naar gemeentelijke voorzieningen betalen momenteel rioolheffing binnen de gemeente?
- Is het college bereid de juridische grondslag van deze heffing nader te onderzoeken en de raad hierover te informeren?
Bij percelen die niet zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering en geen afvalwater, hemelwater of grondwater afvoeren naar gemeentelijke voorzieningen, rijst de vraag op welke juridische grondslag rioolheffing wordt opgelegd. De fractie verzoekt het college hierover duidelijkheid te verschaffen.
Antwoord namens college:
- De rioolheffing is gebaseerd op de Gemeentewet (artikel 228A) en is vastgesteld door de raad van de Gemeente De Fryske Marren. Op grond van het vastgestelde Water- en rioleringsprogramma (WRP raadsbesluit 26 november 2025) wordt in stedelijk gebied rioolheffing in rekening gebracht bij objecten (woningen en niet-woningen). Stedelijk gebied (aansluitend op de terminologie van het WRP) omvat het gebied waar een riool of watergang in de directe omgeving van een object aanwezig is.
- Het vastgestelde Water en rioleringsplan 2026-2030.
- Op grond van wetgeving en bestaande jurisprudentie is de werkwijze getoetst.
- Percelen in het “buitengebied” waar geen directe aansluiting of watergang in onderhoud is van de gemeente betalen geen rioolheffing.
- Op dit moment bestaat er geen directe noodzaak om de huidige regeling op basis van het WRP te herzien.
Vraag raadslid:
Op 17 juni ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Tijdens het petear over de voorbereiding van de begroting 2027 is gesproken door de VVD en KFM over mogelijke aanmeldingen voor de begroting.
Namens de fractie van Kleurrijk Fryske Marren hebben wij hierover de volgende vragen:
- Zijn er op dit moment al aanmeldingen ingediend voor opname in de begroting 2027?
- Indien ja, hoeveel aanmeldingen zijn er tot op heden ontvangen?
- Kunt u een overzicht verstrekken van de aanmeldingen die op dit moment bekend zijn?
- Wat is per aanmelding de aard van het verzoek en de eventuele financiële consequentie?
- Zijn er reeds aanmeldingen waarvan het college heeft aangegeven deze wel of niet verder uit te werken voor de begroting 2027?
Wij zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.
Antwoord namens college:
Vanwege het destijds geldende meerjarenperspectief, de onzekerheid rondom de ontwikkeling van de algemene uitkering (meicirculaire) en de samenloop met de start van de nieuwe bestuursperiode, is ervoor gekozen om de voorbereiding van de Perspectiefnota 2027 te richten op het bieden van een zo actueel en realistisch mogelijk financieel kader voor de verdere begrotingsvoorbereiding.
De verdere uitwerking van beleidsmatige en financiële voorstellen vindt plaats in het kader van de voorbereiding van de Programmabegroting 2027, waarin de integrale afweging zal worden gemaakt.
- Zijn er op dit moment al aanmeldingen ingediend voor opname in de begroting 2027?
In het kader van de voorbereiding op de Programmabegroting 2027 worden binnen de organisatie de voorbereidingen getroffen om te komen tot een integraal beeld van ontwikkelingen en benodigde middelen. - Indien ja, hoeveel aanmeldingen zijn er tot op heden ontvangen?
De inventarisatie en uitwerking van voorgestelde aanmeldingen is onderdeel van het lopende begrotingsproces en wordt betrokken bij de verdere integrale afweging richting de Programmabegroting 2027. - Kunt u een overzicht verstrekken van de aanmeldingen die op dit moment bekend zijn?
Op dit moment is er nog geen bestuurlijk vastgesteld of integraal overzicht beschikbaar. De uitwerking van de aanmeldingen is onderdeel van het nog lopende proces richting de programmabegroting. - Wat is per aanmelding de aard van het verzoek en de eventuele financiële consequentie?
De inhoudelijke en financiële uitwerking van voorstellen vindt plaats in het kader van de begrotingsvoorbereiding en wordt per onderwerp nader geconcretiseerd ten behoeve van de integrale afweging in de Programmabegroting 2027. - Zijn er reeds aanmeldingen waarvan het college heeft aangegeven deze wel of niet verder uit te werken voor de begroting 2027?
De prioritering en verdere uitwerking van aanmeldingen vindt plaats binnen het reguliere begrotingsproces richting de Programmabegroting 2027. Daarbij wordt een integrale afweging gemaakt binnen het dan passende financiële kader.
Vraag raadslid:
Op 15 juni 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Op 1 augustus 2026 treedt het landelijke vuurwerkverbod in werking. Tijdens de parlementaire behandeling hebben vele gemeenten, de VNG, veiligheidsregio’s en uitvoeringsorganisaties aandacht gevraagd voor de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en de gevolgen van het voorgestelde ontheffingenstelsel.
Ook binnen Fryslân is de afgelopen periode gesproken over de noodzaak van regionale afstemming en een eenduidige aanpak.
Nu de wet definitief is vastgesteld, verzoeken wij u inzicht te geven in de wijze waarop uw gemeente voornemens is uitvoering te geven aan de nieuwe regelgeving.
Wij vernemen daarbij graag:
- Hoe beoordeelt uw college de uitvoerbaarheid van het vuurwerkverbod binnen de gemeente?
- Hoe beoordeelt uw college de handhaafbaarheid van het verbod tijdens de komende jaarwisseling?
- Is uw college voornemens gebruik te maken van de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen voor georganiseerde vuurwerkevenementen?
- Welke criteria denkt uw college daarbij te hanteren?
- Heeft hierover reeds afstemming plaatsgevonden met andere Friese gemeenten, de provincie Fryslân, politie, brandweer of veiligheidsregio?
- Verwacht uw college aanvullende personele of financiële inzet als gevolg van de nieuwe regelgeving?
- Op welke wijze worden inwoners, verenigingen en buurtorganisaties geïnformeerd over de nieuwe situatie?
Antwoord namens college:
- Hoe beoordeelt uw college de uitvoerbaarheid van het vuurwerkverbod binnen de gemeente?
Het college is kritisch op het ontwerpbesluit en de uitvoerbaarheid van de Wet veilige jaarwisseling binnen onze gemeente. In de wet is naar ons oordeel onvoldoende aandacht voor de veiligheid rond de jaarwisseling. Daarnaast bestaan er nog veel vragen over de uitvoering van de ontheffingsverlening, de bijbehorende richtlijnen en de handhaafbaarheid daarvan binnen de beschikbare toezichtscapaciteit.
Verder blijft de mogelijkheid bestaan om vuurwerk in het buitenland aan te schaffen. Hierdoor verwachten wij dat ook tijdens de komende jaarwisseling nog veel vuurwerk zal worden afgestoken. Dit maakt handhaving in de praktijk lastig uitvoerbaar. - Hoe beoordeelt uw college de handhaafbaarheid van het verbod tijdens de komende jaarwisseling?
Het college verwacht dat een verbod op het afsteken van F2-vuurwerk in de praktijk niet handhaafbaar zal zijn. De handhaving op een dergelijk verbod vraagt een aanzienlijke inzet van boa’s en politie. Gelet op de omvang van onze gemeente en de beschikbare capaciteit achten wij dit niet uitvoerbaar.
Wij rekenen daarom in belangrijke mate op het verantwoordelijkheidsgevoel en de medewerking van onze inwoners. Net als tijdens de afgelopen jaarwisseling hopen wij gezamenlijk bij te dragen aan een rustige en veilige jaarwisseling voor iedereen in onze gemeente. - Is uw college voornemens gebruik te maken van de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen voor georganiseerde vuurwerkevenementen?
Het besluitvormingsproces op Rijksniveau is nog niet afgerond. De Raad van State heeft inmiddels advies uitgebracht en het ministerie heeft aangegeven in augustus 2026 met de definitieve regeling te komen.
Het college onderzoekt momenteel hoe een eventuele ontheffingsregeling vorm kan krijgen en staat open voor het verkennen van mogelijkheden voor ontheffing verlening. Ambtelijk wordt op dit moment gewerkt aan een afwegingskader en een modelontheffing. Na vaststelling door het college zullen deze met de raad worden gedeeld. - Welke criteria denkt uw college daarbij te hanteren?
In de modelontheffing kunnen onder meer voorwaarden worden opgenomen ten aanzien van de lokale verankering en de te hanteren veiligheidsnormen, zoals minimale veiligheidsafstanden. - Heeft hierover reeds afstemming plaatsgevonden met andere Friese gemeenten, de provincie Fryslân, politie, brandweer of veiligheidsregio?
Ja. Er heeft reeds afstemming plaatsgevonden met de andere Friese gemeenten, de Veiligheidsregio Fryslân, de FUMO en de politie. - Verwacht uw college aanvullende personele of financiële inzet als gevolg van de nieuwe regelgeving?
Het college verwacht dat de uitvoering van de Wet veilige jaarwisseling dit jaar kan plaatsvinden binnen de bestaande capaciteit, door middel van her-prioritering van personele inzet. Na de jaarwisseling zal de lokale werkwijze worden geëvalueerd en waar nodig worden aangepast. - Op welke wijze worden inwoners, verenigingen en buurtorganisaties geïnformeerd over de nieuwe situatie?
Het Rijk zal de regelgeving naar verwachting in augustus 2026 publiceren. Op basis daarvan zal het college besluiten nemen. Nadat deze besluitvorming heeft plaatsgevonden, zullen de gemeenteraad, inwoners, verenigingen en stichtingen via de gebruikelijke communicatiekanalen worden geïnformeerd.
Vraag raadslid:
Op 3 juni 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
In de wintermaanden zijn honden welkom op het hele strand van Lemmer, waar veel hondenbezitters graag gebruik van maken.We begrijpen dat in de zomer maanden het druk op het strand is en het lastig is om dat met honden te combineren, maar in de zomermaanden is het aangewezen hondenstrand echt heel erg klein, er kan amper tot niet lekker rond gerend worden in en uit het water.
Wij vragen ons daarom ook af, of dat hondenstrand niet groter kan, het stuk voorbij de pier wordt bijna tot niet gebruikt door strand gasten en dat zou dan ook een ideale plek kunnen zijn om dat stuk helemaal hondenstrand te maken, zo kan mens en dier daar recreëren, tenslotte als je google raadpleegt wordt het Lemster strand aangeduidt als een strand waar honden welkom zijn. Ook is de locatie tegenover Polem zeer geschikt, daar ligt ook bijna niemand en op deze manier hoeven de hondenbezitters ook niet eerst de hele dijk over om bij het huidige strandje te komen. Door middel van een hek kan je de stranden van elkaar scheiden.
Het draagvlak dat de honden meer ruimte zouden hebben op het strand is dan ook zeer groot, er zijn ook niet veel andere plekken waar deze dieren de ruimte hebben waar ze veilig vrij rond kunnen rennen en spelen.
- Wat is de reden dat het hondenstrand zo klein is in de zomermaanden?
- Heeft de gemeente tijdens een mooie zomerdag het huidige hondenstrand bekeken en met
eigen ogen gezien hoezeer deze locatie te klein is? - Wat is de reden dat er winters wel honden mogen spelen en zwemmen maar zomers niet? (Ik
heb al eens te horen gekregen dat het komt vanwege de hygiëne van het water, ontlasting van
honden in het water, maar dat zou toch ook het geval zijn op dat kleine stuk strand tijdens de
zomer maanden? Wat is het verschil?) - Zijn daar rapporten van? En waar is het op gebaseerd? Graag zouden wij die toegestuurd krijgen.
- Waarom is het dan geen probleem voor honden om op andere stranden wel te mogen zwemmen
het hele jaar door? Denk aan Petten, Texel, Zandvoort etc. Wat is het verschil? - Is het college zich er bewust van dat toeristen juist weg kunnen blijven omdat ze met hun hond
niet op het strand welkom zijn?
Antwoord namens college:
Wat is de reden dat het hondenstrand zo klein is in de zomermaanden?
De voormalige gemeente Lemsterland heeft destijds dit gebied aangemerkt als hondenstrand. Tijdens de zomermaanden wordt het Lemmer strand volop door recreanten gebruikt. Er is beperkte ruimte enwillen we overlast voorkomen door loslopende honden en hondenpoep. Daarom is een afgebakend hondenstrand aangewezen waar honden en hun eigenaren van het strand kunnen genieten. Dit deelwordt bewust beperkt gehouden, omdat de beschikbare ruimte op het strand in Lemmer schaars is en verdeeld moet worden tussen verschillende gebruikers.
Heeft de gemeente tijdens een mooie zomerdag het huidige hondenstrand bekeken en met eigen ogen gezien hoezeer deze locatie te klein is?
Ja, de gemeente heeft op drukke zomerdagen gekeken. We zien hoe intensief het strand dan wordt gebruikt en begrijpen dat dit voor hondenbezitters minder ruimte biedt. Tegelijkertijd laat die drukte zien dat er binnen de huidige inrichting simpelweg geen passende mogelijkheid is om het hondenstrand te vergroten.
Wat is de reden dat er winters wel honden mogen spelen en zwemmen maar zomers niet? (Ik heb al eens te horen gekregen dat het komt vanwege de hygiëne van het water, ontlasting van honden in het water, maar dat zou toch ook het geval zijn op dat kleine stuk strand tijdens de zomer maanden? Wat is het verschil?)
In de winter mogen honden wel op het strand, omdat het dan veel rustiger is en er nauwelijks recreatie plaatsvindt. Daardoor kunnen honden vrijspelen zonder dat dit andere bezoekers belemmert. Ook is de natuur in deze periode minder kwetsbaar: veel vogels zijn dan niet aan het broeden en planten bevinden zich in rust. In de zomer is het strand juist intensief in gebruik en zijn natuurwaarden gevoeliger voor verstoring. Daarom gelden in die periode strengere regels om zowel zwemmers en gezinnen als de natuur te beschermen. Zo proberen we voor iedereen een prettige en veilige strandervaring te waarborgen.
Zijn daar rapporten van? En waar is het op gebaseerd? Graag zouden wij die toegestuurd krijgen.
Nee, rapporten zijn zover wij weten niet beschikbaar en de vraag is dan ook naar welke rapporten specifiek wordt gevraagd. Wel laat onderzoek naar waterkwaliteit in relatie tot honden door Rijkswaterstaat zien dat hondenpoep en -urine een meetbare bron van fecale verontreiniging zijn in zwemwater. Hondenpoep bevat namelijk hoge concentraties E. coli en enterococcen. Deze bacteriën worden direct gebruikt om zwemwaterkwaliteit te beoordelen. Zelfs kleine hoeveelheden poep kunnen bij warm weer snel leiden tot overschrijdingen. Honden spelen vaak in de ondiepe zone, waar water minder snel ververst en risico’s groter zijn. Waterbeheerders moeten voldoen aan de Zwemwaterrichtlijn 2006/7/EG, waardoor overschrijdingen direct gevolgen hebben voor sluiting of waarschuwingen.
Waarom is het dan geen probleem voor honden om op andere stranden wel te mogen zwemmen het hele jaar door? Denk aan Petten, Texel, Zandvoort etc. Wat is het verschil?
Honden zijn in de regel wel toegestaan op Noordzeestranden, maar niet of beperkt bij meertjes of zoetwaterstranden als het Lemster strand, omdat de waterkwaliteit van meren veel gevoeliger is voor vervuiling door honden dan de open, sterk stromende Noordzee. De Noordzee is groot, open en continu in beweging. Golven, getijden en stroming zorgen voor snelle verdunning van bacteriën uit hondenpoep waardoor de kans zeer klein is dat één hond de waterkwaliteit meetbaar beïnvloedt. Meren zijn kleinere, afgesloten wateren met weinig stroming. Bacteriën zoals E. coli en enterococcen blijven veel langer aanwezig waardoor een kleine hoeveelheid hondenpoep al kan leiden tot overschrijding van zwemwaternormen.
Is het college zich er bewust van dat toeristen juist weg kunnen blijven omdat ze met hun hond niet op het strand welkom zijn?
We begrijpen dat sommige toeristen hun keuze voor een bestemming mede baseren op de vraag of hun hond welkom is. Tegelijkertijd zijn er ook bezoekers die juist waarde hechten aan een recreatiestrand waar geen honden aanwezig zijn. Wanneer honden op het gehele strand zouden worden toegestaan, bestaat de kans dat juist deze groep bezoekers wegblijft. Met het naastgelegen hondenstrand bieden we daarom een evenwichtige oplossing: hondenbezitters kunnen daar met hun hond van het strand genieten, terwijl op het recreatiestrand de veiligheid, rust en hygiëne in de drukke zomerperiode worden
gewaarborgd.
Vraag raadslid:
Op 29 mei 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Tijdens eerdere besprekingen is aangegeven dat er jaarlijks een VTH-verslag dient te worden opgesteld, volgens de wettelijke verplichtingen. Daarbij heeft u aangegeven dat het verslag over het jaar 2026 in 2027 beschikbaar zal komen.
Wij hebben hierover nog de volgende vraag.
Bij de FUMO blijken de individuele gegevens op dit moment ook niet beschikbaar te zijn. Kunnen wij erop rekenen dat, zoals wettelijk is bepaald, ook de cijfers en gegevens van de FUMO worden verwerkt in de VTH-jaarverslagen van De Fryske Marren?
Antwoord namens college:
De Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) is verantwoordelijk voor de uitvoering van verschillende taken binnen de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen de zogeheten ‘basistaken’, en ‘plustaken’. De uitvoering van de ‘basistaken’ zijn onder het Omgevingsbesluit verplicht door alle Friese gemeenten en de Provincie Fryslân ondergebracht bij de FUMO. De verantwoording hierover vindt plaats binnen de systematiek van de gezamenlijke Uitvoerings- en Handhavingsstrategie Fryslân. De ‘plustaken’ zijn taken waarvan de
gemeente zelf gekozen heeft om deze bij de FUMO onder te brengen. De verantwoording hierover wordt verwerkt in onze eigen rapportage.
Op dit moment wordt toegewerkt naar een jaarlijkse integrale rapportage over VTH. Hierin worden naast de taken die de gemeente zelf uitvoert ook de ‘plustaken’ die de FUMO namens ons uitvoert meegenomen. Voor het aanleveren van de gegevens zijn we afhankelijk van de FUMO. Wij zullen als college daarom het gesprek hierover met de FUMO aangaan.
Vraag raadslid:
Op 23 april 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
In Leeuwarder Courant van 22 april 2026 hebben wij kunnen lezen dat de gemeente de walbeschoeiing aan de Jachthavendyk in Balk niet wil repareren. Wij hebben hier de volgende schriftelijke vragen over aan het college.
- Wat speelt hier?
- Waarom herstelt u de kade niet?
- Hoe kan het dat de gemeente niet duidelijke heeft van wie de kade is?
Antwoord namens college:
1. Wat speelt hier?
Er is voor de realisatie van een hotel een koopovereenkomst gesloten met een ontwikkelaar. De grond wordt overgedragen op het moment dat er een onherroepelijke omgevingsvergunning ligt. Tot die tijd is de grond nog in eigendom van de gemeente en is de gemeente verantwoordelijk voor beheer en onderhoud.
2. Waarom herstelt u de kade niet?
De betreffende kade (oeverconstructie) wordt overgedragen en vervangen op het moment dat de grond wordt overgedragen. Dan kan de oever aangepast worden aan de wensen van de ontwikkelaar. Tot die tijd worden passende maatregelen getroffen om veiligheidsrisico’s te minimaliseren.
Langs de oever loopt een voetpad met tegels dat afgescheiden wordt door een hekwerk. Het voetpad is slecht toegankelijk door het hekwerk wat hier langs loopt en wordt verder niet gebruikt. Verder betreft de aangrenzende kade geen aanlegkade, waardoor geen voetgangers vanaf het water het voetpad betreden.
3. Hoe kan het dat de gemeente niet duidelijke heeft van wie de kade is?
De desbetreffende kade is op dit moment nog in eigendom van de gemeente. Zie verder beantwoording vraag 1 en 2.
Vraag raadslid:
Op 6 mei 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
- Wat is de laatste stand van zaken m.b.t. het Brusplak?
- Wat is de financiële stand van zaken van het Brusplak?
- Hoe verloopt het contact met de betrokken verenigingen en stakeholders?
Antwoord namens college:
1. Wat is de laatste stand van zaken m.b.t. het Brusplak?
Na het raadsbesluit van 21 mei 2025 is de Brede School Joure Zuid aangewezen als locatie voor het Brûsplak. Op dit moment wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het programma van eisen en de ruimtelijke inpassing binnen deze locatie.
De architect is geselecteerd en werkt samen met de gemeente, It Lokaal, de huidige gebruikers en de buren van de Brede School aan de vertaling van het programma naar een ontwerp. De inzet is om het Brûsplak binnen de bestaande contouren van de Brede School Joure Zuid en binnen de vastgestelde kaders uit te werken.
De planning is gericht op verdere ontwerpuitwerking in 2026. Naar verwachting is najaar 2026 een voorlopig ontwerp beschikbaar.
2. Wat is de financiële stand van zaken van het Brusplak?
Voor het Brûsplak is eerder een krediet beschikbaar gesteld. Bij de locatiekeuze voor de Brede School Joure Zuid zijn de financiële gevolgen verwerkt in de Perspectiefnota 2026.
Het investeringsbedrag is € 4.520.000,– in 2025 en 2026 is € 436.031,– gefactureerd.
De verdere ontwerpuitwerking vindt plaats binnen de vastgestelde financiële kaders.
3. Hoe verloopt het contact met de betrokken verenigingen en stakeholders?
Het contact met de betrokken verenigingen en stakeholders verloopt via het lopende ontwerpen participatieproces. It Lokaal, de betrokken verenigingen, de huidige gebruikers van de Brede School, omwonenden, architect JOUS en de gemeente zijn hierbij intensief betrokken.
Er vindt om de 3 weken overleg plaats om wensen, randvoorwaarden en aandachtspunten mee te nemen in de ontwerpuitwerking. Het overleg verloopt tot nu toe positief en constructief.
Vraag raadslid:
Op 30 april jl. ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Inleiding
De fractie van Kleurrijk Fryske Marren heeft kennisgenomen van het raadsvoorstel inzake de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht.
De fractie benadrukt dat het college op grond van artikel 169, tweede lid, en artikel 180 van de Gemeentewet gehouden is de gemeenteraad actief en volledig te informeren over de uitoefening van zijn taken. Dit geldt nadrukkelijk voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH), mede in het licht van de verantwoordings- en monitoringssystematiek zoals die voortvloeit uit de
Omgevingswet en het bijbehorende uitvoeringskader.
Tegen deze achtergrond heeft de fractie een aantal vragen over de uitwerking, borging en
controleerbaarheid van het voorgestelde beleid.
1. Mensgerichte en zorgvuldige handhaving
- Kan het college toelichten op welke wijze het uitgangspunt van mensgerichte, redelijke en proportionele handhaving concreet wordt toegepast in de dagelijkse uitvoeringspraktijk?
- In het voorstel wordt aangegeven dat besluiten over het opleggen van dwangsommen niet in mandaat worden genomen. Wat is de onderbouwing van deze keuze en wat zijn de gevolgen voor de snelheid en efficiëntie van besluitvorming?
- Op welke wijze wordt het college momenteel geïnformeerd over lopende handhavingszaken? Is het college bereid deze informatievoorziening structureel, bijvoorbeeld maandelijks, te formaliseren?
- Hoe wordt de gemeenteraad geïnformeerd over de uitkomsten van bezwaar- en gerechtelijke procedures? Is het college bereid hiervoor een vaste, periodieke rapportage (bijvoorbeeld via een nieuwsbrief) in te voeren?
- Wordt standaard een reactietermijn van minimaal 14 dagen gehanteerd voordat een definitieve dwangsom wordt opgelegd? In welke gevallen wordt hiervan afgeweken?
- Is het juridisch en praktisch haalbaar om dwangsommen pas te innen nadat bezwaar- en beroepsprocedures zijn afgerond? Welke risico’s en consequenties ziet het college hierbij? Welke aanpassingen in interne processen en mandaatregelingen zijn noodzakelijk om deze werkwijze te realiseren, en binnen welke termijn worden deze doorgevoerd?
- Hoe wordt de raad, mede in het licht van de actieve informatieplicht ex artikel 169 Gemeentewet, geïnformeerd over de voortgang en eventuele knelpunten in de uitvoering van het handhavingsbeleid?
2. Informatievoorziening vergunningverlening
- Welke gegevens over vergunningaanvragen en principeverzoeken ontvangt het college momenteel (aantallen, typen en doorlooptijden)?
- Is het college bereid deze informatie structureel maandelijks of tweemaandelijks te rapporteren? Zo nee, waarom niet?
- Heeft het college actueel inzicht in doorlooptijden en eventuele achterstanden? Zo ja, kan dit inzicht met de raad worden gedeeld?
- Worden trends en afwijkingen in de vergunningverlening structureel geanalyseerd en benut voor bijsturing? Zo ja, op welke wijze?
- Is het college voornemens om, mede gelet op de verantwoordingsplicht richting de raad, jaarlijks een integraal rapport aan te bieden met trends, knelpunten en verbetervoorstellen? Wanneer kan de raad dit verwachten?
- In hoeverre zijn de huidige informatiesystemen geschikt voor consistente en betrouwbare rapportages, en welke verbeteringen zijn voorzien?
- Hoe wordt geborgd dat de Omgevingsvisie leidend is bij vergunningverlening?
- Wordt gewerkt met een uniform beoordelingsformat? Zo ja, hoe wordt de consistentie in de toepassing daarvan gewaarborgd?
3. Vergunningverlening bouwen (Omgevingswet)
- Op welke wijze wordt bij vergunningverlening gestuurd op hoofdlijnen zoals ruimtelijke kwaliteit, veiligheid, gezondheid en duurzaamheid?
- Hoe geeft de gemeente concreet invulling aan de uitgangspunten van de Omgevingswet, met name ten aanzien van voorspelbaarheid en oplossingsgericht werken?
- Kan het college bevestigen dat geen aanvullende detailregels of extra eisen worden gesteld buiten het vastgestelde beleid? Indien hiervan wordt afgeweken, in welke gevallen gebeurt dit?
- In hoeverre is sprake van een eenduidige werkwijze binnen de organisatie bij vergunningverlening? Waar doen zich eventuele verschillen voor?
- Welke scholing en ondersteuning ontvangen medewerkers om te werken volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet?
- Worden doorlooptijden, klanttevredenheid en voortgang structureel gemonitord? Zo ja, kan de raad deze informatie ontvangen?
- Hoe en met welke frequentie wordt de raad, mede in het kader van de informatieplicht ex artikel 169 Gemeentewet, geïnformeerd over de voortgang van de implementatie binnen de VTH-organisatie?
- Welke knelpunten ervaart het college momenteel bij de vergunningverlening en welke
- maatregelen worden genomen om deze op te lossen?
4. Verantwoording en rapportage VTH-taken
- Kan het college bevestigen dat op grond van artikel 169, tweede lid, en artikel 180 van de Gemeentewet, in samenhang met de systematiek van de Omgevingswet, een verplichting bestaat om de gemeenteraad actief en volledig te informeren over de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)?
- Op welke wijze geeft het college momenteel invulling aan deze wettelijke informatie- en verantwoordingsplicht richting de raad?
- Wanneer heeft de gemeenteraad voor het laatst een integraal verslag ontvangen over de uitvoering van deze taken?
- Kan het college aangeven in hoeverre momenteel wordt voldaan aan een structurele, periodieke rapportage over VTH-taken, en hoe dit zich verhoudt tot de eisen van transparantie en controleerbaarheid door de raad?
- Is het college bereid om structureel jaarlijks een integraal VTH-verslag aan de raad aan te bieden, waarin in ieder geval wordt ingegaan op resultaten, doorlooptijden, knelpunten en verbetermaatregelen?
- Indien het college geen jaarlijkse rapportagesystematiek hanteert, kan het college gemotiveerd toelichten op basis van welke juridische en bestuurlijke overwegingen hiervan wordt afgeweken, mede in het licht van de actieve informatieplicht richting de raad?
Slot
De fractie van Kleurrijk Fryske Marren verzoekt het college om een zorgvuldige en volledige beantwoording van bovenstaande vragen, bij voorkeur voorafgaand aan de behandeling van dit agendapunt in het petear.
Antwoord namens college:
Algemeen
De gemeenteraad stelt de kaders voor vergunningverlening, onder meer via de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan vast. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering en de individuele besluiten. Voor de controlerende rol van de raad is informatie op hoofdlijnen van belang, gericht op trends, ontwikkelingen en structurele knelpunten. Het is de rol van het college om te sturen op operationele processen en individuele vergunningaanvragen.
1. Welke gegevens over vergunningaanvragen en principeverzoeken ontvangt het college momenteel (aantallen, typen en doorlooptijden)?
De portefeuillehouder ontvangt 2-wekelijks gegevens m.b.t. de wachttijden van
conceptverzoeken. Deze gegevens zijn ook aan de raad gerapporteerd. Daarnaast wordt de portefeuillehouder wekelijks op de hoogte gehouden van de belangrijkste lopende zaken.
2. Is het college bereid deze informatie structureel maandelijks of tweemaandelijks te rapporteren? Zo nee, waarom niet?
Nee, het college acht het niet passend bij de controlerende en kaderstellende rol van de raad, om frequent operationele rapportages aan de raad te verstrekken.
3. Heeft het college actueel inzicht in doorlooptijden en eventuele achterstanden? Zo ja, kan dit inzicht met de raad worden gedeeld?
Nee. Daarentegen ontvangt de portefeuillehouder 2-wekelijks de gegevens m.b.t. de
wachttijden van conceptverzoeken. Dit wordt niet met de raad gedeeld.
4. Worden trends en afwijkingen in de vergunningverlening structureel geanalyseerd en benut voor bijsturing? Zo ja, op welke wijze?
Nee, op dit moment worden trends en afwijkingen binnen de vergunningverlening niet
structureel geanalyseerd. De organisatie is bezig met het opstellen van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) en met het verder ontwikkelen van een systematiek om trends en afwijkingen inzichtelijk te maken.
Momenteel ligt de focus vooral op het reageren op dagelijkse operationele problematiek.
Structurele analyse en het benutten van trendinformatie voor inhoudelijke en organisatorische bijsturing door het college bevinden zich nog in de ontwikkelfase.
Het is de bedoeling dat deze ontwikkeling op termijn ertoe leidt dat het college beter
onderbouwd kan bijsturen en dat de raad inzicht krijgt in structurele patronen, knelpunten en mogelijke beleidsmatige consequenties, zonder dat dit leidt tot operationele sturing.
5. Is het college voornemens om, mede gelet op de verantwoordingsplicht richting de raad, jaarlijks een integraal rapport aan te bieden met trends, knelpunten en verbetervoorstellen? Wanneer kan de raad dit verwachten?
Ja, het college is voornemens om toe te werken naar een jaarlijkse integrale rapportage over vergunningverlening, toezicht en handhaving in de vorm van een VTH-jaarverslag. Het college stelt het VTH-jaarverslag 2026 vast en deze wordt ter kennisgeving naar de raad gestuurd.
6. In hoeverre zijn de huidige informatiesystemen geschikt voor consistente en betrouwbare rapportages, en welke verbeteringen zijn voorzien?
De huidige informatiesystemen zijn geschikt en we zijn momenteel bezig met het verder ontwikkelen van data gestuurd werken. Dit vergt nadere inrichting van deze
informatiesystemen. Dit verbeterproces is een continu proces.
7. Hoe wordt geborgd dat de Omgevingsvisie leidend is bij vergunningverlening?
De Omgevingsvisie vormt het strategisch kader dat door de raad is vastgesteld en is daarmee richtinggevend voor het handelen van het college. Het vaststellen van het Omgevingsplan zal in de lijn van de Omgevingsvisie moeten gebeuren, waardoor er een kader ontstaat waarbinnen vergunningen kunnen worden verleend. Bij vergunningverlening wordt de Omgevingsvisie ook betrokken bij de beleidsmatige afweging, met name bij initiatieven met een groter ruimtelijk of maatschappelijk effect. De toepassing van de Omgevingsvisie vindt plaats binnen de
uitvoeringsbevoegdheid van het college, waarbij de raad toeziet op de consistentie met de vastgestelde kaders.
8. Wordt gewerkt met een uniform beoordelingsformat? Zo ja, hoe wordt de consistentie in de toepassing daarvan gewaarborgd?
Ja, binnen de vergunningverlening wordt gewerkt met gestandaardiseerde werkwijzen en formats, passend bij wet- en regelgeving en interne kwaliteitsafspraken. De borging van consistentie vindt plaats via interne afstemming, collegiale toetsing en vakinhoudelijke kaders.
De raad stelt het beleidsmatig kader vast. De uitwerking en toepassing daarvan behoort tot de uitvoerende verantwoordelijkheid van het college.
Vergunningverlening bouwen (Omgevingswet)
1.Op welke wijze wordt bij vergunningverlening gestuurd op hoofdlijnen zoals ruimtelijke kwaliteit, veiligheid, gezondheid en duurzaamheid?
De raad heeft deze hoofdlijnen vastgelegd in strategische kaders zoals de Omgevingsvisie, het omgevingsplan en vastgesteld beleid. Deze kaders vormen, naast de wettelijke eisen, het inhoudelijke uitgangspunt voor vergunningverlening.
2. Hoe geeft de gemeente concreet invulling aan de uitgangspunten van de Omgevingswet, met name ten aanzien van voorspelbaarheid en oplossingsgericht werken?
De uitgangspunten van de Omgevingswet zijn richtinggevend voor de werkwijze van het college. Dit komt onder meer tot uiting in vroegtijdige afstemming met initiatiefnemers, duidelijke communicatie over beoordelingsruimte en randvoorwaarden en een oplossingsgerichte houding binnen de wettelijke mogelijkheden (Ja-mits houding).
3. Kan het college bevestigen dat geen aanvullende detailregels of extra eisen worden gesteld buiten het vastgestelde beleid? Indien hiervan wordt afgeweken, in welke gevallen gebeurt dit?
Ja, dat kan het college bevestigen, met dien verstande dat er naast gemeentelijk kaders ook landelijke en regionale regelgeving van toepassing is.
4. In hoeverre is sprake van een eenduidige werkwijze binnen de organisatie bij
vergunningverlening? Waar doen zich eventuele verschillen voor?
Er is sprake van een eenduidige werkwijze bij vergunningverlening. Binnen de
vergunningverlening wordt gewerkt met gestandaardiseerde werkwijzen en formats, passend bij wet- en regelgeving en interne kwaliteitsafspraken.
5. Welke scholing en ondersteuning ontvangen medewerkers om te werken volgens de
uitgangspunten van de Omgevingswet?
Medewerkers worden ondersteund door scholing en trainingen gericht op de Omgevingswet, interne kennisdeling, vakinhoudelijk overleg en begeleiding bij complexe dossiers.
6. Worden doorlooptijden, klanttevredenheid en voortgang structureel gemonitord? Zo ja, kan de raad deze informatie ontvangen?
Nee, dit wordt niet gemonitord.
7. Hoe en met welke frequentie wordt de raad, mede in het kader van de informatieplicht ex artikel 169 Gemeentewet, geïnformeerd over de voortgang van de implementatie binnen de VTH-organisatie?
Via de reguliere planning-en-controlcyclus (P&C-cyclus) wordt de raad geïnformeerd. Het
jaarverslag kijkt vooral naar processen en laat onder andere zien of en hoe de beleidsplannen uit de begroting voor het afgelopen jaar daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
8. Welke knelpunten ervaart het college momenteel bij de vergunningverlening en welke
maatregelen worden genomen om deze op te lossen?
Op dit moment hebben we te maken met een grote werkvoorraad en een wachttijden voor
concept-verzoeken, waardoor initiatiefnemers langer moeten wachten dan wenselijk is. Om dit knelpunt op te lossen zijn we bezig met het efficiënter inrichten/ actualiseren van onze werkprocessen en vragen we extra budget aan via de perspectiefnota/ begroting.
4. Verantwoording en rapportage VTH-taken
1. Kan het college bevestigen dat op grond van artikel 169, tweede lid, en artikel 180 van de
Gemeentewet, in samenhang met de systematiek van de Omgevingswet, een verplichting
bestaat om de gemeenteraad actief en volledig te informeren over de uitvoering van
vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)?
De informatieplicht van het college aan de raad m.b.t. de VTH-taken is geregeld in hoofdstuk 13 van het Omgevingsbesluit. Zo wordt het VTH-beleid, het VTH-uitvoeringsprogramma en het VTHjaarverslag ter kennisgeving naar de raad gestuurd.
2. Op welke wijze geeft het college momenteel invulling aan deze wettelijke informatie- en
verantwoordingsplicht richting de raad?
Zie beantwoording vragen 3.6 en 4.1.
3. Wanneer heeft de gemeenteraad voor het laatst een integraal verslag ontvangen over de
uitvoering van deze taken?
De raad is in de afgelopen periode via verschillende documenten en verantwoordingsmomenten geïnformeerd over onderdelen van de VTH-taken (P&C-cyclus). Een afzonderlijk VTH-jaarverslag is de laatste jaren niet ter kennisgeving aan de gemeenteraad aangeboden. Vanaf eind 2026 zullen wij wel jaarlijks het VTH-jaarverslag naar de gemeenteraad sturen.
4. Kan het college aangeven in hoeverre momenteel wordt voldaan aan een structurele, periodieke rapportage over VTH-taken, en hoe dit zich verhoudt tot de eisen van transparantie en controleerbaarheid door de raad?
Het college is van mening dat op dit moment wordt voldaan aan de wettelijke eisen van
transparantie en controleerbaarheid, doordat de raad structureel inzicht krijgt in beleid,
uitvoering en financiële consequenties. Tegelijkertijd erkent het college dat de samenhang
tussen verschillende informatiebronnen voor de raad beter zichtbaar kan worden gemaakt, met name waar het gaat om de integrale uitvoering van VTH-taken.
5. Is het college bereid om structureel jaarlijks een integraal VTH-verslag aan de raad aan te bieden, waarin in ieder geval wordt ingegaan op resultaten, doorlooptijden, knelpunten en verbetermaatregelen?
Ja, het college is bereid om toe te werken naar een jaarlijkse integrale rapportage over
vergunningverlening, toezicht en handhaving en daarbij wordt aangesloten bij bestaande
verantwoordingsmomenten, zodat wordt voorkomen dat een parallelle rapportagestructuur ontstaat.
6. Indien het college geen jaarlijkse rapportagesystematiek hanteert, kan het college gemotiveerd toelichten op basis van welke juridische en bestuurlijke overwegingen hiervan wordt afgeweken, mede in het licht van de actieve informatieplicht richting de raad?
Niet van toepassing. Het college zal aan de hand van een VTH-jaarverslag de raad informeren.
Vraag raadslid:
Op 8 april 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Inleiding
De gemeente De Fryske Marren staat, net als veel andere gemeenten, voor een grote
woningbouwopgave en aanhoudende woningnood. Tegelijkertijd blijkt dat het splitsen van bestaande woningen volgens het omgevingsplan in veel gevallen niet is toegestaan. De Omgevingswet biedt echter mogelijkheden om – al dan niet tijdelijk – af te wijken van het omgevingsplan. Kleurrijk Fryske Marren ziet in tijdelijke woningsplitsing (bijvoorbeeld voor een periode van 5 tot 10 jaar) een mogelijke bijdrage aan het verlichten van de woningdruk, mits wordt voldaan aan voorwaarden op het gebied van leefbaarheid en brandveiligheid.
Vragen
- Is het college bekend met de mogelijkheden binnen de Omgevingswet om via een tijdelijke omgevingsvergunning af te wijken van het omgevingsplan ten behoeve van woningsplitsing?
- Zo ja, op welke wijze past de gemeente deze mogelijkheid momenteel toe?
- Welke juridische, ruimtelijke of beleidsmatige belemmeringen ziet het college om tijdelijke woningsplitsing (voor bijvoorbeeld 5 tot 10 jaar) onder voorwaarden toe te staan?
- Kan het college daarbij onderscheid maken tussen juridische onmogelijkheid en beleidsmatige keuze?
- Is het college bereid te onderzoeken of tijdelijke woningsplitsing onder strikte voorwaarden (zoals voldoende borging van brandveiligheid en behoud van woonkwaliteit) kan bijdragen aan het verminderen van de woningnood binnen De Fryske Marren?
- Zo nee, waarom niet?
- Zo ja, op welke termijn kan de raad hierover een voorstel verwachten?
Antwoord namens college:
- Is het college bekend met de mogelijkheden binnen de Omgevingswet om via een tijdelijke omgevingsvergunning af te wijken van het omgevingsplan ten behoeve van woningsplitsing?
Ja, het college is bekend met het gegeven dat woningsplitsing in principe niet passend is in onze omgevingsplannen (woningen zijn bedoeld voor de huisvesting van 1 huishouden) en dat de Omgevingswet ons instrumenten geeft om gemotiveerd van het Omgevingsplan af te wijken en eventueel woningsplitsing toe te staan. - Zo ja, op welke wijze past de gemeente deze mogelijkheid momenteel toe?
Een inwoner kan een verzoek indienen voor woningsplitsen bij het Omgevingsloket. Verzoeken worden individueel getoetst onder meer of er sprake is van een goede ruimtelijke inpassing. Ook wordt gekeken of bij woningsplitsing voldaan wordt aan normen voor parkeren en een goed woon- en leefklimaat. Indien hierop de seinen op groen komen te staan, kan er een afwijking worden gedaan van het Omgevingsplan en een vergunning worden verleend. - Welke juridische, ruimtelijke of beleidsmatige belemmeringen ziet het college om tijdelijke woningsplitsing (voor bijvoorbeeld 5 tot 10 jaar) onder voorwaarden toe te staan?
Op dit moment kent de gemeente De Fryske Marren geen specifiek beleid rondom
woningsplitsing. Dit geldt zowel voor tijdelijke- als permanente woningsplitsing. Dit wordt niet direct als een belemmering gezien. Dit betekent wel dat de hiertoe ontvangen aanvragen op zijn eigen merites worden beoordeeld en behandeld. Afwegingen die gemaakt worden betreffen het behouden van een goed woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Onderwerpen bij deze beoordeling zijn bijvoorbeeld het parkeren (hier hebben
we wel beleid voor). - Kan het college daarbij onderscheid maken tussen juridische onmogelijkheid en beleidsmatige keuze?
Juridisch is er veel mogelijk, dit in de vorm van een afwijkingsbesluit op het Omgevingsplan. Beleidsregels hieromtrent hebben we niet, waardoor je per casus moet bekijken of er mogelijkheden zijn. Uiteraard vindt de beoordeling plaats vanuit de Ja-mits-houding. - Is het college bereid te onderzoeken of tijdelijke woningsplitsing onder strikte voorwaarden (zoals voldoende borging van brandveiligheid en behoud van woonkwaliteit) kan bijdragen aan het verminderen van de woningnood binnen De Fryske Marren?
Nee, het college ziet niet de noodzaak om hierin additioneel beleid op te stellen. - Zo nee, waarom niet?
De toetsgronden zijn helder (zie beantwoording vraag 3) en aanvragen dienen op hun eigen merites worden beoordeeld. Vaak gaat het om maatwerk-verzoeken, waarbij de gemeente nu al
de nodige beleidsruimte heeft om afwegingen te maken. - Zo ja, op welke termijn kan de raad hierover een voorstel verwachten?
Niet van toepassing.
Vraag raadslid:
Op 8 april 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Wij hebben nog enkele aanvullende vragen naar aanleiding van de huidige situatie in Lemmer.
- Kunt u toelichten hoe het liggeld voor boten die overnachten zich verhoudt tot de huidige gang van zaken, met name nu het toiletgebouw in Lemmer niet geopend is? Dit lijkt immers direct van invloed op de voorzieningen die wij aan passanten bieden.
- Daarnaast ontvangen wij graag inzicht in de vraag of deze problematiek ook op andere locaties speelt, of dat dit specifiek voor Lemmer geldt.
- Ook zijn wij benieuwd hoe deze situatie zich verhoudt tot het toeristisch programma dat wij eerder hebben vastgesteld. In hoeverre sluiten de huidige omstandigheden en keuzes nog aan bij de uitgangspunten van dit beleid?
- Tot slot vernemen wij graag uw visie op de timing. Acht u het verantwoord om eventuele besluitvorming of aanpassingen uit te stellen tot 1 mei, of is het wenselijk om dit op kortere termijn op te pakken?
Antwoord namens college:
- Aangezien de voorziening voor korte tijd gesloten is, wordt verwacht dat dit geen directe invloed heeft op het aantal passanten dat de haven van Lemmer aandoet en dus het liggeld.
- Deze problematiek speelt in Lemmer en in Sloten.
- Het programma Toerisme en Recreatie De Fryske Marren heeft tot doel dat inwoners, toeristen en recreanten gastvrij ontvangen worden in ons gemeente. Dat neemt niet weg dat zich onvoorziene omstandigheden kunnen voordoen die deze doelstelling tijdelijk in de weg staan. Het heeft niet de voorkeur dat een sanitaire voorziening tijdens het seizoen gesloten is, anderzijds moeten de hygiënestandaarden wel gewaarborgd zijn.
- Er worden al inspanningen gedaan om de voorzieningen zo spoedig mogelijk te openen. Uitgangspunt is dat dit uiterlijk 1 mei is of eerder indien mogelijk.
Vraag raadslid:
Op 5 maart 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Gister was ik bij een inloopavond in Wyckel georganiseerd vanuit de “Initiatiefgroep Oogstbaar Gaasterland”. Een belangrijk burgerinitiatief dat als zodanig ook erkend wordt door de Provincie Fryslân, het Wetterskip Fryslân en de Gemeente De Fryske Marren. Al deze overheden hebben ambtelijke medewerkers afgevaardigd die input leveren bij vergaderingen van de initiatiefgroep en anderszins. Dat maakt deze initiatiefgroep een invloedrijke acteur in het proces van het opstellen van een omgevingsplan Sud-West DFM. De betrokkenheid van 3 overheden vraagt om een evenwichtige inbreng en afweging van alle in het geding zijnde belangen. En helaas, daar wringt de schoen.
Organisaties die de belangen van natuur/biodiversiteit behartigen zoals het Fryske Gea of Naturlân Gaesterlân, doen niet mee of zijn afgehaakt. Mede daardoor wordt biodiversiteit – ten onrechte – niet als een van de pijlers voor het plan “Droombeeld 1940” opgevoerd, hooguit als randvoorwaarde of gewenste uitkomst.
Dat leidt bij mij tot de volgende vragen:
- Bent u bereid uw ambtelijke waarnemer bij de werkgroep de opdracht mee te geven er alles aan te doen om organisaties die het natuurbelang behartigen in deze initiatiefgroep weer als volwaardig deelnemer aan de tafel te krijgen, zo mogelijk in afstemming met provincie en waterschap?
- Zo dat niet lukt, kunt u dan uw waarnemer instrueren het natuurbelang tijdens deze overleggen expliciet in te brengen?
- Hebt u voldoende inzicht in de ecologische waarden die in Gaasterland in het geding zijn, zoals biodiversiteitshotspots, grondwatergebieden en dergelijk, zodat u die kunt meenemen in dit overleg (en het uiteindelijke plan)?
Gezien de voortgang van dit proces, lijkt mij enige urgentie om dit te corrigeren, gewenst.
Antwoord namens het college:
1.De initiatiefgroep “Oogstbaar Gaasterland” is juist ontstaan door burgers die zich zorgen
maakten over de achteruitgang van de natuur in en rondom Gaasterland. De inbreng van
ecologische waarden hoeft dus niet urgent gecorrigeerd te worden maar moet als uitgangspunt van de initiatiefgroep niet uit het oog verloren worden.
Overigens zijn er geen vertegenwoordigers van It Fryske Gea of Gaasterlân Natuurlân afgehaakt bij de initiatiefgroep. Wel vertegenwoordigers vanuit de landbouw. Er wordt momenteel hard an gewerkt om de vertegenwoordiging van zowel de landbouw als de natuur prominenter in de initiatiefgroep te laten deelnemen. Beide kunnen niet zonder elkaar om een goed gebiedsproces van de grond te krijgen.
De provincie, het Wetterskip en de gemeente nemen ambtelijk deel aan de initiatiefgroep om hun voornemen voor een integraal gebiedsproces in goede banen te leiden en om hun te faciliteren om zo’n proces op poten te zetten. Bestuurlijk zijn de overheden nog niet betrokken bij dit initiatief, daar is het nu nog te vroeg voor. De initiatiefgroep heeft immers nog geen definitief programma en het benodigde draagvlak onder inwoners en belanghebbenden daarvoor. Dat is één van de randvoorwaarden in het proces, ambtelijk bewaken wij dat.
De door u genoemde afstemming met provincie en waterschap met betrekking tot het
natuurbelang vindt dus al plaats.
2. Daar is het college toe bereid. Ook in dit stadium van het burgerinitiatief wordt al rekening gehouden met de natuurorganisaties en ook de landbouworganisaties. Doel van dit initiatief is om de leefbaarheid te verhogen waarbij duurzaamheid voorop staat, de biodiversiteit is daar een onderdeel van. Zowel de natuurorganisaties als de landbouworganisaties worden in het verdere proces nauw betrokken door de initiatiefgroep.
3. Op dit moment wordt het onderdeel natuurbelang en landbouw ingebracht door de ambtenaren van de verschillende overheden. De natuurorganisaties zullen in het proces betrokken worden om de ecologische waarden van Gaasterland te borgen en de landbouwvertegenwoordigers om de landbouw waarden in Gaasterland te borgen.
Vraag raadslid:
Op 2 maart j.l. ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Geacht college,
Woensdag 25 februari 2026 heb ik de jaarvergadering van het Plaatselijk Belang Nijemirdum bijgewoond. Daar kwam onder meer aan de orde dat het bereik voor mobiel bellen in een groot deel van het dorpsgebied afwezig dan wel slecht is. Om dit op te lossen moet er een nieuwe zendmast geplaatst worden. Dit speelde op de vorige jaarvergadering ook al, het dorp heeft inbreng gegeven en wat haar betreft een geschikte locaties benoemd, maar tot op heden geen realisatie.
Dit jaar januari is een telefonische waarschuwing voor gladheid door bijna de helft van de bevolking niet of veel te laat ontvangen. Was er vorig jaar nog sprake van ongemak, nu wordt men onrustig van het uitblijven van een oplossing voor dit probleem. Dat leidt bij mij tot de volgende vragen.
- Waarom duurt het zo lang voordat het mobiele netwerk heel Nijemirdum kan bereiken?
- Hoe denkt u dit op te lossen?
- Op welke termijn?
- Zijn er nog andere delen van De Fryske Marren waar een vergelijkbaar probleem speelt?
Antwoord namens het college:
1.Waarom duurt het zo lang voordat het mobiele netwerk heel Nijemirdum kan bereiken?
De verbetering van het mobiele bereik in Nijemirdum vraagt om het realiseren van een nieuwe antennemast. Dit traject kost meer tijd dan gewenst, omdat meerdere stappen afhankelijk zijn van de initiatiefnemer, de telecomaanbieder.
Voor dit doel zijn een aantal potentiële locaties in beeld gebracht. Tot op heden is het echter niet gelukt om op een van deze locaties tot vergunningverlening te komen. Daarbij vormen onder meer het geldende omgevingsplan, het welstandsbeleid, Antennebeleid De Fryske Marren en ander vigerend beleid de kaders. Niet alle locaties zijn al volledig getoetst; dit hangt mede af van de initiatieven die de telecomaanbieder indient en die vervolgens door de gemeente kunnen worden beoordeeld.
Het college staat in nauw contact met de aanvrager en de betrokken adviseurs om geschikte locaties te beoordelen. De voortgang van het proces wordt in belangrijke mate bepaald door de technische onderzoeken, interne besluitvorming en landelijke netwerkplanning van de telecomaanbieder. Hierdoor duurt het langer voordat een definitieve locatie kan worden vastgesteld en de mast daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
2. Hoe denkt u dit op te lossen?
Het college werkt samen met de aanvrager aan het selecteren van een locatie die technisch geschikt is én ruimtelijk inpasbaar. De inbreng van het dorp is daarbij betrokken. Zodra de aanvrager een definitieve locatie kiest, kan het college het ruimtelijke traject afronden, de vergunning verlenen en kan de realisatie starten.
3. Op welke termijn?
De exacte termijn hangt af van de vervolgstappen van de aanvrager. Wij hebben aangegeven dat het proces wat ons betreft zo snel mogelijk kan worden afgerond zodra de aanvrager een definitieve locatiekeuze maakt. Wij blijven hierover intensief in contact en dringen aan op voortgang. Zodra de locatie is vastgesteld, kan het vergunningstraject worden doorlopen en kan de bouw van de mast starten. Dat is doorgaans een proces van enkele maanden.
4. Zijn er nog andere delen van De Fryske Marren waar een verglijkbaar probleem speelt?
Ja, ook in een ander deel van de gemeente is een plek waar het mobiele bereik verbeterd moet worden.
Dit is in de regio van Sloten, waar het college samen met de aanvrager in een vergevorderd stadium is om tot een positief eindadvies te komen voor een nieuwe antennelocatie.
Vraag raadslid:
Op 2 maart 2026 ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
De PC-brug in Echtenerbrug is een belangrijke doorgang tot zowel de Friese wateren als de Weerribben-Wieden. De brug gaat, naar we vernamen, niet meer open. Het vaarseizoen begint bijna, een belangrijke periode voor de levendigheid en economie van de dorpen Echtenerbrug en Delfstrahuizen en de omgeving. Daarom hebben wij de volgende vragen.
- Wat is de staat van de brug?
- Zijn inwoners, ondernemers en ook booteigenaren die regelmatig (ook in de winter) gebruikmaken van de brug, geïnformeerd dat de brug niet werkt, en zo ja wanneer?
- Plaatselijk belang De Trije Doarpen heeft de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat de brug in slechte staat is en dat er iets moet gebeuren. Wat is tot op heden gedaan met dit signaal?
Antwoord namens het college:
1.Wat is de staat van de brug?
De brug verkeert in een redelijke tot matige staat van onderhoud afgezet tegen de leeftijdsopbouw van de verschillende bouwdelen. De onderbouw (de fundering, landhoofden en pijlers) is nog redelijk maar moet nog verder geïnspecteerd worden. De bovenbouw (brugdek, hameitorens en balans) zijn in goede staat maar moeten geheel geschilderd worden. De installatie (mechanisch en elektrisch) is aan vervanging toe waarbij de huidige stremming veroorzaakt wordt door een, in theorie, onveilige
heugelstang (trekstang waaraan de brug wordt opgehaald) en aandrijving. De heugelstang en alles wat daar direct mee te maken heeft wordt momenteel in de werkplaats nieuw samengesteld en zo snel als mogelijk weer teruggeplaatst.
2. Zijn inwoners, ondernemers en ook booteigenaren die regelmatig (ook in de winter)
gebruikmaken van de brug, geïnformeerd dat de brug niet werkt, en zo ja wanneer?
Voor de communicatie gebruikt de gemeente verschillende kanalen. In dit geval is er vanaf begin december 2025 regelmatig contact geweest met de ondernemersvereniging (ook in het bredere kader van de komende wegwerkzaamheden) en Plaatselijk Belang De Trije Doarpen. Ook hebben we berichten geplaatst op de gemeentelijke website en is er een scheepvaartbericht uitgegaan.
3. Plaatselijk belang De Trije Doarpen heeft de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat de brug in slechte staat is en dat er iets moet gebeuren. Wat is tot op heden gedaan met dit signaal?
Deze signalen zijn opgepakt en acties zijn in gang gezet. De brug is, in lijn met de reguliere
inspectierondes, volledig nagelopen en is er een opzet gemaakt om gepland groot onderhoud, inclusief schilderwerk, uit te gaan voeren. We zijn voornemens om het groot onderhoud uit te voeren in combinatie met de geplande wegwerkzaamheden. Hiermee proberen we overlast zoveel mogelijk te beperken. Plaatselijk Belang De Trije Doarpen wordt periodiek op de hoogte gehouden over de voortgang.
Fraach riedslid:
Op 25 februari jl. ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Op 9 febrewaris hawwe we de antwurden krigen op de fragen dy’t de FNP fraksje steld hie oer in plak foar de Itensbank yn it Brûsplak. Yn de beantwurding wurdt sein dat de Itensbank in soad ekstra romte ynnimme soe, dy’t net fleksibel ynsetber is. De Itensbank sels joech yn in petear mei de ried oan dat it giet om sa’n 110 kante meter foar opslach (net fleksibel) en 40 foar útjefte.
- Is der plak foar de Itensbank yn de lokaasje it Brûsplak en is bekend wat dit ûngefear mear kostje soe yn it ûntwerp fan it Brûsplak?
- Der is ek oanjûn dat de Itensbanken op ‘e Lemmer en yn Balk ek gjin temjittekomming krije yn harren húsfêstingskosten. Kin der in ynskatting jûn wurde wat it kostje soe as de gemeente harren húsfêstingskosten foar in part subsidiearje soe?
- Yn it petear mei de Itensbank waard troch harren oanjûn dat hja der altyd fan útgien binne dat se plak krije koene yn it Brûsplak as se út de Miks wei moatte, en dat de gemeente net helpe wol mei it sykjen nei in alternative romte. Kloppet dat?
- En fynt it kolleezje net dat wy hjir in soarchplicht hawwe /dat it in lytse muoite wêze soe om te helpen betelbere romte te finen foar de Itensbank?
Antwurd út namme fan it kolleezje:
- Is dêr plak foar de Itensbank yn de lokaasje it Brûsplak en is bekend wat dit ûngefear mear kostje soe yn it ûntwerp fan it Brûsplak?
By de romtlike ynpassing is it fan belang dat itensopslach oan wetlike easken foldwaan moat (û.o. hygiëne, tagonklikens, temperatuerbehearsking en trasearberens). It ynpassen fan de itensbankopslach yn de Brede School Joure Zuid (BSJZ) is net allinnich in programmatyske fraach, mar hat ek in romtlik-logistike komponint. De opslachfunksje freget om in strategyske lizzing fanwegen de befoarrieding; dy moat feilich wêze en goed te kombinearjen wêze mei de
hjoeddeiske funksje fan de BSJZ.
De realisaasje- en eksploitaasjekostpriis per m2 yn de BSJZ is folle heger as by in reguliere opslachromte op in bedriuweterrein. Dêrtroch is de kostpriisdekkende hier foar dy opslachromte yn de Brede School oanmerklik heger.
Yn it PVE Brûsplak is rekken hâlden mei 40 m2 mienskiplike opslach; de 110 m2 eksklusive opslach foar de Itensbank dy’t jo neame, falt bûten it PVE.
De stichtingskosten foar it útwreidzjen fan it PVE fan it Brûsplak binnen it besteande gebou fan de BSJZ berinne likernôch € 2.200,- per m2 bruto flieroerflak (BVO).
De stichtingskosten foar it útwreidzjen fan it PVE fan it Brûsplak bûten it besteande gebou berinne likernôch € 3.750,- per m2 (BVO).
It ynpassen fan de Itensbank yn de Brede School is net realistysk, sawol programmatysk (logistyk en feilichheid) as finansjeel (kostpriis en de dêrút fuortkommende kostpriisdekkende hier foar de Itensbank).
Nederlands:
Bij de ruimtelijke inpassing is van belang dat voedselopslag aan wettelijke eisen moet voldoen (o.a. hygiëne, toegankelijkheid, temperatuurbeheersing en traceerbaarheid). De inpassing van de Voedselbankopslag in de Brede school Joure Zuid (BSJZ) is niet uitsluitend een programmatische vraag maar heeft ook een ruimtelijk-logistieke component. De opslagfunctie vraagt een strategische ligging vanwege de bevoorrading, die veilig en goed te combineren moet zijn met de huidige functie van de BSJZ.
De realisatie- en exploitatiekostprijs per m2 in de brede school is veel hoger dan bij een reguliere opslagruimte op een bedrijventerrein, waardoor de kostprijs dekkende huur voor die opslagruimte in de BSJZ aanzienlijk hoger is.
Er is in het PVE Brûsplak rekening gehouden met 40m2 gemeenschappelijke opslag, in uw vraag genoemde 110 m2 exclusieve opslag voor de voedselbank valt buiten de PVE vraag.
De stichtingskosten voor het uitbreiden van het PVE van het Brûsplak bínnen het bestaande gebouw van de BSJZ bedragen ongeveer €2200,- pm2 bruto vloer oppervlak (BVO). De stichtingskosten voor de uitbreiden van het PVE van het Brûsplak búiten het bestaande gebouw bedragen ongeveer €3750,- pm2 (BVO).
Inpassing van de voedselbank in de brede school is niet realistisch, zowel programmatisch (logistiek en veiligheid) als financieel (kostprijs en daaruit voortvloeiende kostprijs dekkende huur voor de voedselbank).
2. Der is ek oanjûn dat de Itensbanken op ‘e Lemmer en yn Balk ek gjin temjittekomming krije yn harren húsfêstingskosten. Kin der in ynskatting jûn wurde wat it kostje soe as de gemeente harren húsfêstingskosten foar in part subsidiearje soe?
De Itensbanken op ‘e Lemmer en yn Balk hawwe harren húsfesting sels regele en ûntfange gjin strukturele temjittekomming yn hier- of húsfestingskosten.
De Itensbanken ûntfange foar harren wurksumheden/aktiviteiten struktureel € 600 subsydzje yn it jier. By de beslútfoarming oer it Aanvalsplan armoede hat de gemeenteried foar de jierren 2025 en 2026 ynsidinteel ekstra subsydzje takend oan de itensbanken (€ 4.000 foar De Jouwer, € 3.000 foar De Lemmer en € 3.000 foar Balk).
Der is op dit stuit gjin ynsjoch yn de húsfestingskosten fan de Itensbankenc op ‘e Lemmer en yn Balk. Foar de lokaasje De Jouwer binne de húsfestingskosten yn de Brede School oanmerklik heger as by in finansjeel geunstiger lokaasje op in bedriuweterrein.
Nederlands:
De Voedselbanken in Lemmer en Balk hebben hun huisvesting zelf geregeld en ontvangen geen structurele tegemoetkoming in huur- of huisvestingskosten.
De voedselbanken ontvangen voor hun werkzaamheden/activiteiten structureel € 600 subsidie per jaar. Bij de besluitvorming over het Aanvalsplan armoede heeft de gemeenteraad voor de jaren 2025 en 2026 incidenteel extra subsidie toegekend aan de voedselbanken (€ 4.000 voor Joure, € 3.000 voor Lemmer en € 3.000 voor Balk).
Er is op dit moment geen inzicht in de huisvestingskosten van de voedselbank Lemmer en Balk. Voor de locatie Joure zijn de huisvestingskosten in de Brede school aanzienlijk hoger dan een financieel gunstigere locatie op een bedrijventerrein.
3. Yn it petear mei de Itensbank waard troch harren oanjûn dat hja der altyd fan útgien binne dat se plak krije koenen yn it Brûsplak as se út de Miks wei moatte, en dat de gemeente net helpe wol mei it sykjen nei in alternative romte. Kloppet dat?
Nee, dat kloppet net. Der is gjin tasizzing dien dat de Voedselbank/De Útjouwer definityf in plak krije soe yn it Brûsplak. De winsk om mei te dwaan of gebrûk te meitsjen fan it Brûsplak is troch de Voedselbank/De Útjouwer útsprutsen, mar dielname en/of húsfesting is net garandearre.
Wol is der yn in eardere faze in yntinsjeferklearring opsteld en ûndertekene, wêrmei’t de
Voedselbank har belangstelling en de winske wize fan gebrûk kenber makke hat. Dy ferklearring gie oer in ferkennende faze, ûnder de betingsten sa’t dy doe bekend wiene, en wylst der noch sprake wie fan lokaasjeûndersyk. De yntinsjeferklearring is dêrom gjin beslút en gjin garânsje foar definitive dielname of húsfesting.
Yn de petearen is dêrneist oanjûn dat de organisaasje sels ferantwurdlik is foar it finen fan in passend alternatyf. De gemeente bliuwt yn petear mei de Voedselbank en kin
advisearje/meitinke binnen de belieds- en wetlike kaders.
Nederlands:
Nee dit klopt niet. Er is geen toezegging gedaan dat de Voedselbank/De Útjouwer definitief een plek zou krijgen in het Brûsplak. De wens om deel te nemen of gebruik te maken van in het Brûsplak is vanuit de Voedselbank/De Útjouwer uitgesproken, maar deelname en/of huisvesting is niet gegarandeerd.
Wel is er in een eerdere fase een intentieverklaring opgesteld en ondertekend, waarmee de
Voedselbank haar interesse en gewenste wijze van gebruik kenbaar heeft gemaakt. Deze
verklaring betrof een verkennende fase, onder de voorwaarden zoals die toen bekend waren, en terwijl er nog sprake was van locatieonderzoek. De intentieverklaring is daarom geen besluit en geen garantie op definitieve deelname of huisvesting.
In de gesprekken is daarnaast aangegeven dat de organisatie zelf verantwoordelijk is voor het vinden van een passend alternatief. De gemeente blijft in gesprek met de voedselbank en kan adviseren/meedenken binnen de beleids- en wettelijke kaders.
4. En fynt it kolleezje net dat wy hjir in soarchplicht hawwe /dat it in lytse muoite wêze soe om te helpen betelbere romte te finen foar de Itensbank?
It kolleezje ûnderskriuwt it maatskiplik belang fan de Itensbank. Tagelyk is der gjin wetlike of beliedsmjittige soarchplicht foar de gemeente om húsfesting foar de Itensbank te realisearjen of te bekostigjen. De kar foar en it regeljen fan húsfesting leit primêr by de organisaasjes sels. De Itensbanken op ‘e Lemmer en yn Balk hawwe yn 2025 sels in nije lokaasje fine moatten; ek dêryn is troch de gemeente meitocht, en yn Balk is bygelyks holpen mei de legeskosten foar in nedige brûkersfergunning. Dizze wurkwize is ek mei De Útjouwer besprutsen. Dêrby is ek neamd dat it hieren fan in bedriuwsromte in reëel alternatyf wêze kin, benammen foar opslach, en dat dit finansjeel geunstiger is as in multyfunksjonele akkommodaasje lykas de Brede School.
Nederlands:
Het college onderschrijft het maatschappelijke belang van de Voedselbank. Tegelijk is er geen wettelijke of beleidsmatige zorgplicht voor de gemeente om huisvesting voor de Voedselbank te realiseren of te bekostigen. De keuze voor en het regelen van huisvesting ligt primair bij de organisaties zelf. De voedselbanken in Lemmer en Balk hebben in 2025 zelf een nieuwe locatie moeten vinden; ook daar is door de gemeente meegedacht, en in Balk is bijvoorbeeld geholpen met de legeskosten voor een benodigde gebruiksvergunning. Deze werkwijze is ook met De Útjouwer besproken. Daarbij is ook benoemd dat het huren van een bedrijfsruimte een reëel alternatief kan zijn, met name voor opslag, en dat dit financieel gunstiger is dan een multifunctionele accommodatie zoals de brede school.
Fraach riedslid:
Op 25 februari jl. ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Rju acht kolleezje,
Wy ha yn de nijsbrief fan 20 febrewaris in brief krigen fan it ynwennerskollektyf en de agraryske bedriuwen Stobbegat oer it foarnimmen fan de bou fan in batterijpark.
Yn dizze brief wurde harren soargen útere oer de feilichheid en sûnens fan minsk en fee, it noch rinnende ûndersyk fan it RIVM, it risiko yn ferbân mei de “bourman” Ecopark de Wierde, de ynfloed op de romtlike oardening en de omjowing, skea oan de agraryske sektor en it lûdsoerlêst fan de fentilatoren 24 oeren deis.
Wy wolle graach fan it kolleezje witte:
- Hoefier binne de plannen Batterijpark Vegelinsoord?
- Kiest it kolleezje, sa as yn de brief neamd is, foar in BOPA prosedure of kinne wy it fia it Petear en Debat en Beslút temjitte sjen, sa as wy dat festlein ha yn it adfys en delegaasjebeslút?
- Yn dizze brânbrief steane in oantal fragen wer wy ek graach it anwurd op witte wolle:
- “Hoe garandeert het College de veiligheid van omwonenden en vee tegen toxische gaswolken (HF) zolang het RIVM-onderzoek naar effectafstanden nog loopt?”
- “Is er een integrale QRA uitgevoerd die het domino-effect tussen de batterijbrand, de gasopslag van Omrin én de 380kV-lijn berekent?”
- “Hoe wordt voorkomen dat omliggende agrarische bedrijven onverzekerbaar worden door de komst van dit risicovolle object?”
- “Hoe toetst het College of de door Giga Storage geclaimde participatie daadwerkelijk effectief is geweest?”
- “Hoe garandeert u dat onze bezwaren expliciet worden meegewogen in het besluit, in de wetenschap dat een eenzijdige mededeling van een vaststaand plan onvoldoende is?”
Antwurd nammens kolleezje:
1. Hoefier binne de plannen Batterijpark Vegelinsoord?
Der is noch gjin fergunnings-oanfraach yntsjinne foar Batterijpark Vegelinsoord. Sûnder oanfraach kinne wy gjin ynhâldlike beoardieling dwaan of antwurd jaan op spesifike fragen oer feiligens, prosedueres of effekten. Dizze ûnderwerpen sille, as de oanfrager (Giga Storage) de oanfraach ynlevert, ûnderboud wurde mei de fereaske dokuminten, lykas in feiligensrapport, miljeu-effektbeoardieling (as fan tapassing) en in partisipaasje-rapport.
Dêrby hat de ynisjatyfnimmer keazen om ek gjin foarôfgeand oerlis yn te tsjinjen. Dat betsjut dat it kolleezje ek noch gjin stânpunt ynnimme kinnen hat oer dit plan.
Er is nog geen vergunningsaanvraag ingediend voor Batterijpark Vegelinsoord. Zonder aanvraag kunnen wij geen inhoudelijke beoordeling doen of antwoord geven op specifieke vragen over veiligheid, procedures of effecten. Deze onderwerpen zullen, zodra een aanvraag binnen is, door de initiatiefnemer (Giga Storage) moeten worden onderbouwd met de vereiste documenten, zoals een veiligheidsrapportage, milieueffectbeoordeling (indien van toepassing) en participatieverslag.
Daarnaast heeft initiatiefnemer ervoor gekozen om ook geen vooroverleg in te dienen. Dat betekent dat het college ook nog geen standpunt heeft kunnen innemen over dit plan.
2. Kiest it kolleezje, sa as yn de brief neamd is, foar in BOPA prosedure of kinne wy it fia it Petear en Debat en Beslút temjitte sjen, sa as wy dat festlein ha yn it adfys en delegaasjebeslút?
De kar foar in BOPA-proseduere (Beslút omjouwingsrjocht foar aktiviteiten) of it wizigjen fan it omjouwingsplan (hjirnei: WOPLA) hinget ôf fan de oanfreger. It is net oan it kolleezje (of de gemeente yn it algemien) om de proseduere te kiezen; dat docht de oanfreger. De opmerking dat it kolleezje de proseduere fia in BOPA ferliene wol, suggerearret dat it kolleezje hjir in beslissende stim yn hat. Dat is net it gefal. De oanfreger bepaalt sels hokker proseduere folge wurdt.
It liket ús yn dit gefal lykwols riedsam om de proseduere fan de BOPA te folgjen, om’t in fergunning mei dy proseduere tydlik is. Dat betsjut dat, as de termyn foarby is, de grûn wer yn ‘e âlde steat set wurde moat (dus agrarysk) of der wurdt op dat momint beoardiele oft der in nije omjouwingsfergunning ferliend wurdt. Yn elk gefal hawwe wy der dan wer wat oer te sizzen. As wy meiwurkje mei in wiziging fan it omjouwingsplan, wurdt de bestimming defintyf wizige, en kin hjir dus foar ûnbepaalde tiid (oant der wer in wiziging fan it omjouwingsplan plakfynt), in batterijopslach oanwêzich wêze. Yn dat gefal
hawwe wy oer de jierren hinne folle minder stjoermiddels. In nije oanfraach wegerje is relatyf ienfâldiger as it omjouwingsplan nei in tal jierren wer wizigje.
Dêrby is it yn dit gefal net sa dat de gemeentlike ried gjin of minne ynfloed hat op de proseduere as der in BOPA oanfrege wurdt. Jo hawwe in oantal saken oanjûn wêrby’t advys fan de gemeenteried nedich is, as der sprake is fan in BOPA. Hjir falle ek batterijopslach-ynrjochtings ûnder. It giet hjir om in binend advysrjocht. Dat betsjut dat it kolleezje altyd om advys freegje moat by de ried en him dêr yn prinsipe ek oan hâlde moat. Mei oare wurden: as jo advisearje om te wegerjen, dan moat it kolleezje ek wegerje.
(De iennige útsûndering hjirop is as it advys net foldocht oan de wetlike (ryks)regels. Yn dat gefal kin it kolleezje dat advys net oernimme. As dit it gefal is, wurde jo dêrby ynformearre.)
Njonken advys oan jo, sille wy ûnder oare ek advys freegje oan de provinsje (binnen waans belied dit ek net rjochtstreeks past), de brânwacht, de FUMO, de GGD, de netbehearder en it Wetterskip.
De keuze voor een BOPA-procedure (Besluit omgevingsrecht voor activiteiten) of het wijzigen van het omgevingsplan (Hierna: WOPLA) hangt af van de aanvrager. Het is niet aan het college (of de gemeente in het algemeen) om de procedure te kiezen, dit doet de aanvrager. De opmerking dat het college de procedure middels een BOPA wil vergunnen, impliceert dat het college hier een beslissende stem heeft. Dat is niet het geval. De aanvrager bepaalt zelf welke procedure gevolgd wordt.
Wel lijkt het ons in dit geval raadzaam om de procedure van de BOPA te volgen, omdat een vergunning via die procedure tijdelijk is. Dat betekent dat, zodra de termijn verstreken is, de gronden weer in oude staat moeten worden gesteld (dus agrarisch) of er wordt op dat moment beoordeeld of er een nieuwe omgevingsvergunning wordt verleend. In elk geval hebben we er dan weer wat over te zeggen. Als we meewerken met een wijziging van het omgevingsplan, dan wordt de bestemming definitief gewijzigd, en kan hier dus voor onbepaalde tijd (tot er weer een wijziging van het omgevingsplan plaatsvindt), een
batterijopslag aanwezig zijn. In dat geval hebben wij veel minder handvaten over de jaren. Een nieuwe aanvraag weigeren is relatief eenvoudiger dan het omgevingsplan wijzigen over een X aantal jaar.
Daarnaast is het in dit geval niet zo dat de gemeenteraad geen of weinig zeggenschap heeft over de procedure als er een BOPA wordt aangevraagd. U heeft een aantal zaken aangewezen waarbij advies van de gemeenteraad nodig is, als er sprake is van een BOPA. Hieronder vallen ook batterijopslagen. Het gaat hier om een bindend adviesrecht. Dat betekent dat het college altijd om advies moet vragen bij de raad en zich hier in beginsel ook aan moet houden. Oftewel, als u adviseert te weigeren, dan moet het college ook weigeren. (De enige uitzondering hierop is als het advies niet voldoet aan de wettelijke
(rijks)regels. In dat geval kan het college dat advies niet aannemen. Mocht dit het geval zijn, dan wordt u hierover geïnformeerd).
Naast advies aan u, zullen wij onder andere ook advies vragen aan de provincie (binnen wiens beleid dit ook niet rechtstreeks past), de brandweer, de FUMO, de GGD, de netbeheerder en het Wetterskip.
3. Yn dizze brânbrief steane in oantal fragen wer wy ek graach it anwurd op witte wolle:
– “Hoe garandeert het College de veiligheid van omwonenden en vee tegen toxische
gaswolken (HF) zolang het RIVM-onderzoek naar effectafstanden nog loopt?”
– “Is er een integrale QRA uitgevoerd die het domino-effect tussen de batterijbrand, de
gasopslag van Omrin én de 380kV-lijn berekent?”
– “Hoe wordt voorkomen dat omliggende agrarische bedrijven onverzekerbaar worden door
de komst van dit risicovolle object?”
– “Hoe toetst het College of de door Giga Storage geclaimde participatie daadwerkelijk
effectief is geweest?”
– “Hoe garandeert u dat onze bezwaren expliciet worden meegewogen in het besluit, in de
wetenschap dat een eenzijdige mededeling van een vaststaand plan onvoldoende is?”
De stelde fragen reitsje essinsjele ûnderdielen fan de fergunnings-oanfraach dy’t de inisjatyfnimmer sels ynfolje en ûnderbouwe moat. Om’t wy noch gjin stikken ûntfongen hawwe, kinne wy hjir gjin definityf antwurd op jaan. Wy kinne wol oanjaan hoe’t dizze ûnderwerpen yn de proseduere oerlein wurde:
- Feiligens fan toxyske gaswolken (HF) en rinnend RIVM-ûndersyk
De feiligens fan omjouwenden en fee falt ûnder de miljeu-aktiviteit. De inisjatyfnimmer moat oantoane dat it risiko op HF-útstjit (bygelyks troch in batterijbrân) behearskber is, neffens de lêste ynsichten (ynklusyf mooglike oanpassingen nei RIVM-ûndersyk). As it RIVM-rapport útkomt, wurdt dit meinommen yn de beoardieling. oant dy tiid jildt de hjoeddeiske wet- en regeljouwing (bygelyks BRZO, Aktiviteitenbeslút). De brânwacht, FUMO en de GGD sille ús yn dizze saak fan advys foarsjen.
- Yntegraal QRA en domino-effekten (batterijpark, Omrin-gasopslach, 380kV-line)
In Kwantitative Risikoanalyse (QRA) is ferplicht by risikofole ynrjochtings. De inisjatyfnimmer moat oantoane dat kumulative risiko’s (bygelyks troch de neite fan Omrin en in heechspanningsline) binnen de wetlike noarmen falle. Dit wurdt toetst troch de FUMO en mooglik oare eksterne saakkundigen. Sûnder oanfraach kinne wy gjin oardiel jaan oer de folsleinens hjirfan.
- Fersekberens fan omlizzende agraryske bedriuwen
Dit is in privaatrjochtlike kwestje tusken bedriuwen en fersekerders. Wol kin de gemeente yn de fergunningsbetingsten easken stelle oan risikobeheining (bygelyks brânfeiligens) om negative gefolgen foar omjouwenden te minimalisearjen. In mooglike ferplichting ta skeafergoeding falt bûten de fergunningsproseduere.
- Effektiviteit fan partisipasjon troch Giga Storage
Partisipaasje is ferplichte ûnder de Omjouwingswet. De inisjatyfnimmer moat oantoane hoe’t omwenners en belanghawwenden belutsen binne en hoe’t harren ynbring ferwurke is. Dit wurdt toetst oan de hân fan it partisipaasjeferslach dat by de noch yn te tsjinjen oanfraach heart. Pas dan kinne wy beoardielje oft dit foldocht oan de wetlike easken.
- Meiwaagjen fan beswieren yn it beslút
Alle skriftlike sjenswizen (tidens de ynspraakfaze en foarôfgeand dêroan) wurde meiweage yn it beslút. Dit is in wetlike ferplichting.
Wy begripe de soargen en jouwe mei klam oan dat feiligens en in soarchfâldige proseduere foarop steane. As der in oanfraach dellein wurdt, wurdt dit iepenbier makke en krije belanghawwenden romte foar ynspraak. Oant dy tiid kinne wy allinne oanjaan hokker stappen yn de proseduere folge wurde (moatte).
De gestelde vragen raken essentiële onderdelen van de vergunningsaanvraag die de initiatiefnemer zelf moet invullen en onderbouwen. Aangezien wij nog geen stukken hebben ontvangen, kunnen wij hier geen definitief antwoord op geven. Wel kunnen wij aangeven hoe deze onderwerpen in de procedure aan bod zullen komen:
- Veiligheid toxische gaswolken (HF) en lopend RIVM-onderzoek De veiligheid van omwonenden en vee valt onder de milieuactiviteit. De initiatiefnemer moet aantonen dat het risico op HF-emissie (bijv. door batterijbrand) beheerst is, conform de laatste inzichten (inclusief eventuele aanpassingen na RIVM-onderzoek). Zodra het RIVM rapport uitkomt, wordt dit meegenomen in de beoordeling. Tot die tijd geldt de huidige wet- en regelgeving (bijv. BRZO, Activiteitenbesluit). De brandweer, FUMO en de GGD zullen ons hierin van advies voorzien.
- Integrale QRA en domino-effecten (batterijpark, Omrin-gasopslag, 380kV-lijn)
Een Kwantitatieve Risicoanalyse (QRA) is verplicht bij risicovolle inrichtingen. De initiatiefnemer moet aantonen dat cumulatieve risico’s (bijv. door nabijheid van Omrin en hoogspanningslijn) binnen de wettelijke normen vallen. Dit wordt getoetst door de FUMO en eventueel andere externe deskundigen. Zonder aanvraag kunnen wij geen oordeel vellen over de volledigheid hiervan.
- Verzekerbaarheid omliggende agrarische bedrijven
Dit is een privaatrechtelijke kwestie tussen bedrijven en verzekeraars. Wel kan de gemeente in de vergunningsvoorwaarden eisen stellen aan risicobeperking (bijv. brandveiligheid), om negatieve gevolgen voor omwonenden te minimaliseren. Een eventuele verplichting tot schadecompensatie valt buiten de vergunningsprocedure.
- Effectiviteit van participatie door Giga Storage
Participatie is verplicht onder de Omgevingswet. De initiatiefnemer moet aantonen hoe omwonenden en belanghebbenden zijn betrokken en hoe hun inbreng is verwerkt. Dit wordt getoetst aan de hand van het participatieverslag dat bij de nog in te dienen aanvraag hoort. Pas dan kunnen wij beoordelen of dit voldoet aan de wettelijke eisen.
- Meewegen van bezwaren in het besluit
Alle schriftelijke zienswijzen (tijdens de inspraakfase en voorafgaand daaraan) worden meegewogen in het besluit. Dit is een wettelijke verplichting.
Wij begrijpen de zorgen en benadrukken dat veiligheid en een zorgvuldige procedure vooropstaan. Zodra er een aanvraag ligt, wordt deze openbaar gemaakt en krijgen belanghebbenden ruimte voor inspraak. Tot die tijd kunnen wij alleen aangeven welke stappen in de procedure gevolgd (moeten) worden.
Vraag raadslid:
Op 13 februari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
In de raadsvergadering van 20 december 2023 is uitvoerig gesproken over het vaststellen van het bestemmingsplan Balk – Jachthavendyk. Tijdens het behandelen van dit agendapunt heeft de CDA fractie samen met andere partijen een motie ingediend over de camperplaatsen die met het besluit dreigden te verdwijnen. Deze motie is unaniem aangenomen. De motie roept het college op:
- Om samen met ondernemers, die camperplaatsen willen realiseren actief op zoek te gaan naar een alternatieve plek voor campers.
- Vóór de start van de bouw van het hotel de raad te informeren over de stand van zaken m.b.t. de camperplaatsen.
Tijdens het debat werd door het college de kanttekening gemaakt dat zich wel een initatiefnemers moest melden voordat zij actief mee gingen denken. Logisch.
In januari heeft de CDA fractie hier vragen over gesteld die op 28 januari zijn beantwoord. Dit roept vervolgvragen op vooral over de uitvoering van de motie. Er wordt in de beantwoording gesteld dat zich inderdaad een ondernemer heeft gemeld, dat het plan is getoetst en niet past binnen het beleid.
1) Waarom is er alleen getoetst, en niet samen gekeken naar hoe het wel kan, zoals de motie vroeg?
2) Tijdens de raadsvergadering stelde de wethouder ook dat mocht het plan dat een initiatiefnemer aandraagt niet passen binnen de kaders/het bestaande beleid hij bij de raad terug zou komen. Waarom is deze optie niet gebruikt?
3) Welke stappen gaat het college nemen om samen met ondernemers die camperplaatsen willen realiseren actief op zoek te gaan naar alternatieve plekken voor campers?
Antwoord namens college:
1) Waarom is er alleen getoetst, en niet samen gekeken naar hoe het wel kan, zoals de motie vroeg?
Er is uitvoerig overleg geweest tussen ambtenaren vanuit verschillende disciplines en de initiatiefnemer waarbij de kaders voor wat betreft de ontwikkeling van camperplaatsen besproken zijn. Daarbij is ook aangegeven dat het aan de initiatiefnemer is om met een alternatieve locatie en aanvraag voor camperplaatsen te komen. Als gemeente stellen we ons (binnen de wettelijke kaders) zo proactief mogelijk op. Één van die kaders waar we mee te maken hebben is het Didam arrest dat maakt dat we niet specifiek één ondernemer mogen benaderen waarin het gaat om gemeentelijke gronden.
Het aangedragen initiatief is uiteindelijk als aanvraag ingediend waarop we moeten toetsen. De gemeente toetst of het initiatief past of binnen welke voorwaarden het passend gemaakt kan worden.
2) Tijdens de raadsvergadering stelde de wethouder ook dat mocht het plan dat een initiatiefnemer aandraagt niet passen binnen de kaders/het bestaande beleid hij bij de raad terug zou komen. Waarom is deze optie niet gebruikt?
Bij de beantwoording in januari hebben we aangegeven dat de aanvraag i.v.m. het negatieve welstandsadvies in principe tot een einde is gekomen. Dit is gecommuniceerd met de aanvrager. De aanvraag is nog niet ingetrokken door de initiatiefnemer en zal nu met een advies worden voorgelegd aan het college.
3) Welke stappen gaat het college nemen om samen met ondernemers die camperplaatsen willen realiseren actief op zoek te gaan naar alternatieve plekken voor campers?
Mocht zich wederom een initiatiefnemer melden voor een alternatieve locatie voor camperplaatsen, stellen we ons (binnen de kaders van de wet) zoveel mogelijk proactief op.
Fraach riedslid:
Op 29 januari jl. ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Fragen oer de itensbank De Útjouwer fan de Jouwer (Voedselbank Joure, Stichting Diaconale werkgroep solidair Skarsterlân)
Fia it bestjoer fan it brûsplak en yn de nijsbrief kamen we te hearren dat de gemeente net mei wurkje wol oan de dielname fan de Itensbank de Útjouwer yn it Brûsplak. De reden hjir fan soe wêze dat it net yn it gemeentlik belied past.
Ús fragen:
- Yn it gemeentlik akkomodaasjebelied stiet dat der plak is foar, kuenst en kultuer, sport, musyk en toaniel, wolwêzen en oare maatskiplike funksjes. De itensbank folt in maatskiplike funksje yn, werom past dat neffens de gemeente dan net yn ús belied?
- De útsûnderingen op de wet Markt en overheid fan maatskiplike instellingen en organisaasjes is troch de ried fêst stelt yn 2015. De itensbank kin neffens ús ûnder disse útsûnderingen fallle, kloppet dat?
- Ien fan de arguminten soe wêze dat de itensbank romte ynnimt, dy’t net dielt wurde kin mei oaren (de opslach fan iten) It Leger des Heils hat opslach nedich foar klean, de korpsen foar instruminten en it toaniel foar rekwisiten. Ek romtes dy’t net dielt wurde kinne, werom neamd it kolleezje de itensbank wol as sadanich?
- Ta ús fernúvering hat de gemeente de yndikatieve hierpriis fan de itensbank fan 12 euro de kante meter ferhege nei 200 euro de kante meter (per jier). Hoe sit dat?
- Hoe gean de oare gemeenten yn Fryslân mei harren itensbank om?
Antwurd nammens kolleezje:
1.Yn it gemeentlik akkomodaasjebelied stiet dat der plak is foar, kuenst en kultuer, sport, musyk en toaniel, wolwêzen en oare maatskiplike funksjes. De itensbank folt in maatskiplike funksje yn, werom past dat neffens de gemeente dan net yn ús belied?
Yn it maatskiplik akkommodaasjebelied is yn haadstik 4 ûnderskied makke tusken sân beliedsterreinen (paragraaf 4.3 t/m 4.9). Dêryn wurde itensbanken net eksplisyt omskreaun. De kategory ‘oare wolwêzensorganisaasjes’ hat wat ús oanbelanget it measte raakflak mei de aktiviteiten fan itensbanken mar sels dêr is sprake fan in tige summiere ferantwurdlikheid foar de gemeente “De welzijnsorganisatie zorgt zelf voor huisvesting. Wij hebben daarin wel een adviserende rol, maar wij zijn als gemeente niet verantwoordelijk voor de huisvesting”.
In het maatschappelijk accommodatiebeleid is in hoofdstuk 4 onderscheid gemaakt tussen een zevental beleidsterreinen (paragraaf 4.3 t/m 4.9). Hierin worden voedselbanken niet expliciet omschreven. De categorie ‘overige welzijnsorganisaties’ heeft wat ons betreft het meeste raakvlak met de activiteiten van voedselbanken maar zelfs daar is sprake van een zeer summiere verantwoordelijkheid voor de gemeente “De welzijnsorganisatie zorgt zelf voor huisvesting. Wij hebben daarin wel een adviserende rol, maar wij zijn als gemeente niet verantwoordelijk voor de huisvesting”
2. De útsûnderingen op de wet Markt en overheid fan maatskiplike instellingen en organisaasjes is troch de ried fêst stelt yn 2015. De itensbank kin neffens ús ûnder disse útsûnderingen fallle, kloppet dat?
Yn it yn 2015 nommen algemien belang beslút is de folgjende taljochting opnommen oer it
ferhieren fan maatskiplik fêstgoed:
“Verhuur maatschappelijk vastgoed
De gemeente de Friese Meren heeft diverse maatschappelijke objecten in verhuur/gebruik
gegeven aan instellingen die een maatschappelijk en algemeen belang vervullen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan muziekschool, speel-o-theek, muziekkorpsen en Rode Kruis. Dit gebeurt om niet of tegen een huur waarin de integrale kosten niet volledig zijn doorbelast. Indien de gemeente de kosten wel volledig in rekening zou brengen, dan zouden de gebruikers de exploitatie niet rond kunnen krijgen, hetgeen ten koste gaat van het sociale en culturele leven van onze gemeente. Gelet op het maatschappelijk belang merken wij deze activiteiten aan als activiteiten in het algemeen belang als bedoeld in de Wet Markt en Overheid.”
Te lêzen falt dat it om in brede en net limitatieve omskriuwing giet fan ynstellings. Op basis
hjirfan soe de itensbank ûnder de útsûndering falle kinne. Yn it stik wurdt lykwols ek motivearre wêrom’t de aktiviteiten as algemien belang oanmurken wurde: “Als de gemeente de kosten wel volledig in rekening zou brengen, dan zouden de gebruikers de exploitatie niet rond kunnen krijgen”. Yn de resinte iepenbiere jiersifers fan de itensbank falt te lêzen dat der sprake is fan in substansjeel eigen fermogen, dat (mei) reservearre is foar takomstige húsfesting. It kolleezje is dêrmei fan miening dat de itensbank net oan de kritearia foldocht om as útsûndering oanmurken te wurden.
In het in 2015 genomen algemeen belang besluit is de volgende toelichting opgenomen over het verhuren van maatschappelijk vastgoed:
“Verhuur maatschappelijk vastgoed
De gemeente de Friese Meren heeft diverse maatschappelijke objecten in verhuur/gebruik
gegeven aan instellingen die een maatschappelijk en algemeen belang vervullen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan muziekschool, speel-o-theek, muziekkorpsen en Rode Kruis.
Dit gebeurt om niet of tegen een huur waarin de integrale kosten niet volledig zijn doorbelast. Indien de gemeente de kosten wel volledig in rekening zou brengen, dan zouden de gebruikers de exploitatie niet rond kunnen krijgen, hetgeen ten koste gaat van het sociale en culturele leven van onze gemeente. Gelet op het maatschappelijk belang merken wij deze activiteiten aan als activiteiten in het algemeen belang als bedoeld in de Wet Markt en Overheid.”
Te lezen valt dat het om een brede en niet limitatieve omschrijving gaat van instellingen. Op basis hiervan zou de voedselbank onder de uitzondering kunnen vallen. In het stuk wordt echter ook gemotiveerd wáárom de activiteiten als algemeen belang worden aangemerkt: “Indien de gemeente de kosten wel volledig in rekening zou brengen, dan zouden de gebruikers de exploitatie niet rond kunnen krijgen”. In de recente openbare jaarcijfers van de voedselbank valt te lezen dat er sprake is van een substantieel eigen vermogen, dat (mede) gereserveerd is voor toekomstige huisvesting. Het college is daarmee van mening dat de voedselbank níet aan de criteria voldoet om als uitzondering aangemerkt te worden.
3. Ien fan de arguminten soe wêze dat de itensbank romte ynnimt, dy’t net dielt wurde kin mei oaren (de opslach fan iten) It Leger des Heils hat opslach nedich foar klean, de korpsen foar instruminten en it toaniel foar rekwisiten. Ek romtes dy’t net dielt wurde kinne, werom neamd it kolleezje de itensbank wol as sadanich?
It kolleezje ûnderkent dat meardere maatskiplike organisaasjes gebrûk meitsje fan
opslachromtes. It ûnderskied sit yn de wetlik ferplichte easken dy’t jilde foar de opslach fan iten. Foar itensopslach jilde spesifike easken oangeande ûnder mear hygiëne, tagonklikens,
temperatuerbehearsking en trasearberens. Dy easken meitsje dat de opslach fan iten net lyk te stellen is oan de opslach fan bygelyks klean, muzykynstruminten of toanielattributen, want dy is as gefolch fan de easken net multyfunksjoneel en dielber. Hjirtroch ferskilt de romtlike en funksjonele ynpassing fan de itensbank fan dy oare brûkers binnen it Brûsplak.
Het college onderkent dat meerdere maatschappelijke organisaties gebruikmaken van
opslagruimten. Het onderscheid zit in de wettelijk verplichte eisen die gelden voor de opslag van voedsel. Voor voedselopslag gelden specifieke eisen ten aanzien van onder meer hygiëne, toegankelijkheid, temperatuurbeheersing en traceerbaarheid. Deze eisen maken dat de opslag van voedsel niet gelijk te stellen is aan de opslag van bijvoorbeeld kleding, muziekinstrumenten of toneelattributen, want deze is als gevolg van de eisen niet multifunctioneel en deelbaar.
Hierdoor verschilt de ruimtelijke en functionele inpassing van de Voedselbank van die van
andere gebruikers binnen het Brûsplak.
4. Ta ús fernúvering hat de gemeente de yndikatieve hierpriis fan de itensbank fan 12 euro de kante meter ferhege nei 200 euro de kante meter (per jier). Hoe sit dat?
De hierpriis fan € 12 de kante meter yn it jier wie in yndikatyf maatskiplik taryf, opnommen yn de yntinsjeferklearring yn in iere ferkenningsfaze. Dit taryf wie basearre op it gemeentlike taryf foar binnensport en kultuer.
Yn neifolging op de beantwurding fan fraach 2, foldocht de itensbank net oan de kritearia om as útsûndering op de wet Markt en Overheid oanmurken te wurden, en binne wy ferplichte foar de itensbank om de werklike kosten fan de opslachfunksje troch te rekkenjen (kostpriisdekkende hier). It yndikative bedrach foar de kostpriisdekkende hier fan € 200, – per kante meter yn it jier is basearre op de doe bekende ynvestearringsbedragen foar it Brûsplak.
De huurprijs van €12 per m² per jaar was een indicatief maatschappelijk tarief, opgenomen in de intentieverklaring in een vroege verkenningsfase. Dit tarief was gebaseerd op het gemeentelijke tarief voor binnensport en cultuur.
In navolging van de beantwoording van vraag 2, voldoet de voedselbank niet aan de criteria om als uitzondering op de wet Markt en Overheid te worden aangemerkt, en zijn we verplicht voor de voedselbank om de werkelijke kosten van de opslagfunctie door te bekekenen (kostprijsdekkende huur). Het indicatieve bedrag voor de kostprijsdekkende huur van €200,- per meter per jaar is gebaseerd op de toen bekende investeringsbedragen voor het Brûsplak.
5. Hoe gean de oare gemeenten yn Fryslân mei harren itensbank om?
Hoe’t Fryske Fryske gemeenten omgean mei itensbanken ferskilt. Yn meardere Fryske
gemeenten hat de itensbank sels húsfesting regele of is sy ûnderbrocht yn net-gemeentlik
fêstgoed. Yn dy gefallen wurde húsfestingskosten yn’e regel net troch de gemeente fergoede. De itensbanken op De Lemmer en Balk regelje harren húsfesting selsstannich en sy krije gjin strukturele subsydzje foar hier- of húsfestingskosten fan de gemeente.
De wijze waarop Friese gemeenten omgaan met voedselbanken verschilt. In meerdere Friese gemeenten heeft de Voedselbank zelf huisvesting geregeld of is zij ondergebracht in niet gemeentelijk vastgoed. In die gevallen worden huisvestingskosten doorgaans niet door de gemeente vergoed. De voedselbanken in Lemmer en Balk regelen hun huisvesting zelfstandig en zij ontvangen geen structurele subsidie voor huur- of huisvestingskosten van de gemeente.
Vraag raadslid:
Op 20 januari jl. ontving het college via de griffie de navolgende vragen:
Geacht college,
In de raadsvergadering van 20 december 2023 is uitvoerig gesproken over het vaststellen van het bestemmingsplan Balk – Jachthavendyk. Tijdens het behandelen van dit agendapunt heeft de CDA fractie samen met andere partijen een motie ingediend over de camperplaatsen die met het besluit dreigden te verdwijnen. Deze motie is unaniem aangenomen. De motie vraagt o.a. het college om samen met
ondernemers die camperplaatsen willen realiseren actief op zoek te gaan naar een alternatieve plek voor campers. Hierbij werd door het college de kanttekening gemaakt dat zich wel een initiatiefnemers moest melden voordat zij actief mee gingen denken. Logisch.
Nu hebben wij vernomen dat er een initiatiefnemer zich heeft gemeld. Dit staat ook bij de lijst van moties en amendementen van de raadsvergadering voor 28 januari. Echter is ons ook ter ore gekomen dat het niet geslaagd om een alternatieve plek voor camperplekken te vinden. Daarover enkele vragen van het CDA. Mocht het mogelijk zijn graag voor de raadsvergadering van 28 januari deze vragen te beantwoorden.
1) Hoe is er omgegaan met het initiatief dat is aangedragen?
2) Waarom is er geen oplossing gevonden voor een alternatieve plek voor campers?
3) Hoe is er uitvoering gegeven aan de motie?
Antwoord namens college:
1) Hoe is er omgegaan met het initiatief dat is aangedragen?
Het aangedragen initiatief is getoetst. Daarbij is een adviesvraag voorgelegd aan welstand. Welstand heeft het initiatief beoordeeld. De commissie is van oordeel dat het plan niet bijdraagt aan het bereiken en/of in stand houden van goede omgevingskwaliteit en niet past niet binnen het door de gemeenteraad vastgestelde beleid. De aanvraag komt daarmee in principe tot een einde voor de beoogde locatie. De beoordeling is eind december met de initiatiefnemer gecommuniceerd.
2) Waarom is er geen oplossing gevonden voor een alternatieve plek voor campers?
Zie toelichting onder 1.
3) Hoe is er uitvoering gegeven aan de motie?
Er is regelmatig contact geweest met de camperexploitant aan de Jachthavendyk. Deze heeft aangegeven de camperplaatsen (zo lang er niet gebouwd wordt) te willen handhaven op de huidige locatie. T/m seizoen 2025 is dat het geval geweest. Het bestemmingsplan Jachthavendyk is in juli 2025 onherroepelijk geworden. Gelet op de gemaakte afspraken (koopovereenkomst) tussen de gemeente en de ontwikkelaar is het onwenselijk om de gronden in de tussentijd (voor korte duur) in gebruik te geven aan een derde. De grond waarop eerder de camperplekken gesitueerd waren, zijn om die reden niet meegenomen in de nieuwe huurovereenkomst van de exploitant. Er is door de initiatiefnemer een
alternatief aangedragen bij de passantenhaven. Deze is (zoals onder 1. omschreven) recent beoordeeld en afgehandeld.
Wij mogen als gemeente, conform het Didam arrest, niet specifiek één ondernemer benaderen. Mocht zich wederom een initiatiefnemer melden voor een alternatieve locatie voor camperplaatsen, dan stellen we ons (binnen de kaders van de wet) zoveel mogelijk proactief op.
Vraag raadslid:
Op 21 januari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Op basis van welke financiële onderbouwing is de huidige exploitatiebijdrage van € 1.045.130 vastgesteld?
Kan financieel worden aangetoond dat de verduurzaming per saldo heeft geleid tot lagere
exploitatiekosten voor Sportbedrijf DFM?
Kan het college inzicht geven in de totale gemeentelijke baten van de verduurzaming (energie, subsidies,
boekwaarde) versus de lasten voor het sportbedrijf?
Is het college bereid meerjarige financiële afspraken te maken tot en met 2035?
Kunt u ons cijfermatig en stap-voor-stap uitleggen welke concrete mutaties tussen 2024 en 2026 een verslechtering van circa € 850.000 veroorzaken ?
Antwoord namens college:
1.Op basis van welke financiële onderbouwing is de huidige exploitatiebijdrage van
€ 1.045.130 vastgesteld?
De exploitatiebijdrage is overeengekomen in de actuele overeenkomst met het Sportbedrijf (looptijd 2025-2029). Deze exploitatiebijdrage stoelt op de vorige overeenkomst (2019-2024).
Het bedrag van 2025 (eerste jaar van de overeenkomst) is gebaseerd op 2024, die conform overeenkomst (2025-2029) is geïndexeerd.
Het genoemde bedrag in de vraagstelling betreft de geïndexeerde structurele bijdrage voor 2026, zonder de incidentele bijdragen en aanvullende opdrachten voor sport- en beweegbeleid.
2. Kan financieel worden aangetoond dat de verduurzaming per saldo heeft geleid tot lagere exploitatiekosten voor Sportbedrijf DFM?
De exploitatiekosten gerelateerd aan energie zijn voor het Sportbedrijf DFM – ondanks de verduurzaming – gestegen ten opzichte van 2019. Deze stijging wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door stijgingen van:
– de tarieven van de eenheidsprijzen voor een M3 gas en een kwh electra
– De leveringskosten en het vastrecht voor zowel gas als electra
– Kostprijsdekkende huurverhoging ter dekking van de investeringskosten (conform
perspectiefnota 2019)
3. Kan het college inzicht geven in de totale gemeentelijke baten van de verduurzaming (energie, subsidies, boekwaarde) versus de lasten voor het sportbedrijf?
In het algemeen leidt verduurzaming niet tot baten, maar tot lagere lasten. Helaas moeten we concluderen dat, door de gestegen energietarieven en de energieconsumptie van een zwembad, de lasten van het Sportbedrijf niet zoveel gedaald zijn als verwacht als gevolg van de verduurzaming. Als de verduurzaming niet had plaatsgevonden, waren de lasten van het Sportbedrijf nog veel hoger geweest.
4. Is het college bereid meerjarige financiële afspraken te maken tot en met 2035?
Het college is bereid om een passende afspraak te maken, die in relatie staat tot het
maatschappelijk belang én een duurzame gezonde bedrijfsvoering van het Sportbedrijf.
Momenteel loopt een onderzoek voor toekomstscenario’s voor het Sportbedrijf, inclusief een financiële paragraaf. Het is op dit moment, alvorens besluitvorming over een toekomstscenario, voorbarig om bereidheid te tonen voor langdurende financiële afspraken.
5. Kunt u ons cijfermatig en stap-voor-stap uitleggen welke concrete mutaties tussen 2024 en 2026 een verslechtering van circa € 850.000 veroorzaken ?
De ontwikkeling van de exploitatie van het Sportbedrijf is tijdens verschillende
raadsvergaderingen aan de orde geweest en in bijzonder d.d. 10 september 2025. We gaan
ervan uit dat de raad tijdens de vergaderingen en met geagendeerde documenten voldoende is geïnformeerd.
De stijging van de kosten worden hoofdzakelijk door drie onderwerpen veroorzaakt, namelijk de ontwikkeling van de personeelskosten, energiekosten en de huurkosten. De stijging in kosten is groter dan de ontwikkeling van de inkomsten en de exploitatiebijdrage. De structurele exploitatiebijdrage wordt conform overeenkomst geïndexeerd
Vraag raadslid:
In uw beantwoording van de vragen gesteld door de heer Roelevink (CDA), geeft u aan dat de het geplande fiets/struinpad Woudagemaal/Tacozijl – Nijemirdum niet door de natuurtoets is gekomen. Daarbij geeft u aan toch te blijven proberen dit vergunbaar te krijgen. Dat leidt bij ons tot de volgende vragen:
- Op welke gronden heeft deze geplande ontwikkeling de natuurtoets niet doorstaan?
- Op grond waarvan probeert u deze ontwikkeling wel vergunbaar te krijgen:
a. een alternatieve route die wel de toets kan doorstaan?
b. een aangepast ontwerp/tracé die mogelijk minder natuuronvriendelijke impact heeft?
c. aanpassing van de natuurtoets waarbij andere belangen dan natuur en biodiversiteit
minder gewicht in de schaal leggen?
d. anderszins?
Antwoord namens college:
Dit betreffen vervolgvragen naar aanleiding van eerdere vragen van het CDA m.b.t. realisatie fietspad tussen Tacozijl-Nijemirdum en de pontverbinding strand Lemmer – Woudagemaal (4 december 2025).
Bij het bekijken of we het realiseren van het struinpad toch vergunbaar kunnen krijgen doen we geen concessie aan de natuur belangen die de natuur of biodiversiteit zouden kunnen schaden. We gaan met de Provincie bekijken of een alternatieve route of aangepast ontwerp geen negatieve gevolgen voor de natuur hebben. Mocht dit uiteindelijk niet haalbaar zijn dan moet worden afgezien van het project. Het is immers de bedoeling de IJsselmeerkust met haar uitzonderlijke natuurwaarden beleefbaar te maken maar niet om deze te verstoren door een aanpassing van de natuurtoets.
De combinatie tussen de route en de vorm (fietspad of struinpad) bleek bij de natuurtoets teveel negatieve effecten te hebben op de natuur, met name op de populatie ganzen die daar een foerageer gebied hebben.
Vraag raadslid:
Op 8 december jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
PB-Bakhuizen wilde eind november een bijeenkomst organiseren voor de inwoners van Bakhuizen, Mirns, Rijs en Hemelum waarin de onderwerpen uit Denk Vooruit zouden worden besproken en om daarmee vooral ook bewustwording onder de inwoners op te wekken. Het zou een bijeenkomst worden georganiseerd door Dorpshulp BMRH en Caritas met een ondersteunende presentatie van DFM en Veiligheidsregio. Op de vraag was of dit onderwerp vanuit gemeentelijk en veiligheidsregio perspectief kon worden behandeld d.m.v. een presentatie door de veiligheidscoördinator, werd in eerste instantie positief gereageerd, maar in tweede instantie werd de toezegging weer ingetrokken. Caritas was bereid uit eigen budget onderdelen uit het noodpakket, zoals een radiootje, te betalen. De
teleurstelling was groot toen vrijwel direct na de uitnodiging voor een vervolg deze werd afgeblazen. Dit leidt bij ons tot de volgende vragen:
- Waarom is dit initiatief vanuit de bevolking, waarop in eerste instantie positief werd gereageerd, uiteindelijk afgeblazen?
- Zijn deze redenen met de initiatiefnemers gedeeld?
- Bent u het met ons eens dat dit initiatief vanuit de bevolking dat inzet op steun aan
overheidsbeleid waardering verdient? - Overweegt u alsnog een dergelijke bijeenkomst, bijvoorbeeld als pilot, te organiseren?
- Zo ja, kunt u dan al een deel van de sluier oplichten?
Antwoord namens college:
- Op het initiatief is er vanuit het betrokken team positief gereageerd en is er een eerste gesprek geweest met de aanvragers. Het betrokken team heeft na het eerste gesprek contact gezocht met de veiligheidsregio Fryslân voor expertise. De veiligheidsregio geeft aan dat er op dit moment veel aanvragen zijn voor een dergelijke presentatie, maar dat ze niet voldoende personeel hebben om deze presentaties te geven. De veiligheidsregio onderzoekt een oplossing door een netwerk met risicocommunicatieadviseurs op te zetten om dit vraagstuk regionaal op te pakken. Het lukt ook niet om vanuit het huidige team openbare orde en veiligheid een specifieke presentatie over noodpakketten te geven. Dit is kenbaar gemaakt aan de
initiatiefnemers. - Deze redenen zijn met de initiatiefnemers gedeeld in de mail van 21 november 2025.
- Als gemeente zien we de voordelen van dergelijke initiatieven vanuit de bevolking en worden deze inderdaad gewaardeerd. Helaas kunnen we niet aan alle verzoeken gehoor geven, en zeker niet op korte termijn, gezien de beschikbare middelen en prioriteiten. We staan open voor dialoog en mogelijke ondersteuning vanuit de veiligheidsregio om voor dit initiatief naar een passende oplossing te kijken.
- We hebben de veiligheidsregio om een update gevraagd en ze geven aan dat ze een lijst met contactpersonen van de gemeentes hebben en er in het nieuwe jaar (januari/februari) een eerste bijeenkomst georganiseerd zal worden. Vanuit daar wordt er verder invulling gegeven aan de volgende bijeenkomsten. Gelet op de beschikbare capaciteit in onze gemeente stellen wij ons op dit moment niet beschikbaar als pilot gemeente maar sluiten we wel aan bij deze projectgroep. Mochten er ontwikkelingen zijn vanuit deze projectgroep brengen we dit onder de
aandacht bij de dorpencoördinatoren. - Mocht er meer duidelijkheid komen dan zullen we de gemeenteraad hierover informeren.
Vraag raadslid:
Op 4 december jl. heeft u vragen met betrekking tot de realisatie van een fietspad Tacozijl-Nijemirdum. en pontverbinding Lemster Strand – Woudagemaal. De natuurtoets is uitgevoerd, de aanleg van het struinpad bij het Woudagemaal lijkt na aanpassingen mogelijk. U schrijft dat de daadwerkelijke uitvoering afhankelijk is van het verkrijgen van vergunningen.
- Wanneer denkt u deze in te dienen? Is dit afhankelijk van een eventuele aanvraag van de fietsverbinding Tacozijl-Nijemirdum?
- Is het, in verband met de voortgang niet raadzaam om de vergunningsaanvragen van elkaar los te koppelen?
Antwoord namens college:
In de eerste plannen werd uitgegaan van een struinpad en pontverbinding. De pontverbinding bleek niet haalbaar na gesprekken met waterschap en Unesco, het struinpad wel. De aanvraag van een vergunning voor het struinpad bij het Woudagemaal staat los van de aanvraag voor een vergunning voor de route Tacozyl-Nijemirdum. Aangezien we maatregelen hebben kunnen treffen aan het struinpad bij het Woudagemaal om de invloed op de natuur ongedaan te maken is de natuurtoets geen belemmering meer. In Q1 van 2026 zullen we dan ook de vergunningaanvraag bij het waterschap doen. Aangezien het project diverse malen is voor besproken met het waterschap verwachten wij voor het struinpad bij het Woudagemaal een positieve vergunning verlening.
Vraag raadslid:
Op 9 december jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Tijdens de recent gehouden dorpsavond in Ouwsterhaule is opnieuw de al vele jaren bestaande wens besproken voor de realisatie van een wandelpad en/of fietspad rond het dorp. Inwoners en lokale ondernemers hebben duidelijk aangegeven dat zij bereid zijn om hier in belangrijke mate zelfredzaam aan bij te dragen, mits helder is welke voorwaarden de gemeente stelt aan dit type inwonersinitiatieven. Om deze lokale energie effectief te benutten en een realistisch traject mogelijk te maken, stelt de fractie Kleurrijk Fryske Marren u de volgende vragen:
- Voorwaarden en beleidskaders
Welke voorwaarden, beleidsregels en toetsingskaders hanteert de gemeente momenteel voor zelfredzame dorpsinitiatieven, specifiek voor de aanleg van infrastructuur zoals wandelpaden of fietspaden? - Technische en juridische eisen
Kan het college inzichtelijk maken aan welke technische, juridische, veiligheids- en
grondgerelateerde eisen een door inwoners gerealiseerd wandel- of fietspad moet voldoen voordat uitvoering mogelijk is? - Financiële randvoorwaarden
Welke financiële voorwaarden of beperkingen stelt de gemeente aan initiatieven waarbij inwoners of lokale ondernemers zelf werkzaamheden uitvoeren (bijv. aansprakelijkheid, kostenverdeling, onderhoudsafspraken)? - Pilot Ouwsterhaule
a) Is het college bereid om Ouwsterhaule te beschouwen als pilotproject, waarbij in samenwerking met inwoners en lokale ondernemers wordt onderzocht hoe zelfredzaam een wandelpad of fietspad kan worden gerealiseerd?
b) Zo nee, waarom niet?
c) Zo ja, welke vervolgstappen ziet het college? - Aanspreekpunt en proces
Is het college bereid één vast aanspreekpunt of projectleider aan te wijzen voor dit initiatief, zodat inwoners duidelijk weten waar zij terechtkunnen voor informatie, kaders en afstemming? - Planning duidelijkheid
Binnen welke termijn kan het college de inwoners van Ouwsterhaule voorzien van de benodigde duidelijkheid, zodat zij kunnen starten met het uitwerken van een gedragen en uitvoerbaar plan?
Antwoord namens college:
- De Fryske Marren heeft het proces van inwoners -en overheidsparticipatie vastgelegd in het participatiebeleid ‘Wikselwurk’ en de participatie -en inspraakverordening De Fryske Marren 2023 te vinden op http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR694538
Onderdeel van dit beleid is de beleidsregel ‘Uitdaagrecht De Fryske Marren’. Dat betekent dat inwoners het recht hebben om een verzoek in te dienen om uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen, als zij denken deze taak beter en goedkoper uit te kunnen voeren. Deze beleidsregel is te vinden op
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-167176.html
Echter is het niet gewenst dat bewoners zelf infrastructuur met een openbaar karakter aanleggen. Meedenken in oplossingsrichtingen en (civieltechnisch)advies is uiteraard wel van toepassing. - Met het antwoord op vraag 1 is deze vraag ook deels beantwoord. We gaan niet mee in de gedachte dat een bewonersinitiatief zelf infrastructuur aanlegt.
In een eerder stadium is met plaatselijk belang gesproken over de wens van een vrij liggend fiets- en voetpad. In de brief aan Plaatselijk belang Ouwster-Trijegeaën van 27 juni 2024 onderwerp ‘reactie op brief aangaande onderzoek fietsvoorzieningen Lange Dijk/ Kampweg/Heerenweg te Ouwsterhaule’ (Z.784625) zijn de voorwaarden geschetst waaraan een vrij liggend fietspad langs deze weg aan moet
voldoen. Het blijkt niet mogelijk hier een volwaardig fietspad aan te leggen. (zie kopje ‘Beoordeling alternatief’) Ook wordt aangegeven dat de fietsveiligheid op een andere manier verbeterd zal worden. De brief is als bijlage toegevoegd aan de reactie op uw vragen. In de brief wordt echter niet verder ingegaan op het voorstel van een (halfverhard) wandelpad. Deze mogelijkheid kunnen we vanuit het uitdaagrecht middels gezamenlijk overleg onderzoeken. Wat kunnen de initiatiefnemers zelf doen
binnen de kaders en randvoorwaarden? - Het aanleggen van nieuwe infrastructuur is voor de gemeente een investering. De middelen welke hiermee gemoeid gaan moeten aangemeld worden via de Perspectiefnota zodat de gemeenteraad een integrale afweging kan maken om de middelen beschikbaar te stellen. Met andere woorden, het is nog niet besloten of dit pad er kan komen (technische eisen) en of de raad middelen beschikbaar stelt. Dit
betreft middelen voor aanleg en eventuele grondaankoop maar ook voor onderhoud en afschrijving. - Wat ons betreft leent het aanleggen van nieuwe infrastructuur zich niet voor het uitdaagrecht. Wel zien we mogelijkheden tot meedenken in overeenstemming met het door de raad vastgestelde Wikselwurkbeleid.
- Afhankelijk van de uitkomsten van een nader overleg tussen gemeente en plaatselijk belang kunnen we procesafspraken maken.
- Afhankelijk van de startdatum van het Wikselwurk proces kan er duidelijkheid komen binnen een doorlooptijd van twee maanden.
Vraag raadslid:
Op 8 december jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
- Het is ons duidelijk dat Heerenveen de gebiedsvisie vast moet stellen van het te bebouwen gebied. Maar is er geen enkele mogelijkheid dat DFM ook instemt met de visie, in plaats van kennisneemt?
- De gebiedsvisie gaat over het hele zoekgebied. Valt de grenscorrectie per definitie samen met de grenzen van het zoekgebied?
- Zo nee; is het dan niet logischer dat DFM het deel van de visie vaststelt dat over ons eigen grondgebied gaat?
- Onderdeel en voorwaarde van de ontwikkeling is onder andere een groenbuffer. Zou het een mogelijkheid zijn dat alleen het gebied dat in de gebiedsvisie wordt ingevuld met wonen overgaat naar Heerenveen? En dat het deel dat groenbuffer moet worden in eigendom blijft van gemeente DFM?
- Een groot deel van het zoekgebied is bestempeld als weidevogelkansgebied. Wat zijn daarvan de planologische consequenties?
- Dit zal natuurlijk een onderwerp zijn bij de verdere planologische invulling (na grensoverdracht), bijvoorbeeld bij het opstellen van een MER. Maar het is wellicht handiger en wenselijker om hier al bij de schets rekening mee te houden. Worden deze mogelijke kaders tijdig in kaart gebracht zodat daar rekening mee gehouden kan worden bij de ontwikkeling van de gebiedsvisie?
- Zoals ook door de portefeuillehouder aangegeven in het petear spelen er in en rond Oudehaske en Rottum (naast de weidevogelopgave) meerdere opgaves. Hebben we wel goed genoeg in kaart wat de impact van deze ontwikkeling is op deze dorpen, in combinatie met die andere opgaves? Hoe wordt daarmee omgegaan bij het opstellen van de gebiedsvisie?
- Hoe zien de precieze volgorde en tijdslijn van besluitvorming van beide gemeentes eruit?
Antwoord namens college:
- De gebiedsvisie wordt een beleidsdocument van de gemeente Heerenveen. Het biedt richtlijnen en uitgangspunten die later worden uitgewerkt in een stedenbouwkundig ontwerp (fase 2) en het Omgevingsplan Heerenveen (fase 3). Er is voor gemeenten geen wettelijk kader om in te stemmen met een beleidsdocument van een andere gemeente. De bestuursovereenkomst uit 2000 biedt hier ook geen ruimte in. Om de belangen van de omliggende dorpen en haar inwoners zo goed mogelijk te kunnen behartigen hebben beide colleges afgesproken om de gebiedsvisie in gezamenlijkheid op te stellen. De formele vaststelling gebeurt door de raad van
Heerenveen. Door de gebiedsvisie gezamenlijk op te stellen kunnen wij de facetten die onze inwoners direct raken zo goed mogelijk borgen. Het Participatieplan geeft aan op welke wijze wij hierin de omgeving betrekken. - Nee, zoals beschreven in het Plan van Aanpak (PvA) en de raadsmemo van 20 november jl. is de bepaling van de exacte grenscorrectie onderdeel van fase 1. Op pag. 8 van het PvA staat bij de alinea “Exacte positie van grenscorrectie” het volgende beschreven: “In de volgende fase wordt de nieuwe grens nauwkeurig bepaald. Daarbij wordt gekozen voor een logische en praktisch uitvoerbare afbakening. Voorlopig uitgangspunt is dat de woningen aan de Jousterweg en Binnendyk onderdeel blijven van de gemeente De Fryske Marren. De gemeenten hebben hier een regisserende en besluitvormende rol in”. In de raadsmemo hebben we ook aangegeven dat de
grens van Heerenveen-West aan de westzijde ten maximale de huidige 220 kilovolt
hoogspanningsleiding is. - Wij nemen de elementen, die betrekking hebben op ons grondgebied en de inwoners van De Fryske Marren direct raken, op in de omgevingsvisie van De Fryske Marren. Hierbij valt te denken aan infrastructuur/ontsluitingen van en naar de woonwijk, de groene buffer(s), effecten op de natuur, en recreatiemogelijkheden. Wij gaan in Q1 2026 starten met de herziening van de omgevingsvisie van De Fryske Marren en
streven ernaar om deze in Q4 2026 te kunnen vaststellen. Het proces van de gebiedsvisie Heerenveen-West is dan nog niet afgerond. Onderdelen die niet meekunnen in het tijdspad van onze omgevingsvisie 2026, nemen we dan mee bij de eerstvolgende herziening van onze omgevingsvisie 2029. - Bij het sluiten van de Bestuursovereenkomst in 2000 en het vaststellen van de Integrale Visie in 2005 is als uitgangspunt gehanteerd dat de groene buffers/zones tussen de woonwijk Heerenveen-West en de dorpen Oudehaske, Nijehaske en Rottum binnen de voormalige gemeente Skarsterlân (Nu De Fryske Marren) blijven. Zoals hiervoor bij punt 2 aangegeven wordt de exacte nieuwe grens nauwkeurig bepaald in fase 1.
- In het Rapport Omgevingsverkenner Heerenveen-West (bijlage 2 bij het PvA) is bij het onderdeel Ecologie o.a. aangegeven dat er vanuit de provinciale omgevingsverordening nog de gebiedsaanwijzingen ‘bos-en natuur buiten NNN’ en ‘weidevogelkansgebied en weidevogelparels’ gelden. Geadviseerd wordt om de mogelijkheden hierbinnen te bespreken met de provincie. Gezien de omvang van het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling wordt geadviseerd hier bij de planuitwerking rekening mee te houden en knelpunten in het plangebied snel duidelijk te hebben. Wij nemen deze aanbevelingen mee bij het opstellen van de gebiedsvisie.
- Zie hiervoor bij 5. Het hiervoor genoemd rapport geeft ook aan dat er nadere onderzoeken moeten worden gedaan voor o.a. verkeer, ecologie, natuur en gezondheid. Ook deze onderdelen nemen we mee bij het opstellen van de gebiedsvisie.
- We starten in Q1 2026 met het maken van een impactanalyse van Oudehaske, Nijehaske en Rottum. Wij gebruiken deze analyse als input voor het opstellen van de gebiedsvisie.
- Op pagina 9 van het PvA staat bij fase 1 het volgende beschreven:
- Opstellen gebiedsvisie met integrale benadering (ruimtelijk, programmatisch,
landschappelijk, technisch) inclusief noodzakelijke onderzoeken (Q3 2026 – Q2 2027) - Zienswijze gebiedsvisie (De Fryske Marren) (Q2 2027)
- Vaststelling samenwerkingsovereenkomst (Q2 2027)
- Vaststelling gebiedsvisie (Heerenveen), kennisneming van de vastgestelde gebiedsvisie (De Fryske Marren) en besluitvorming grenscorrectie (Heerenveen en De Fryske Marren) (Q2 2027)
Bovenstaande opsomming geeft de volgorde en tijdlijn aan. Heerenveen en De Fryske Marren stellen samen de gebiedsvisie op. Het voorlopig ontwerp van de gebiedsvisie wordt eerst door Heerenveen inspraakrijp verklaard. Vervolgens kunnen wij als De Fryske Marren zienswijzen . Daarna stelt Heerenveen een reactienota op en stelt de gebiedsvisie vast. De Fryske Marren kan vervolgens kennis nemen van de vastgestelde gebiedsvisie. Op het moment van kennisnemen van de vastgestelde gebiedsvisie, vindt eveneens besluitvorming plaats in beide raden over de samenwerkingsovereenkomst en de grenscorrectie. Dit alles is voorzien voor Q2 2027.
Vraag raadslid:
Op 5 december jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Onlangs heeft de VVD-fractie vragen gesteld over de onrust onder een aantal ondernemers in de Lemster Hoek. In de beantwoording heeft u aangegeven dat er stappen worden gezet maar dat het enige tijd kan duren voordat de resultaten daarvan zichtbaar zijn. Waar u in de beantwoording van de vragen niet op ingaat is het gevoel van onveiligheid dat onder een aantal ondernemers en bewoners leeft als gevolg van intimidaties en serieuze bedreigingen. Dat leidt tot de volgende vragen:
- Bent u op de hoogte van deze intimidaties en bedreigingen?
- Hoe denkt u dit probleem aan te vatten zodat de mensen op de Lemster Hoek weer met een
gerust hart de straat op durven?
Antwoord namens college:
- Als gemeente zijn we in zoverre op de hoogte door wat er in de media staat. Concreet zijn wij op de hoogte van de intimidatie dat iemand van het Lemster Nijs zijn of haar stuk niet zou moeten publiceren. Verder zijn er bij ons geen geluiden bekend van bedreigingen of intimidatie.
- Nadat in het verleden al gezamenlijk acties in dit gebied zijn uitgevoerd, is binnen De Fryske Marren met betrokken instanties een overleg gestart over hoe de problematiek van de Lemster Hoek gezamenlijk verder aan te pakken. Mochten er inwoners zijn die zich bedreigd of onveilig voelen, dan willen we hun adviseren om dit te melden bij de politie, desgewenst via Meld Misdaad Anoniem.
Vraag raadslid:
Op 11 december jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
De VVD is door een ondernemer die graag een padelhal in Joure wil openen benaderd. Dit roept bij de VVD de volgende vragen op:
- Waarom is de conceptaanvraag ingediend december vorig jaar nooit behandeld?
- Wanneer krijgt de ondernemer te horen of hij de vergunning krijgt voor de aanvraag die nu is ingediend?
- Waarom is er nooit gereageerd op het verzoek om met de portefeuillehouder om tafel te gaan in het voorjaar en is er in oktober gekozen om direct te handhaven in plaats van een gesprek aan te gaan?
- Wanneer gaat het college op locatie kijken wat deze ondernemer heeft gerealiseerd?
Antwoord namens college:
- De conceptaanvraag is behandeld. De behandeling heeft echter langer geduurd om een aantal redenen. Ten eerste is dit dossier vanwege personeelswisselingen langer blijven liggen. Ten tweede bleek al snel dat het verzoek in strijd is met het omgevingsplan. Eerder hebben in 2023 een gelijksoortig verzoek gehad voor het realiseren van indoor padelbanen op een bedrijventerrein binnen de gemeente. Hierbij
speelde ook het sport- en beweegbeleid een rol. Bij dat verzoek was geen sprake van een clustering van sportfuncties op bestaande locaties waar sport al is toegestaan. Ook was bij die nieuwe voorziening in beginsel geen sprake van een samenwerking met bestaande sportverenigingen. Destijds is om bovenstaande redenen het verzoek afgewezen. Omdat het betreffende conceptverzoek van de ondernemer op een gelijksoortige ontwikkeling ziet, hebben we het op dezelfde wijze beoordeeld als in
2023. Omdat ondertussen meerdere verzoeken zijn binnengekomen voor indoor padelbanen op verschillende bedrijventerreinen binnen onze gemeente, ontstond de behoefte aan een gemeente breed afwegingskader voor het beoordelen van dit soort verzoeken. Op 30 september jl. heeft het college daarom besloten om het verzoek af te wijzen om duidelijkheid te bieden aan de ondernemer en om in te stemmen met het uitwerken van een afwegingskader voor het (onder voorwaarden) toestaan van indoor padelbanen op bedrijventerreinen. Dit is de ondernemer in de brief 9 oktober jl. kenbaar gemaakt. Op 14 oktober jl. heeft een gesprek plaatsgevonden met wethouder Van Hes en de ondernemer, waarin de brief van 9 oktober nader is toegelicht. In Q1 2026 wordt verwacht het ontwerpbeleidskader voor indoor
padelbanen op bedrijventerreinen te kunnen bespreken met de portefeuillehouder. Om het ontwerpbeleidskader vervolgens ter inzage te kunnen leggen zal een collegeadvies worden voorbereid, en gelijktijdig wordt de raad via een memo geïnformeerd over de stand van zaken.’ - Op 11 november jl. heeft de ondernemer een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Deze aanvraag was nog niet volledig. Er zijn daarom aanvullingen gevraagd. Daarbij is ook kenbaar gemaakt dat op dit moment er nog geen afwegingskader is vastgesteld. Zolang dit afwegingskader nog niet is vastgesteld, zal de aanvraag op dezelfde wijze worden beoordeeld als het conceptverzoek en zal de aanvraag geweigerd worden. Dit betekent ook dat zolang de aanvraag nog in behandeling is, en in de tussentijd de padelbanen alsnog in gebruik worden genomen, wij handhavend zullen optreden. Mocht gedurende behandeling van de aanvraag het afwegingskader worden vastgesteld, dan zal de aanvraag getoetst worden aan dit nieuwe afwegingskader. Voor de aanvraag geldt een reguliere behandeltermijn van 8 weken. Deze kan met 6 weken verlengd worden.
- In het voorjaar van 2024 heeft de ondernemer een verzoek gedaan om met de portefeuillehouder in gesprek te gaan. Aanvankelijk was het onduidelijk tot welke portefeuillehouder dit verzoek zich richtte. In eerste instantie werd namelijk gedacht aan de portefeuillehouder Economische Zaken. Vanwege deze onduidelijkheid is het verzoek ambtelijk blijven liggen. Toen later bleek dat het verzoek gericht was aan
de portefeuillehouder Vergunningen is zo snel mogelijk een gesprek in gepland, zie ook de reactie op vraag 1. En (waarom) is er in oktober gekozen om direct te handhaven in plaats van een gesprek aan te gaan? In september ontvingen wij signalen dat de ondernemer adverteerde op sociale media met de opening
van de indoor padelbanen. De toezichthouder is destijds bij de ondernemer langs geweest en heeft aangegeven dat het gebruik van de indoor padelbanen in strijd is met het omgevingsplan en dat er sprake is van een overtreding op het moment dat de padelbanen open zouden gaan zonder omgevingsvergunning. Ondanks deze waarschuwing, werd er nog steeds geadverteerd met de opening van de padelbanen op 13 oktober 2025. Zoals eerder aangegeven is op 9 oktober 2025 de eindbrief op
het conceptverzoek verstuurd, waarin is aangegeven dat we niet kunnen meewerken aan een omgevingsvergunning voor de indoor padelbanen. Daarna is 10 oktober een preventieve last onder dwangsom opgelegd om de aangekondigde opening op 13 oktober te voorkomen. De ondernemer heeft een voorlopige voorziening bij de rechtbank Noord-Nederland gevraagd. De voorzieningenrechter heeft
beoordeeld dat de indoor padelbanen in strijd zijn met het omgevingsplan en dat handhavend opgetreden mocht/moet worden. De volledige uitspraak is te vinden via deze link. - Zoals eerder aangegeven is de toezichthouder op locatie geweest. Het college is op de hoogte van de huidige situatie ter plaatse.
Vraag raadslid:
Op 5 november jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van eerdere mondelinge vragen tijdens de raadsvergadering van 4 november over het zwembad in Lemmer Ny Sudserse die helaas onvoldoende zijn beantwoord, stelt de fractie deze vraag nu schriftelijk.
- Kan het college toelichten in hoeverre de gemeente invloed heeft gehad op de aanbesteding en het exploitatiecontract en dan vooral over de activiteiten die er plaats moeten vinden in het zwembad?
- Welke voorwaarden of richtlijnen zijn door de gemeente gesteld met betrekking tot de
activiteiten die in het zwembad moeten plaatsvinden, en specifiek voor het aanbieden van zwemlessen? - Welke maatregelen zijn opgenomen om te waarborgen dat zwemlessen een duidelijke prioriteit blijven binnen het nieuwe exploitatiemodel van Sudersee?
Toelichting:
Zwemlessen vervullen een belangrijke maatschappelijke functie, zowel voor de veiligheid van onze inwoners. De fractie van Kleurrijk Fryske Marren hecht er daarom groot belang aan dat de gemeente hierin een actieve en richtinggevende rol neemt, zeker nu het zwembad in Lemmer opnieuw wordt geëxploiteerd.
Antwoord namens college:
Vraag 1
Kan het college toelichten in hoeverre de gemeente invloed heeft gehad op de aanbesteding en het exploitatiecontract en dan vooral over de activiteiten die er plaats moeten vinden in het zwembad?
Antwoord college
De gemeente en Mondeel Recreatie BV (Mondeel) hebben juridisch onderaanbesteding van de exploitatie ingeregeld. Het is aan Mondeel om die aanbesteding te houden en een nieuwe exploitant te vinden. De gemeente mag zich daar, gelet op de aanbestedingsregels, niet mee bemoeien. Voor Mondeel en de gemeente blijven, ook als Mondeel een nieuwe exploitant heeft gevonden, de contractuele afspraken verwoord in de oorspronkelijke overeenkomst, sideletters 1, 2 en 3 en de geactualiseerde afspraken maatschappelijk gebruik zwembad Ny Sudersé, van toepassing. Deze documenten treft u vertrouwelijk aan bij de stukken bij de raadsvergadering van 18 december 2024. Het raadsmemo ‘aanvulling overeenkomst exploitatie zwembad’ (sideletter 3) is vertrouwelijk in de nieuwsbrief van 11 juli 2025 ter kennisname gestuurd.
Vraag 2
Welke voorwaarden of richtlijnen zijn door de gemeente gesteld met betrekking tot de activiteiten die in het zwembad moeten plaatsvinden, en specifiek voor het aanbieden van zwemlessen?
Antwoord college
Zie het antwoord bij vraag 1 voor zover het gaat om contractuele afspraken.
Vraag 3
Welke maatregelen zijn opgenomen om te waarborgen dat zwemlessen een duidelijke prioriteit blijven binnen het nieuwe exploitatiemodel van Sudersee?
Antwoord college
Mondeel en de gemeente hebben afgesproken dat bij de verantwoording de geactualiseerde afspraken maatschappelijk gebruik zwembad Ny Sudersé leidend zijn.
Vraag raadslid:
Op 28 november jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Met betrekking tot de jaarstukken 2024 heeft de CDA-fractie onder andere aandacht gevraagd voor de realisatie fietspad tussen Tacozijl-Nijemirdum en pontverbinding strand Lemmer – Woudagemaal. Uw antwoord destijds op onze vraag was dat wanneer de nodige vergunningen afgegeven zijn de uitvoering eind 2025 gestart kan worden.
Vraag: wat is de huidige stand van zaken?
Antwoord namens college:
De benodigde natuurtoetsen zijn inmiddels uitgevoerd voor het fietspad Nijemirdum en het struinpad Woudagemaal. Met aanpassingen valt het struinpad bij het Woudagemaal te realiseren. Het fietspad Tacozijl-Nijemirdum heeft de toets niet doorstaan. We zijn met het waterschap en de provincie in overleg hierover aangezien dit voor meer projecten van Versterken Friese IJsselmeerkust geldt. Een mogelijke oplossing is het fietspad wijzigen in een struinpad maar dan zijn er nog steeds problemen met de natuurtoets. Zodra dit is vlot getrokken (als dat al lukt) dan wordt er voor beide projecten vergunning aangevraagd. Met het waterschap zijn we ook nog in overleg voor beide projecten over een overeenkomst waarin gebruik en beheer & onderhoud worden geregeld. Als dat is afgerond kan het struinpad bij het Woudagemaal worden aangelegd. Voor het fietspad Nijemirdum blijven wij proberen om het toch vergunbaar te krijgen, het waterschap heeft immers geen bezwaar tegen medegebruik van de primaire kering en de provincie wil ook graag ontwikkelingen die zorgen voor bereikbaarheid van de Friese IJsselmeerkust en het bevorderen van Recreatie & Toerisme.
Vraag raadslid:
Op 13 november jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van uw antwoord op onze eerdere vraag over de prioriteit van zwemlessen binnen het nieuwe exploitatiemodel van zwembad Sudersee, lazen wij dat Mondeel en de gemeente hebben afgesproken dat bij de verantwoording de geactualiseerde afspraken maatschappelijk gebruik zwembad Ny Sudersé leidend zijn.
- Wij willen graag precies weten wat er in deze geactualiseerde afspraken is opgenomen.
- Daarnaast ontvangen wij graag een duidelijke omschrijving van hoe de aandacht voor
zwemlessen maximaal wordt gewaarborgd binnen deze afspraken en in de uitvoering daarvan.
Antwoord namens college:
- Wij willen graag precies weten wat er in deze geactualiseerde afspraken is opgenomen.
Antwoord college:
De gemeenteraad heeft via de nieuwsbrief van 30 juli 2021 kennis kunnen nemen van het raadsmemo “Geactualiseerde afspraken maatschappelijk gebruik zwembad Ny Sudersé” en de daarbij behorende bijlage met een overzicht van deze geactualiseerde afspraken. Deze stukken zijn als bijlage bij deze beantwoording gevoegd. - Daarnaast ontvangen wij graag een duidelijke omschrijving van hoe de aandacht voor
zwemlessen maximaal wordt gewaarborgd binnen deze afspraken en in de uitvoering daarvan.
Antwoord college:
De geactualiseerde afspraken verwijzen onder meer naar de beschikbaarheid van het zwembad. Ingeval het zwembad niet of niet volledig beschikbaar is voor zwemlessen is Mondeel Recreatie BV in verzuim en stellen wij Mondeel Recreatie BV in gebreke.
Vraag raadslid:
Tijdens het vragenhalfuur op 4 november jl. werden de volgende vragen gesteld:
Uitgebaggerde Nannewiid blijkt vol gegroeid te zijn met waterplanten, onder anderen aardvederkruid.
Daardoor is de recreatieve functie meer verloren gegaan. Suppen, varen, kanovaren, zeilen, etc. het was afgelopen jaar allemaal niet mogelijk. Voor recreanten, toeristen, buurtbewoners, en gebruikers/bewoners van het naast gelegen nieuwe chaletpark is dat jammere zaak. Zij hebben hier niet op gerekend en recreëren wordt minder aantrekkelijk. Wetterskip Fryslân zegt blij te zijn met de woekergroei omdat het water er schoon erdoor zou blijven en blauwalg minder kans krijgt. Niettemin belevingsschade en financiële schade want er is meer onderhoud nodig. Daarom volgende vragen:
- Waren deze gevolgen van baggerwerk voorzien?
- Onderkent u de vervelende situatie?
- Welke rol speelt het waterschap?
- Welke maatregelen overweegt u?
Antwoord namens college:
- Waren deze gevolgen van baggerwerk voorzien?
Nee, de gevolgen waren niet voorzien. - Onderkent u de vervelende situatie?
Ja, wij erkennen de vervelende situatie. - Welke rol speelt het waterschap?
Het Wetterskip Fryslân is de initiatiefnemer van het baggerwerk geweest. In 2022 is op initiatief van het Wetterskip Fryslân een aanvraag ingediend en gehonoreerd door de Europese Unie voor baggeren ten behoeve van de waterkwaliteitsverbetering van het Nannewiid vanuit de Kader Richtlijn Water. Vanuit het Wetterskip Fryslân vindt hierop monitoring plaats. - Welke maatregelen overweegt u?
Als gemeente overwegen we vooralsnog geen maatregelen. Het eigendom van het Nannewiid is grotendeels van Staatsbosbeheer en van particulieren. Als gemeente nemen wij ambtelijk (periodiek) deel aan een adviestafel Nannewiid waarin over diverse onderwerpen rondom het Nannewiid wordt gesproken. In de adviestafel is onder andere afgesproken een beheer en onderhoudsplan voor het Nannewiid op te stellen. Dit met betrekking tot de ecologie, waterkwaliteit en borging van de
recreatieve functie. Daarvoor neemt het Wetterskip samen met Staatsbosbeheer het initiatief. Aan de initiatieftafel neemt de provincie, Staatsbosbeheer, het Wetterskip Fryslân, onze gemeente en Dorpsbelang deel.
Vraag raadslid:
Op 4 november jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Fietspad Rottum – Heerenveen
Inwoners geven aan dat het fietspad richting Heerenveen nog steeds geen belijning heeft, terwijl al jaren geleden is aangelegd en al geruime tijd geleden is toegezegd dat de belijning zou worden aangebracht.
Fietsers ervaren het fietspad nu als onduidelijk en verkeersonveilig, met name in de donkere maanden.
- Kan het college aangeven waarom de belijning nog niet is aangebracht?
- Wanneer kan dit alsnog worden gerealiseerd?
Antwoord namens college:
- Het fietspad tussen Rottum en Heerenveen langs de N924 is in eigendom, beheer en onderhoud van de provincie Fryslân. De provincie heeft tijdens een fysiek overleg en per mail aan de gemeente en plaatselijk belang Rottum bevestigd dat het aanbrengen van de markering op de fietspaden in het buitengebied op de planning staat.
- Het college kan dit niet realiseren aangezien het niet ons fietspad is, maar we zullen contact opnemen met de provincie over de status en er tegelijk op aandringen om de markering op het fietspad nog dit jaar aan te brengen.
Vraag raadslid:
Op 4 november jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Lemmer – Eintsje van de Daam in Lemmer.
Bij Lemmer is het Eintsje van de Daam al langere tijd in slechte staat. Hier is volgens bewoners en gebruikers meerdere keren op gewezen, maar tot op heden is er geen zichtbaar onderhoud uitgevoerd.
- Kan het college toelichten waarom hier nog geen actie op is ondernomen?
- Wanneer staat onderhoud of herstel gepland?
Antwoord namens college:
- Het groot onderhoud aan het voetpad Eintsje van de Daam is uitgesteld omdat er breder gekeken moet worden naar de toegang voor iedereen. We streven naar een toegankelijk openbare ruimte voor iedereen. Hier passen trappen niet bij voor mensen die minder goed ter been zijn of hulpmiddelen nodig hebben. Tussentijds is er wel klein onderhoud uitgevoerd om risico’s op letsel te minimaliseren.
- Het grootonderhoud wordt nu in het jaarplan 2026 opgevoerd. Het aanpassen van de trappen vergt een extra investering. Deze zal via de reguliere lijn lopen van de begrotingsaanvragen.
Vraag raadslid:
Op Lemsternijs hebben we kunnen lezen dat er momenteel overlast is op de bedrijventerreinen in Lemmer.
- Wat is hier aan de hand?
- Wat gaat de gemeente tegen deze overlast doen?
Antwoord namens college:
- Het artikel op het Lemsternijs geeft een beeld van een aantal situaties op bedrijventerreinen in Lemmer. Dit artikel laat zien dat er materieel en spullen langs de openbare weg of op terreinen van ondernemers staan waardoor het bedrijventerrein in zijn geheel een onverzorgd beeld heeft. Wij zijn hier al voor het verschijnen van het artikel over op de hoogte gesteld door diverse ondernemers, die gevestigd zijn op de Lemsterhoek. Deze ondernemers hebben ons gevraagd om hier wat aan te doen.
- Wij herkennen de signalen en zijn ons ervan bewust dat deze uitstraling effect kan hebben op ondernemers die het perceel rondom hun bedrijf zo netjes mogelijk houden. We nemen de signalen dan ook serieus. Waar het mogelijk was, is er direct een handhavingstraject opgestart. Deze trajecten bevinden zich in verschillende fases en zijn mogelijk niet voor alle ondernemers (direct) zichtbaar. Wij moeten ons houden aan wettelijke termijnen en procedures; zo moeten wij bijvoorbeeld de betreffende ondernemers in staat stellen om zelf maatregelen te nemen binnen een bepaalde periode. Daardoor duurt het soms langer voordat resultaten merkbaar zijn. Daarnaast inventariseren wij de problematiek op Lemsterhoek en geven daar een passend vervolg aan, zodat dit leidt tot een aantrekkelijker bedrijventerrein.
Vraag raadslid:
Tijdens het vragenhalfuur op 4 november jl. werden de volgende vragen gesteld:
Oud-president Knot van de Nederlandse bank gaat op zoek naar financiële middelen voor realisatie van de Lelylijn. Dit spoortracé achten wij OF van groot belang voor leefbaarheid van het noorden, duurzame mobiliteit, optimaliseren Friese infrastructuur en economie Friesland en DFM. Tot nu heeft onze gemeente zich niet achter Lelylijn geschaard en evenmin deelgenomen aan noordelijke campagne half jaar geleden. Naam van onze gemeente schitterde als enige organisatie in de 4 noordelijke provincies van afwezigheid. Daarom volgende vragen:
- Wat is de mening college van B&W over Lelylijn?
- Wat is de mening van het college over de opdracht van de heer Knot?
- Gaat u zich actief opstellen of lobbyen?
- Ziet u kansen om Knot te helpen?
- Gaat u een statement maken?
Antwoord namens college:
- Het coalitieakkoord “Fûnemint foar moarn” en de raadsbehandelingen over de Lelylijn van 8 mei en 23 oktober 2024 zijn voor ons het kader waarbinnen wij als college handelen.
- De opdracht van de heer Knot past binnen de afspraken die Rijk en regio hebben gemaakt over het opstellen van een Masterplan Lelylijn. De heer Knot komt in februari 2026 met zijn bevindingen over de financieringsmogelijkheden van een Lelylijn.
- Wij blijven ambtelijk en bestuurlijk aangesloten op het proces. Gelet op het coalitieakkoord en de onder 1 genoemde raadsbehandelingen, zien wij geen mandaat om actief te gaan lobbyen.
- Zie hiervoor de antwoorden onder 2 en 3. Wij wachten de bevingen van de heer Knot en de projectorganisatie Lelylijn af.
- Zie hiervoor de antwoorden onder 1 en 3. Wij gaan als college geen statement maken over de Lelylijn. In het coalitieakkoord staat: “Als de Lelylijn er komt, dan zijn we actief betrokken bij de gevolgen van die komst voor De Fryske Marren”.
Vraag raadslid:
Op 23 oktober jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
In de wijk Zuiderveld in Joure is de gemeente bezig met een verbeteringsslag ten aanzien van jeugd en gezonde buurten.zie ook: https://www.defryskemarren.nl/projecten/gezonde-buurt-zuiderveld-joure
Tot de bewoners hun genoegen worden er leuke toestellen geplaatst en ervoor gezorgd dat kinderen kunnen spelen. Wawar echter minder naar wordt gekeken is de ruimte voor de bewoners om hun auto kwijt te kunnen. Alleen al in de Rinzemastraat is er een groot en nijpend probleem ontstaan betreffende de vele verkeersbewegingen. In de avond is bijna onmogelijk om zonder problemen door de straat te rijden omdat je overal moet uitkijken voor auto’s die uitsteken langs de weg. Nu zien wij een voorbeeld voorbij komen waar er een zogenaamd speelplek zal komen met mogelijk speeltoestellen.
Had het in dit geval niet beter geweest om op de kale plek een paarkeerplaats voor een 5-tal auto’s te realiseren en daarachter een speelplek te situeren? Kinderen kunnen dan veiliger oversteken en er is meer ruimte voor de verkeersbewegingen waardoor er een veiligere situatie voor iedereen wordt gecreeerd.

Had het in dit geval niet beter geweest om op de kale plek een paarkeerplaats voor een 5-tal auto’s te realiseren en daarachter een speelplek te situeren? Kinderen kunnen dan veiliger oversteken en er is meer ruimte voor de verkeersbewegingen waardoor er een veiligere situatie voor iedereen wordt gecreeerd.
Wat ook tot de ergenissen van de bewoners behoord zijn de zogenaamde druppels in de weg waar een stuk groen is gesitueerd. Deze groeien tot soms wel 40 centimeter hoog en het lijkt erop dat niemand de stukjes groen van nog geen vierkante meter onderhoud.

Antwoord namens college:
- Had het niet beter geweest om op de kale plek een parkeerplaats voor een 5-tal auto’s te realiseren?
Nee, het realiseren van parkeerplekken is binnen het project Gezonde Buurt niet mogelijk. Het project Gezonde Buurt gaat over het bevorderen van gezondheid in de wijk door de fysieke leefomgeving in samenspraak met wijkbewoners aan te passen op gebied van de thema’s natuur, bewegen (spelen) en ontmoeten in de wijk Zuiderveld.
In de nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren is vastgesteld dat een acceptabele loopafstand tussen wonen en parkeren 150 meter bedraagt. In de Rinzemastraat is binnen deze 150 meter altijd een beschikbare parkeerplaats voorhanden. Bij verzoeken om meer parkeergelegenheid in een bepaalde omgeving wordt altijd beoordeeld of er binnen 150 meter vrije parkeerplekken zijn. Indien nodig wordt er een parkeeronderzoek (parkeerdrukmeting) gedaan.
Verder wordt bij groot onderhoud aan wegen, of een omvangrijke renovatie van (een deel van) een wijk, altijd gekeken of er wijzigingen wenselijk en nodig zijn in het aantal parkeerplaatsen in de omgeving. - Wie is verantwoordelijk voor het onderhoud van deze ‘druppels’ (stukjes groen) in de weg, en waarom worden ze niet onderhouden?
Het klopt dat deze stukjes groen er niet goed bij stonden en aan onze aandacht zijn ontsnapt. We gaan de hoekjes waar de beplanting niet goed meer is aanpakken. De beplanting wordt vervangen, alles wordtweer netjes gemaakt en bijgehouden.
Vraag raadslid:
Op 9 oktober jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Op 1 oktober heeft de raad in meerderheid een voorbereidingsbesluit genomen om uitbreiding en nieuwvestiging van sierteelt te voorkomen. In die raadsvergadering heeft de CDA fractie aangegeven dat het stuk te veel open eindjes bevat en dus niet besluitrijp is. Inmiddels bereiken ons al verschillende vragen die we via deze route willen stellen voor duidelijke antwoorden. Ook heeft de CDA fractie de koppeling met de 50 meter spuitvrije zone ingebracht. Op 26 mei is besloten om dit, én een verbod op uitbreiding verder uit te werken. Volgens het CDA zijn de keuze voor optie 2 én 3 wel degelijk aan elkaar
verbonden en hadden we ze ook gezamenlijk moeten behandelen omdat het ene besluit effect heeft op de uitwerking van de andere. In de raadsvergadering gaf wethouder Groeneveld te werken aan een spuitvrije zone voor nieuwe situaties en dit in later stadium in te regelen via het omgevingsplan. Uit jurisprudentie blijkt dat inderdaad voor nieuwe situaties dit een mogelijkheid kan zijn.
- Werkt het college specifiek aan een spuitvrije zone voor nieuwe situaties omdat het bij bestaande situaties niet mogelijk is?
- Door het nemen van het voorbereidingsbesluit is het toch de bedoeling dat er geen nieuwe situaties meer ontstaan?
- Waarvoor dient er dan nog een spuitvrije zone uitgewerkt te worden als bovenstaande vragen met “ja” beantwoord worden?
- Nieuwvestiging staat op google omschreven als de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie waar geen agrarische bestemming op zit (Bron; begrippenomgevingswet.nl). Een bestaand bouwblok kan uit meerdere percelen bestaan. Als hierop gerouleerd wordt is dit geen uitbreiding en geen nieuwvestiging. Kan er binnen het bouwblok/vestiging (kavel van een agrariër) nog gerouleerd worden?
- Onder sierteelt worden verschillende teelten genoemd zoals o.a. Lelies, tulpen, hyacinten en pioenrozen. Kunnen deze onderling de percelen uitwisselen? Dus lelies op en perceel waar eerder tulpen stonden en andersom of met andere teelten?
- Pioenrozen is een 2-jarige teelt en kan nooit op eenzelfde perceel. Valt deze wel onder
wisselteelt en zo ja, hoe wordt dit meegenomen?
In afwachting van de antwoorden op deze vragen, willen wij aangeven dat er meer zulke vragen spelen en wij mogelijk op ander tijdstip met nieuwe, dan wel vervolgvragen komen.
Antwoord namens college:
Reactie op inleidende alinea vragen:
Op 26 mei 2025 heeft de gemeenteraad kennis genomen van zaken rondom het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en besloten dit te reguleren. De gemeenteraad heeft daarbij voor de volgende richting gekozen:
- Nieuwe situatie:
Verbod vestiging nieuwe sierteelt
Én uitbreidingsverbod bestaande sierteelt - Bestaande situatie:
Een spuitvrije zone van 50 m aan te houden voor sierteelt t.o.v. een gevoelige functie
Het instellen van een verbod én het instellen van een spuitvrije zone wil de gemeenteraad regelen met een wijziging van het omgevingsplan. Dit kost tijd.
Vooruitlopend op een wijziging van het omgevingsplan heeft de gemeenteraad alvast een verbod ingesteld voor sierteelt op percelen waar dat nog niet plaatsvindt: dus geen nieuwvestiging van sierteelt en ook geen uitbreiding van sierteelt meer. De gemeenteraad heeft dit verbod ingesteld via het nemen van een voorbereidingsbesluit.
Het instellen van de gewenste spuitvrije zone kan niet via een voorbereidingsbesluit. Het is juridisch niet mogelijk om met een voorbereidingsbesluit bestaand, legaal gebruik te verbieden. De gewenste spuitvrije zone kan wel via een wijziging van het omgevingsplan of via het opleggen van een maatwerkvoorschrift worden geregeld. Deze processtappen worden nu opgepakt.
Beantwoording vragen:
- Werkt het college specifiek aan een spuitvrije zone voor nieuwe situaties omdat het bij bestaande situaties niet mogelijk is?
Nee, het college werkt niet aan een spuitvrije zone voor nieuwe situaties. Het is onjuist om daarvan te spreken, omdat nieuwe sierteelt sinds 3 oktober niet meer is toegestaan. De spuitvrijezone heeft uitsluitend betrekking op bestaande situaties. - Door het nemen van het voorbereidingsbesluit is het toch de bedoeling dat er geen nieuwe situaties meer ontstaan?
Klopt. - Waarvoor dient er dan nog een spuitvrije zone uitgewerkt te worden als bovenstaande vragen met “ja” beantwoord worden?
Zie het antwoord op vraag 1. - Nieuwvestiging staat op google omschreven als de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie waar geen agrarische bestemming op zit (Bron; begrippenomgevingswet.nl). Een bestaand bouwblok kan uit meerdere percelen bestaan. Als hierop gerouleerd wordt is dit geen uitbreiding en geen nieuwvestiging. Kan er binnen het bouwblok/vestiging (kavel van een agrariër) nog gerouleerd worden?
Nieuwe sierteelt op een perceel waar dit nog niet eerder heeft plaatsgevonden mag niet. Bestaande bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, maar deze mogen niet worden uitbreid. Als een agrariër meerdere percelen ter beschikking heeft, dan mag dus alleen sierteelt plaatsvinden op de percelen waar al eerder sierteelt is verricht. In het voorbereidingsbesluit is wel een uitzondering opgenomen, namelijk het gebruik van biologische middelen. Als biologische middelen worden ingezet, kan er dus wel nieuwe sierteelt plaatsvinden. - Onder sierteelt worden verschillende teelten genoemd zoals o.a. Lelies, tulpen, hyacinten en pioenrozen. Kunnen deze onderling de percelen uitwisselen? Dus lelies op en perceel waar eerder tulpen stonden en andersom of met andere teelten?
Klopt. - Pioenrozen is een 2-jarige teelt en kan nooit op eenzelfde perceel. Valt deze wel onder
wisselteelt en zo ja, hoe wordt dit meegenomen?
Een logische uitleg van het begrip wisselteelt is dat het planten van bloemen of bloembollen op een perceel waar eerder sierteelt heeft plaatsgevonden, hetzij in de vorm van bloembollen, hetzij in de vorm van bloemen. Pioenrozen kunnen vallen onder wisselteelt als er op het betreffende perceel al eerder een ander siergewas heeft gestaan. Het is niet toegestaan om pioenrozen te planten op een perceel
waar niet eerder een vorm van sierteelt heeft plaatsgevonden.
Vraag raadslid:
Op 8 oktober jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Toelichting:
De Hoge Raad heeft in het zogenoemde Didam-arrest (26 november 2021) bepaald dat overheden bij de verkoop, verhuur of uitgifte van onroerende zaken het gelijkheidsbeginsel moeten respecteren. Dat betekent dat dergelijke transacties op een transparante, objectieve en controleerbare wijze moeten plaatsvinden. De gemeenteraad heeft als controlerend orgaan een verantwoordelijkheid om te borgen dat het gemeentebestuur hier juist mee omgaat.
Vraag:
- Op welke wijze borgt het college dat de gemeente handelt in lijn met het Didam-arrest en dat vastgoedtransacties (zoals verkoop, verhuur en gronduitgifte) op een transparante, objectieve en gelijke manier plaatsvinden?
- Beschikt de gemeente over een vastgelegd beleid of procedure voor toepassing van de Didamregels, en zo ja, hoe wordt dit in de praktijk toegepast en gemonitord?
Antwoord namens college:
- Op welke wijze borgt het college dat de gemeente handelt in lijn met het Didam-arrest en dat vastgoedtransacties (zoals verkoop, verhuur en gronduitgifte) op een transparante, objectieve en gelijke manier plaatsvinden?
Dat is geborgd in het beleid (zie onder 2 voor de beleidsstukken): Een voornemen tot verkoop, verhuur of in gebruikgeving wordt gepubliceerd via het gemeenteblad. In de publicatie wordt gemotiveerd waarom er sprake is van slechts één serieuze gegadigde. Mocht iemand menen óók een serieuze gegadigde te zijn, dan kan er binnen een termijn van 20 dagen een kort geding worden opgestart. Bij gronden waarbij meerdere serieuze gegadigden te verwachten zijn, zoals bij kavelverkoop of bij verpachting, wordt een openbare inschrijving georganiseerd. Zowel voor kavelverkoop als voor verpachting wordt gebruik gemaakt van een verloting conform vastgestelde procedures. - Beschikt de gemeente over een vastgelegd beleid of procedure voor toepassing van de Didamregels, en zo ja, hoe wordt dit in de praktijk toegepast en gemonitord?
De Didam-regels zijn verweven in al het toepasselijke beleid dat samenhangt met gronduitgifte:
Nota uitgifte Snippergroen (zie hoofdstuk 4.1);
Nota Grondbeleid 2024-2028 (zie o.a. 3.4, 6.2);
Notitie Grondprijs beleid 2024-2028 (zie 2.5);
Pachtbeheer gemeente De Fryske Marren 2025;
Procedure uitgifte vrije bouwkavels aan ontwikkelaars en aannemers;
Procedure uitgifte vrije bouwkavels aan particulieren.
Er wordt gemonitord op gebruik van bestaand beleid (zowel ambtelijk als bestuurlijk), waarbij gebruik wordt gemaakt van het vierogen-principe. Beleid wordt aangepast als nieuwe wet- en regelgeving daartoe aanleiding geven.
Vraag raadslid:
Op 30 september jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Politieke vragen n.a.v. het Petear 27 augustus 2025 Agendapunt 2.6 – Vragen aan portefeuillehouder:
Uit de beantwoording van de technische vragen van de GL/PvdA fractie n.a.v. het rapport
“Implementatie aanbevelingen bezwaarafhandeling Rekenkamerrapport en jaarverslag commissie voor de bezwaarschriften 2024”, blijkt dat het inlevingsvermogen van de gemeentelijke organisatie in wat inwoners beweegt om bezwaren te maken, beperkt is (zie de bijlage). Dit geeft ons aanleiding tot de volgende politieke vragen:
- Vraagt de gemeente na de definitieve afhandeling van een bezwaar, de bezwaarmakers om hun mening over de gevolgde procedure, inclusief eventuele suggesties voor verbetering.
- a. Zo nee, bent u bereid een dergelijke enquête systematisch uit te doen gaan
- b. Zo ja, wat zijn de resultaten van een analyse van de binnengekomen antwoorden.
- De kwaliteit van een besluit zal mede beïnvloed worden door de kwaliteit van de gevolgde procedure om tot dat besluit te komen. Houdt u – in dat licht bezien – staande dat de kwaliteit van besluiten en de gevolgde procedure het aantal bezwaarschriften niet beïnvloedt?
- a. Zo ja, waarop is die conclusie gebaseerd
- b. Zo nee: welke maatregelen overweegt u te nemen teneinde de kwaliteit van de
besluitvorming (zowel naar inhoud als naar procedure) te borgen zodat het aantal bezwaren geminimaliseerd wordt?
Antwoord namens college:
- Nee, op dit moment vormt het uitvragen van de mening van bezwaarmakers over de gevolgde procedure geen standaard onderdeel van onze werkwijze. Er wordt bijvoorbeeld geen enquête verstuurd na afloop van de bezwaarprocedure. In het kader van het Rekenkamer onderzoek ‘Bezwaren in De Fryske Marren’ is overigens aan 220 bezwaarmakers naar hun ervaring gevraagd, waarbij van 15 bezwaarmakers nadere informatie is verkregen over hun beleving van de procedure. Daarmee zijn geen representatieve resultaten verkregen.
Hoewel het uitvragen van ervaringen van bezwaarmakers een sympathieke gedachte is, zijn wij niet voornemens een dergelijke enquête systematisch uit te doen gaan. Het is maar zeer de vraag of een dergelijke enquête in de context van bezwaarprocedures effectief en representatief is. De uitkomst van een bezwaar kleurt vaak de beleving van de procedure, waardoor uit de feedback niet altijd een generiek oordeel kan worden gevormd. Daarnaast vraagt het opzetten van een structurele enquête om capaciteit, verwerking en opvolging, terwijl de opbrengst onzeker is. Er zijn bovendien al bestaande kanalen voor signalen en klachten. In de praktijk blijken informele gesprekken overigens vaak ook waardevoller dan een schriftelijke terugkoppeling. In plaats van een generieke uitvraag kan de gemeente beter investeren in persoonlijke benadering en maatwerk, waarmee het contact met bezwaarmakers direct wordt versterkt. - Uw stelling verdient ons inziens enige nuancering. In de bestuurlijke reactie op het Rekenkamer onderzoek ‘Bezwaren in De Fryske Marren’ hebben wij in reactie op aanbeveling 5 aangegeven dat de onderbouwing van die aanbeveling cijfermatig lijkt. Bij het Rekenkameronderzoek zelf is niet gekeken naar de juridische kwaliteit van de besluiten. In het verlengde hiervan hebben wij aangegeven dat wij in het algemeen aandacht hebben voor de kwaliteit van besluitvorming. Voor ons is het echter de vraag of er een relatie is tussen de kwaliteit van de hier bedoelde besluiten op grond van de Participatiewet en de Omgevingswet en de hoeveelheid bezwaren. De ervaring leert dat de reden om bezwaar te maken meer is gelegen in de aard van die besluiten. Bij de Participatiewet gaat het over besluitvorming die direct raakt aan de financiële bestaanszekerheid van betrokken inwoners. Bij de Omgevingswet gaat het over besluitvorming die direct ingrijpt in de nabije fysieke leefomgeving van inwoners. In beide gevallen kunnen inwoners hard geraakt worden door een besluit en dat is veelal de reden om een bezwaarschrift in te dienen. Niettemin zien wij dat hier getalsmatig ook de meeste winst valt te behalen en om die reden hebben wij ter borging van deze aanbeveling aansluiting gezocht bij aanbeveling 2 (zie in dat kader ook onze bestuurlijke reactie bij eerdergenoemd Rekenkameronderzoek). Het is nu nog te vroeg om over eventuele effecten van onze inzet ter zake te kunnen rapporteren.
Vraag raadslid:
Op 24 september jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Hierbij in bijlage het rapport van de Nationale Ombudsman d.d. 11 augustus 2025.
Dit betreft een zaak m.b.t. de WOZ, waarin de gemeente DFM haar afwijzende beslissing onvoldoende motiveert. Het oordeel is:
Op basis van het onderzoek vindt de Nationale Ombudsman de klacht over de heffingsambtenaar van de gemeente DFM gegrond.
Verzoek aan het college van B & W is:
Kunt u de gemeenteraad informeren over deze zaak en kunt u kort reflecteren op de handelwijze van de heffingsambtenaar.
Vragen aan het college van B & W:
- Waarom is de gemeenteraad tot op heden niet actief geïnformeerd over deze zaak?
- Kunt u kort ingaan op de 1e alinea van blz. 5, waarin wordt aangegeven dan de gemeente niet reageerde op de zaak?
- Wat is uw conclusie n.a.v. de opmerking van de N.O. dat het wenselijk was geweest dat er een onafhankelijke (klacht)behandelaar was aangesteld, naast de heffingsambtenaar?
- Wat is uw conclusie over het feit dat de heffingsambtenaar herhaaldelijk vraagtekens heeft gezet bij de rol van de ombudsman? (1e alinea blz. 11)
- Wat is uw oordeel over de conclusie op blz. 11?
- Wat is er gedaan met de aanbevelingen op blz. 11?
Graag wil de fractie van de ChristenUnie DFM in een bredere setting met u reflecteren op dit rapport.
Hierbij zouden volgens ons ook directie en teamleider middelen/financiën (heffingsambtenaar) betrokken moeten worden.
Antwoord namens college:
1 – Wij hebben het rapport ontvangen en zijn momenteel nog bezig met het opstellen van een reactie hierop. Wij verwachten deze reactie op korte termijn gereed te hebben. Zodra deze reactie gereed is, zal de raad hierover worden geïnformeerd.
2 – De heffingsambtenaar heeft de afgelopen jaren, op basis van aanvullende vragen, naar betrokkenen gereageerd en antwoord gegeven betreffende deze zaak. De Ombudsman vindt dat dit onvoldoende was gemotiveerd. We zijn nu bezig met het opstellen van een reactiebrief van het college aan de Ombudsman. Met deze brief wordt de aanvullende informatie alsnog verstrekt.
3 – Het werkveld van de heffingsambtenaar is strak omlijnd door wet en regelgeving en ligt onder toezicht van de bestuursrechter. De regelgeving voor bezwaar en beroep, tegen genomen
beschikkingen/aanslagen, zijn strak omkaderd door de Algemene Wet bestuursrecht. De onafhankelijke rechtspraak houdt toezicht op de besluiten van de Heffingsambtenaar indien hiertoe aanleiding is. Gelet op de wet en regelgeving biedt de wetgever geen tussenkomst van een onafhankelijke commissie.
4 – De Ombudsman is regelmatig geïnformeerd over de inhoudelijke situatie die aangedragen is. De heffingsambtenaar is hierbij gebonden aan wettelijke regelgeving en heeft geen vrijheid in afwijken van de voorschriften. Hierbij nemen wij de bevindingen, in een betere motivatie van besluitvorming van de heffingsambtenaar, van de Ombudsman ter harte.
5 – Alsnog wordt zowel de Ombudsman als betrokkenen aanvullend geïnformeerd over de besluitvorming.
6 – Het college volgt de aanbevelingen van de Ombudsman op. De Ombudsman wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht. De raad zal deze brief ook ontvangen. De betrokken partij zullen wij uitnodigen voor een persoonlijk gesprek.
Graag wil de fractie van de ChristenUnie DFM in een bredere setting met u reflecteren op dit rapport.
Hierbij zouden volgens ons ook directie en teamleider middelen/financiën (heffingsambtenaar) betrokken moeten worden.
Reactie: In overleg met de griffie wordt gekeken naar een passende mogelijkheid.
Vraag raadslid:
De druk op de woningmarkt binnen onze gemeente blijft groot. Voor veel inwoners is het lastig om passende en betaalbare woonruimte te vinden. Tegelijkertijd zien we dat de bestaande regeling rondom aanleun- of mantelzorgwoningen in De Fryske Marren slechts door een beperkt aantal inwoners benut kan worden. Het verruimen van deze mogelijkheden kan bijdragen aan:
- meer passende woonruimte binnen bestaande erven en kavels,
- langer zelfstandig wonen voor ouderen en zorgbehoevenden,
- verlichting van de druk op de reguliere woningbouwopgave.
- Een snelle oplossing voor meer woon mogelijkheden doordat de bestaande regeling aanleun-/mantelzorgwoningen regeling wordt uitgebreid met b.v jongeren of leeftijd de leeftijd van 65 jaar.
Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende schriftelijke vragen:
- Ziet het College kansen om de regeling aanleun-/mantelzorg woningen te verbreden, zodat meer inwoners hiervoor in aanmerking kunnen komen, uitbreiding naar andere doelgroepen?
- Bestaan er ruimtelijke of juridische obstakels voor zo’n verbreding? Hoe kunnen deze worden weggenomen of versoepeld?
Digitaal bijgevoegd:
Raadsmemo Beleidsregels pré-mantelzorgwoningen De Fryske Marren, 21 oktober 2024
Antwoord namens college:
- Het college heeft reeds in 2024 het vraagstuk wat de fractie van KFM beschrijft ter hand genomen. Dit hebben wij gedaan door zogenaamde Beleidsregels pré-mantelzorgwoningen De Fryske Marren op te stellen. Uw raad is hierover op 15 november 2024 geïnformeerd. Inmiddels zijn deze beleidsregels formeel van kracht sinds 11 december 2024. Inwoners hebben van deze mogelijkheid reeds gebruikt gemaakt.
- Met het vaststellen van de Beleidsregels pré-mantelzorgwoningen De Fryske Marren is het juridisch kader geregeld.
- Verder is van belang dat de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening Op 13 februari 2025 een tweede nota van wijzigingen heeft ingediend bij het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting. Om zelfstandig wonen te bevorderen, wordt het mogelijk om onder voorwaarden vergunningsvrij een mantelzorg- of familiewoning op het achtererf te bouwen. Dit geldt ook voor familieleden in de eerste graad. De behandeling van het wetsvoorstel Wet versterking regie versterking Volkshuisvesting ligt op dit moment bij de 1e Kamer. Er is nog geen datum van behandeling bekend. Indien deze wetswijziging wordt aangenomen, kan dit betekenen dat het opstellen van gemeentelijke beleidsregels overbodig wordt. Om dit risico te beheersen, volgt de gemeente actief de politieke ontwikkelingen op dit dossier.
Fraach riedslid:
Achte kolleezje,
De hjoeddeistige eigners fan camping De Wigwam, oan de Sminkewei yn Aldemardum, ha de camping ferkocht oan K & B Vastgoed b.v. út Ljouwert (it ‘voorlopig koopcontract’ is tekene en ein oktober folget de oerdracht). Yn juny 2025 ha de bewenners fan dizze camping te hearren krigen dat it terrein op ‘e nij ynrjochte wurde sil en dat dêr foar harren op it âlde diel gjin plak mear is. Ek de plakken foar toercaravans en tinten wurde opromme. Dit betsjut op ‘e nij in ferskraling fan it oanbod foar dizze doelgroep yn ús gemeente. Foar ús gemeente, dy’t har gastfrij presintearje wol, is dit in soargelike ûntwikkeling. Derneist ha we soargen oer de begelieding fan de huidige rekreanten dy’t faaks al jierren gebrûk meitsje fan it kampeerterrein en mei angst de ûntwikkelingen, dy’t de nije eigner foar eagen hat temjitte sjogge. We hearre dat se hielendal net meinommen wurde yn de plannen. We ha as fraksjes fan FNP en PvdA/Grien Links hjir oer in tal fragen.
- Hat dêr bestjoerlik, as amtlike al foaroerlis west mei K&B omtrint de foarnommen herûntwikkeling fan it terrein? 2. Binne de nije plannen al bekend en sa ja kinne se dield wurde mei de ried?
- Dielt it kolleezje it stânpunt dat dr troch de huidige en takomstige eigenaren op in goede manier omgien wurde moat mei de soargen fan de huidige gebrûkers? Sa ja, wat docht it kolleezje om dit te bewurkstelligjen? 4. Binne dêr al fergunnings oanfrege foar werynrjochting, sloop, kap ensf.? Sa ja, om welke oanfragen giet it? Sa ja, binne se al ferliend? 5. Hawwe it kolleezje en rie (elk yn har rol) ynstrumenten om dizze ûnwinslike ûntwikkeling by te stjoeren dan wol te wegerjen? Zo ja welke?
- Op 27 juny en 22 augustus jl. is de rie per brief ynformearre troch campinggasten oer de ûntsteane sitewaasje op de camping. De rie hat dizze brieven yn hannen fan it kolleezje steld en frege om op de hichte te bliuwen omtrint it ôfhanneljen. Graag ûntfange we dizze ynhâldlike ôfwikkelingsbrieven fan it kolleezje.
Digitaal taheakke:
Oudemirdum Sminkewei 7 – Situatietekening Civiel
Vertrouwelijk – Mailwisseling Wigwam 07-07
Vertrouwelijk – Mailwisseling Wigwam 02-09
Antwoord namens college:
- Hat dêr bestjoerlik, as amtlike al foaroerlis west mei K&B omtrint de foarnommen herûntwikkeling fan it terrein?
Der hat in amtlik foaroerlis west. Op basis fan dit foaroerlis hat der gjin oanlieding west om dit bestjoerlik op te pakken omdat de foarnommen werûntwikkeling by rjocht mooglik is. It planologyske rezjym dat yndertiid fêststeld is troch de ried fan gemeente Gaasterlân-Sleat stiet dizze ûntwikkeling ta.
Er is een ambtelijk vooroverleg geweest. Op basis van dit vooroverleg is er geen aanleiding geweest om dit bestuurlijk op te pakken omdat de voorgenomen herontwikkeling bij recht mogelijk is. Het planologische regime dat destijds vastgesteld is door de raad van gemeente Gaasterlân-Sleat staat een dergelijk ontwikkeling toe. - Binne de nije plannen al bekend en sa ja kinne se dield wurde mei de ried?
De nije plannen binne by ús bekend. Yn de taheakke by dizze beantwurding fine jo de ynrjochtingstekening.
De nieuwe plannen zijn bij ons bekend. In de bijlage bij deze beantwoording vindt u de inrichtingstekening. - Dielt it kolleezje it stânpunt dat dr troch de huidige en takomstige eigenaren op in goede manier omgien wurde moat mei de soargen fan de huidige gebrûkers? Sa ja, wat docht it kolleezje om dit te bewurkstelligjen?
Ja, it kolleezje dielt it stânpunt dat der troch de hjoeddeistige en takomstige eigeners op in goede wize omgien wurde moat mei de soargen fan de hjoeddeistige brûkers. Op amtlik nivo is de ûntwikkelder ynljochte oer it belang en de needsaak fan goede partisipaasje en draachflak yn de omjouwing (it doarp). Dêrneist binne de hjoeddeistige campinggasten wiisd op de RECRON voorwaarden. Yn de RECRON voorwaarden binne de rjochten en plichten opnommen dy’t fan belang binne binnen de gearwurking tusken de ûndernimmer en de konsumint.
Ja, het college deelt het standpunt dat er door de huidige en toekomstige eigenaren op een goede manier omgegaan moet worden met de zorgen van de huidige gebruikers. Op ambtelijk niveau is de ontwikkelaar ingelicht over het belang en de noodzaak van goede participatie en draagvlak in de omgeving (het dorp). Daarnaast zijn de huidige campinggasten gewezen op de RECRON voorwaarden. In de RECRON voorwaarden zijn de rechten en plichten opgenomen die van belang zijn binnen de samenwerking tussen de ondernemer en de consument. - Binne dêr al fergunnings oanfrege foar werynrjochting, sloop, kap ensf.? Sa ja, om welke oanfragen giet it? Sa ja, binne se al ferliend?
Ja, yntusken is der in oanfraach omjouwingsfergunning yntsjinne foar de oanlisaktiviteit en it útfieren fan wurken en wurksumheden. Dat giet om de ynfrastrukturele foarsjennings foar it oanlizzen fan de paden en diken. De oanfraach foldocht noch net oan de yntsjinningseasken en kin dêrtroch noch net ferliend wurde. Yn de basis is der op grûn fan it omjouwingsplan gjin oanlieding om de omjouwingsfergunning te wegerjen.
Ja, inmiddels is er een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de aanlegactiviteit en het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Dit betreft de infrastructurele voorzieningen voor de aanleg van de paden en wegen. De aanvraag voldoet nog niet aan de indieningsvereisten en kan daardoor nog niet worden verleend. In de basis is er op grond van het omgevingsplan geen aanleiding om de omgevingsvergunning te weigeren. - Hawwe it kolleezje en rie (elk yn har rol) ynstrumenten om dizze ûnwinslike ûntwikkeling by te stjoeren dan wol te wegerjen? Zo ja welke?
Nee, it kolleezje en de ried hawwe gjin ynstruminten yn hannen om dizze ûntwikkeling by te stjoeren omdat de foarnommen werûntwikkeling by rjocht mooglik is.
Nee, het college en de raad hebben geen instrumenten in handen om deze ontwikkeling bij te sturen omdat de voorgenomen herontwikkeling bij recht mogelijk is. - Op 27 juny en 22 augustus jl. is de rie per brief ynformearre troch campinggasten oer de ûntsteane sitewaasje op de camping. De rie hat dizze brieven yn hannen fan it kolleezje steld en frege om op de hichte te bliuwen omtrint it ôfhanneljen. Graag ûntfange we dizze ynhâldlike ôfwikkelingsbrieven fan it kolleezje.
It ynkommen stik fan 27 juny 2025 is oer e-mail beäntwurde op 7 july. It ynkommen stik fan 22 augustus 2025 is oer e-mail beäntwurde op 2 septimber 2025. Dizze korrespondinsje is fanwegen de AVG fertroulik taheakke by dizze beantwurding.
Het ingekomen stuk van 27 juni 2025 is per e-mail beantwoord op 7 juli. Het ingekomen stuk van 22 augustus 2025 is per e-mail beantwoord op 2 september 2025. Deze correspondentie is vanwege de AVG vertrouwelijk bijgevoegd bij deze beantwoording.
Vraag raadslid:
Op 11 september jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Tijdens het vragenhalfuurtje van woensdag 10 september hebben we vragen gesteld over de proactieve houding van het college m.b.t. het zwembad Maeykehiem. Wij vonden de beantwoording teleurstellend.
Hierbij onze vragen aan het college:
- Kan het college aangeven op welke wijze er uitvoering is en wordt gegeven aan zijn proactieve houding? Met andere woorden; welke concrete acties zijn er door het college ondernomen, na het indienen van de motie van 9 juli jl., tot het huidige moment?
- Proactief zien wij als is de regie pakken en het stuur in eigen handen nemen, vooruitkijken en verantwoordelijkheid nemen. Kunt u aangeven hoe u dit gaat doen met nieuwe ontwikkelingen?
- Een van de zwemscholen is (in samenwerking met oa. Maeykehiem) bezig met een zwembad op een andere locatie in Sint Nicolaasga. Wat gaat het college doen om dit mogelijk te maken
- Indien het nodig is om een versnelde procedure te hanteren, om het bestemmingsplan te wijzigen en vergunningen te verlenen, is het college bereid hier aan mee te werken?
Antwoord namens college:
- Kan het college aangeven op welke wijze er uitvoering is en wordt gegeven aan zijn proactieve houding? Met andere woorden; welke concrete acties zijn er door het college ondernomen, na het indienen van de motie van 9 juli jl., tot het huidige moment?
Antwoord college:
We hebben gesprekken gevoerd met belangstellenden voor een zwemlocatie zodra die zich bij ons hadden gemeld. Daarbij zijn goede afspraken gemaakt over het vervolg. Daarbij is onder andere aangegeven dat het verstandig is om een concept-aanvraag (voorheen principeverzoek) in te dienen als ze een concrete, voor hen ook financieel haalbare locatie op het oog hebben. We reageren steeds per ommegaande op contactverzoeken. Bij behandeling van een eventuele conceptaanvraag kijken we niet alleen naar ruimtelijke aspecten. We zullen ook acht slaan op de nog te verwachten uitkomsten van het onderzoek naar de behoefte aan overdekt openbaar zwemwater in De Fryske Marren.
- Proactief zien wij als is de regie pakken en het stuur in eigen handen nemen, vooruitkijken en verantwoordelijkheid nemen. Kunt u aangeven hoe u dit gaat doen met nieuwe ontwikkelingen?
Antwoord college:
We nemen initiatiefnemers bij de hand en begeleiden hen bij de stappen die zij moeten zetten. Wel is het aan hen om de aanvaardbaarheid te onderbouwen als ze een locatie op het oog hebben. - Een van de zwemscholen is (in samenwerking met oa. Maeykehiem) bezig met een zwembad op een andere locatie in Sint Nicolaasga. Wat gaat het college doen om dit mogelijk te maken
Antwoord college:
Dat hangt af van de concrete locatie. Als voor een locatie een verzoek wordt ingediend gaan we met de beoordeling daarvan aan de slag. We verwijzen wat dit betreft ook naar het antwoord onder punt 1. - Indien het nodig is om een versnelde procedure te hanteren, om het bestemmingsplan te wijzigen en vergunningen te verlenen, is het college bereid hier aan mee te werken?
Antwoord college:
Bedoeld zal zijn het omgevingsplan. Sinds 1 januari 2024 hebben we formeel geen
bestemmingsplannen meer. We kunnen geen versnelde procedure hanteren. Wel biedt de Omgevingswet mogelijkheden om binnen een relatief korte termijn een besluit te nemen, de zogenaamde Bopa. Daarbij zal dan medewerking van de raad zijn vereist in de vorm van bindend adviesrecht. Het is dan wel aan de
initiatiefnemers om een goed onderbouwde aanvraag in te dienen. De aanvraag moet vanuit breed perspectief aanvaardbaar zijn. De uiteindelijke beoordeling daarvan is aan de gemeenteraad.
Vraag raadslid:
Op 10 september jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Op onderstaande vragen ontvangen we graag antwoord van college/wethouder ter voorbereiding op het petear van 17 september a.s.
- Is er recent nog overleg of contact geweest met bollentelers in deze gemeente?
- In het laatste petear is meermaals, door meerdere insprekers aangedrongen om toch het convenant op te pakken, omdat dit volgens een partij niet voldoende was, is dit destijds stop gezet. Sector, bollentelers en andere betrokkenen zien het wel zitten om dit weer op te pakken, blijft dit nu steken op tegenstand van 1 partij?
- heeft u exact in kaart waar op dit moment sierteelt plaats vindt in onze gemeente en kunt u aangeven waar volgens de gemeente hierover de meeste weerstand heerst?
- Kunt u aangeven welk extern adviesbureau advies heeft gegeven en kunt u ons deze doen toekomen?
- In bijlage 1 worden andere overwegingen benoemd zoals o.a. ; de wens voor schoner water. Kunt u aangeven waaruit blijkt dat het water in dit gebied niet schoon is en kunt u aangeven waaruit dit voorkomt?
- In hetzelfde stuk wordt ook de vraag om regulering genoemd, dit is wettelijk bepaald in de wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Deze staat ook in de omgevingswet. Gaat de gemeente hiermee bovenwettelijke regels opleggen?
- De omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Maatschappelijk doel van deze wet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
- Kunt u aangeven waaruit blijkt dat er gebieden binnen onze gemeente zijn die nu onveilig en een ongezonde fysieke leefomgeving zijn ? En/of kunt u aangeven of er een afname is en waaruit dit exact voorkomt?
Antwoord namens college:
De afgelopen periode is er met een enkele bollenteler contact geweest naar aanleiding van het raadsbesluit van 26 mei 2025 en over het verdere proces.
- Het gevolg van het besluit van de raad van 26 mei 2025 is dat er niet ingezet wordt op hernieuwde gesprekken, gericht op een convenant. Het besluit geeft richting en die richting voorziet in regulering. Het nu voorliggende voorstel geeft richting aan dat besluit.
- We hebben een voorlopig overzicht waar in de gemeente sierteelt plaatsvindt. Voor het instellen van een voorbereidingsbesluit is meer ook niet nodig. Het uitvoeren van het raadsbesluit ziet verder op generieke regels en is niet afhankelijk van de vraag of ergens weerstand bestaat.
- Rho Adviseurs heeft ons bij de voorbereiding ondersteund, dat ging vooral over het meelezen van de conceptstukken en het doen aan aanbevelingen. Er is dus geen rapport uitgebracht.
- Schoner water is een belangrijk aspect ter bescherming van de gezondheid. Wij hebben geen informatie waaruit zou blijken dat het water in het gebied niet voldoende schoon is. In algemene zin geldt dat gewasbeschermingsmiddelen geregeld in grondwater en oppervlaktewater worden aangetroffen.
- Het voorbereidingsbesluit is gericht op een aanpassing van ons omgevingsplan en dus is er geen sprake van bovenwettelijke regels.
- Zie het antwoord bij vraag 8.
- In 2021 constateerde de gemeente dat er veel onrust onder omwonenden bestond over de effecten van gewasbeschermingsmiddelen bij lelieteelt in de open lucht en dat er aanleiding bestond om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt te reguleren. Op 26 mei 2025 heeft de raad de richting bepaald door een verbod op vestiging van nieuwe sierteelt en een uitbreidingsverbod van bestaande sierteelt. Dit om de risico’s voor de fysieke leefomgeving te voorkomen of te beperken en een veilige leefomgeving te bewerkstelligen. Zoals vermeld onder in reactie op vraag 3 hebben we een voorlopig overzicht van de plekken waar sierteelt plaatsvindt. Bij de opstelling van het ontwerp omgevingsplan brengen we de plekken in beeld.
Vraag raadslid:
Op 2 september jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van de recente berichtgeving en beantwoording van vragen over de financiële situatie van het Sportbedrijf De Fryske Marren (SDFM) en de toekomst van sportvoorzieningen, dient onze fractie de volgende schriftelijke vragen in:
Inzicht in financiële gevolgen
- Zijn er concrete scenario’s ontwikkeld om voorzieningen zoals Sportfun rendabel(er) te maken?
- Is er onderzoek gedaan naar de impact van de huidige bezuinigingsmaatregelen op het voortbestaan van Swimfun?
- Welke risico’s zijn in kaart gebracht met betrekking tot de toekomstbestendigheid van Swimfun, met name op het gebied van exploitatie, onderhoud en investeringsnoodzaak?
- Is doorgerekend of er voldoende reserves overblijven om noodzakelijke investeringen in onderhoud op te vangen.
- Wat is de huidige staat van onderhoud van Swimfun, en welke investeringen zijn op korte en middellange termijn nodig om het zwembad toekomstbestendig te houden?
- Hoe zijn de onderhoudskosten van de gebouwen en de technische installatie van Swimfun en Sportfun verdeeld.?
- Is er sprake geweest van een integrale financiële impactanalyse op de gehele bedrijf? Zo ja, kan de raad deze ontvangen? Zo nee, waarom is zo’n analyse niet opgesteld
Toekomstbestendigheid en scenario’s voor Swimfun en Sportfun - Worden er concrete scenario’s voorbereid voor het behoud van Swimfun en Sportfun, inclusief eventuele herstructurering, aanvullende financiering of samenwerking met derden?
- Wat is het beoogde moment waarop het college deze scenario’s aan de raad voorlegt voor bespreking en besluitvorming?
Bezuinigen zonder visie? - Welke inhoudelijke visie ligt ten grondslag aan de huidige bezuinigingsvoorstellen op de Swimfun.
- Indien dit ontbreekt: wanneer zal het college een integrale visie aan de raad voorleggen, zodat besluiten in samenhang en met toekomstperspectief genomen kunnen worden?
Signaleringsplicht en tijdigheid van informatievoorziening - Op welke momenten vanaf 2022 heeft het Sportbedrijf of het college signalen ontvangen over verslechterende financiële ontwikkelingen binnen SDFM?
- Kan het college een overzicht aanleveren van deze signaleringsmomenten, inclusief memo’s, verslagen en andere interne documenten?
- Wat heeft het college concreet ondernomen vanaf het eerste moment dat deze signalen werden ontvangen?
- In de meerjarenbegroting van het sportbedrijf had u dit probleem toch kunnen signaleren en in actie op kunnen komen?
Governance en controle op het Sportbedrijf De Fryske Marren (SDFM) - Hoe beoordeelt het college de huidige governance-structuur van het SDFM, met name in relatie tot de sturing door de gemeente als enig aandeelhouder?
- Is de informatievoorziening en control vanuit SDFM richting college en raad voldoende gebleken?
- Overweegt het college herstructurering van deze constructie, nu duidelijk is dat de financiële risico’s en de maatschappelijke impact groter zijn dan eerder voorzien?
Antwoord namens college:
Naar aanleiding van de inhoud van de vragen hecht het college er waarde aan eerst de (governance) structuur uit te leggen. We stellen namelijk vast dat veel vragen feitelijk aan het Sportbedrijf zijn en/of de gemeente geen rol of verantwoordelijkheid heeft in bepaalde onderwerpen waar vragen over worden gesteld. De vragen die het college naar eigen inzien zelf dient te beantwoorden, worden uiteraard wel individueel beantwoord.
Structuur
De gemeente heeft drie rollen m.b.t. het Sportbedrijf De Fryske Marren (SDFM), namelijk:
aandeelhouder, verhuurder en opdrachtgever van sport en beweegbeleid. Aan deze rollen zijn specifieke verantwoordelijkheden gekoppeld, zoals vastgelegd in respectievelijk de statuten, de verhuurovereenkomst en de exploitatieovereenkomst en/of specifiek inhoudelijk beleid. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn gelimiteerd op basis van de rol die de gemeente heeft.
SDFM is een BV met een eigen verantwoordelijkheid voor de exploitatie en continuïteit. Daar wordt toezicht op gehouden door de Raad van Commissarissen. In dat gremium, binnen gestelde kaders vastgelegd in de statuten, vindt overleg plaats over afwegingen, bezuinigingen, risico’s, financiering, visie, toekomst, etc. Vragen daarover kan het college niet of onvoldoende beantwoorden.
Het college is enig aandeelhouder van SDFM BV. In de Algemene vergadering van Aandeelhouders (AVA) worden met name financiële documenten besproken, zoals de jaarrekening, begroting en meerjarenbegroting. Afhankelijk van het document moet de aandeelhouder goedkeuren of vaststellen, waarbij juistheid, rechtmatigheid en tijdigheid belangrijk zijn. De continuïteit van de onderneming is een aandachtspunt voor de aandeelhouder.
Als verhuurder spelen niet veel ontwikkelingen of overleggen. Er is een verhuurovereenkomst opgesteld en SDFM moet huurpenningen betalen. In de toekomst zullen er gesprekken gevoerd moeten worden over instandhouding en investeringen. Dit laatste speelt een rol in de meerjarenbegroting van SDFM en financieringbehoefte, waar SDFM een plan voor moet opstellen in samenwerking met de verhuurder.
Met betrekking tot de uitvoering van de exploitatieovereenkomst (t.b.v. maatschappelijke
beschikbaarheid en doelstellingen) en de exploitatiebijdrage worden gesprekken gevoerd. Voor de uitvoering van het dit beleid is continuïteit van de onderneming SDFM van belang. Aanvullend op de exploitatieovereenkomst worden incidenteel of tijdelijke aanvullende opdrachten en financiering verleend aan SDFM vanuit inhoud beleid.
De onderwerpen financiën, verhuur en uitvoering worden integraal ambtelijk periodiek met SDFM besproken.
Integraal antwoord op vragen 1-7
Deze vragen betreffen allemaal de verantwoordelijkheid van SDFM. Er zijn een aantal rapporten waarop SDFM zich baseert, namelijk van Synarchis en Drijver & Partners. Het eerste rapport is bij de raad bekend en het tweede is in opdracht van SDFM (in overleg met de gemeente) uitgevoerd. In de AVA wordt al langere tijd het gesprek gevoerd over de continuïteit en financiële gezondheid van SDFM, sinds bekend is dat hier stevige zorgen over zijn.
Integraal antwoord op vragen 8-9
Deze vragen betreffen allemaal de verantwoordelijkheid van SDFM. Deze vragen stelt de gemeente ook aan SDFM met betrekking tot continuïteit.
Integraal antwoord op vragen 10-11
Deze vragen betreffen allemaal de verantwoordelijkheid van SDFM. Deze vragen stelt de gemeente ook aan SDFM met betrekking tot continuïteit.
Individueel te beantwoorden vragen:
12. Deze signalen werden duidelijk in de jaarrekening 2023, waarin een begrotingstekort werd geprognosticeerd over het jaar 2024. Over het verloop nadien is de raad geïnformeerd in rapportages in de P&C cyclus en tijdens het Petear 27 augustus 2025.
13. De signalering ontstond tijdens de behandeling van de jaarrekening 2023. Daarna heeft een continu proces van overleg plaatsgevonden. Het is mogelijk om documenten aan te leveren en acties te duiden.
14. De gesprekken zijn zowel ambtelijk als bestuurlijk geïntensiveerd aan verschillende tafels. Er zijn bijvoorbeeld halfjaar cijfers 2024 opgevraagd, de meerjarenbegroting verzocht aan te leveren, herinnering aanlevertermijnen en de directeur-bestuurder is gevraagd oplossingen aan te dragen. Om dit te bespreken is een ‘bijzondere AvA’ uitgeschreven door het college. Tegelijk wordt ambtelijk meegekeken en gedacht aan oplossingsrichtingen. Momenteel lopen deze gesprekken nog steeds, omdat nog geen zicht is op een duurzame oplossing.
15. De jaarrekeningen, begrotingen en meerjarenbegroting zijn inderdaad aanleiding geweest om het probleem te bespreken. Gezien de periode vanaf 2023 is dat nog een relatief korte termijn om tot duurzame oplossingen te komen. Vandaar het raadsvoorstel voor een incidentele bijdrage in 2025 en de gesprekken met SDFM om tot duurzame oplossingen te komen.
16. De governance-structuur is geen actueel gespreksonderwerp. Naar ons inzien draagt dat, in ieder geval op dit moment, niet bij aan oplossingen voor de financiële vraagstukken en continuïteit. Het zou eerder leiden tot bestuurlijke drukte over de organisatievorm, hetgeen geen recht doet aan de urgente gezamenlijke opgave om SDFM tot een duurzame onderneming te maken.
17. De formele informatievoorziening en bespreking verdient meer aandacht in relatie tot de urgente opgave die er ligt. Daarover zijn afspraken gemaakt. Zowel de gemeente als SDFM bevestigen de behoefte om meer en intensiever contact te hebben en processen te bewaken.
18. Nee, het college overweegt nu geen herstructurering. Zie ook antwoord op vraag 16.
Vraag raadslid:
Op 27 augustus jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
In het kader van het 80-jarig herdenkingsjaar rond de bevrijding, en met het oog op de eerder unaniem aangenomen motie hebben onze fracties de volgende vragen aan het College:
- Het onderzoek van Tresoar is inmiddels afgerond. Wat is de stand van zaken mbt het
uitvoeren van de motie? - Welke concrete stappen heeft het College tot nu toe ondernomen?
Kunt u aangeven welke acties sinds het onderzoek van Tresoar zijn genomen om de motie uit te voeren? - Zijn er belemmeringen (praktisch, juridisch of beleidsmatig) die een rol spelen bij de
vernoeming van straten naar deze vrouwen?
Indien ja, welke zijn dat en op welke wijze denkt het College deze te overwinnen? - Wat is de planning voor verdere stappen?
Kunt u een tijdpad geven voor de besluitvorming en uitvoering van de vernoemingen, zodat deze vrouwen alsnog de plek in het straatbeeld krijgen die ze verdienen – bij voorkeur nog tijdens dit 80-jarige herdenkingsjaar?
Antwoord namens college:
Tresoar heeft onderzoek gedaan naar wat de rol van verzetsvrouwen is geweest in onze
gemeente/voormalige gemeenten. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en er is een onderzoekrapport opgeleverd met daarbij een lijst met namen van vrouwen die voor vernoeming in aanmerking komen. Tresoar heeft het advies gegeven om aanvullend hierop aan drie lokale deskundigen (door Tresoar aangewezen) te vragen zich een oordeel te vormen en/of suggesties en aanvullingen te doen op die lijst. De resultaten van dit aanvullende onderzoek zijn inmiddels ook bekend en worden momenteel verwerkt.
Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de ambtelijke advisering over de uitvoering van de motie en de wijze waarop wij die uitvoering ter hand kunnen nemen. Wij verwachten hierover in september een besluit te nemen en u aanvullend te informeren met een raadsmemo. In dit raadsmemo zullen wij ook nader ingaan op het vervolg, wij gaan er daarbij zonder meer vanuit dat wij dan ook kunnen ingaan op hetgeen u in vraag 3 en vraag 4 aan de orde stelt.
Vraag raadslid:
Op 25 augustus jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
- Verband met andere voorzieningen
In hoeverre is onderzocht of deze bezuinigingsvoorstellen indirect leiden tot tekorten bij n de komende jaren bij het zwembad? Bestaat er niet juist het risico dat ook die straks niet meer kostendekkend zijn? - Afstoten van sporthallen
Wordt er door het college serieus overwogen om bepaalde sporthallen af te stoten, gezien de forse tekorten die daar op lijken te bestaan? - Tijdigheid van signalering
Waarom worden wij als raad pas zo laat geïnformeerd over deze financiële tekorten? Was dit niet eerder te voorzien, zeker in het licht van de meerjarenbegroting? - Onverwachte cijfers
Waarom komt het college nu pas met deze cijfers? Deze ontwikkeling lijkt niet plotseling; was dit niet eerder zichtbaar in de begrotingsontwikkeling van het Sportbedrijf? Hadden hier niet veel eerder oplossingen moeten worden gezocht. - Ingrijpen bij het zwembad
Is er overwogen om het zwembad organisatorisch los te koppelen van de stichting? Zo ja, wat zijn de overwegingen geweest om dat wel of niet te doen? - Voorkomen van sluiting
Worden er scenario’s voorbereid waarbij het sluiten van nog meer zwembaden een risico is? Wat doet het college concreet om dat te voorkomen.
Antwoord namens college:
- Verband met andere voorzieningen
In hoeverre is onderzocht of deze bezuinigingsvoorstellen indirect leiden tot tekorten bij n de komende jaren bij het zwembad? Bestaat er niet juist het risico dat ook die straks niet meer kostendekkend zijn?
Het Sportbedrijf De Fryske Marren (SDFM) is als BV verantwoordelijk voor een sluitende begroting en heeft zelf de bezuinigingsvoorstellen ingediend. Met deze bezuinigingsvoorstellen wordt beoogd de maatschappelijke impact zoveel mogelijk te beperken, terwijl de financiële situatie de komende jaren kan
stabiliseren en herstellen, zodat het voortbestaan verzekerd blijft. - Afstoten van sporthallen
Wordt er door het college serieus overwogen om bepaalde sporthallen af te stoten, gezien de forse tekorten die daar op lijken te bestaan?
Nee. Het faciliteren van sporthallen is een maatschappelijke taak. Dat betekent dat een sporthal altijd een tekort zal hebben in de exploitatiebegroting en de gemeente dit tekort aanvult op basis van beleid, waarbij de gemeenteraad uiteindelijk een besluit neemt. - Tijdigheid van signalering
Waarom worden wij als raad pas zo laat geïnformeerd over deze financiële tekorten? Was dit niet eerder te voorzien, zeker in het licht van de meerjarenbegroting?
Naar aanleiding van de financiële tekorten is een ontwikkelparagraaf opgenomen in de Perspectiefnota - In deze tekst staat een tijdlijn over de financiële ontwikkelingen vanaf 2023. Ook heeft u op 13 juni via de nieuwsbrief een memo ontvangen, direct toen de hoogte van het tekort bij de gemeente bekend was. De meest actuele situatie leest u in het raadsvoorstel ‘begroting 2025 Sportbedrijf De Fryske Marren’ (Z.851174).
- Ingrijpen bij het zwembad
Is er overwogen om het zwembad organisatorisch los te koppelen van de stichting? Zo ja, wat zijn de overwegingen geweest om dat wel of niet te doen?
We gaan ervan uit dat bij deze vraag gerefereerd wordt aan het zwembad van stichting Maeykehiem. Dit vraagstuk is niet aan de gemeente omdat het zwembad niet in eigendom van de gemeente is, noch gefinancierd wordt door de gemeente of andere overeenkomsten aan ten grondslag liggen. De aangekondigde sluiting is wel mede aanleiding geweest om het Mulier instituut opdracht te geven om onderzoek te doen naar het aanbod zwemwater (voor zwemlessen en doelgroepzwemmen) voor
inwoners van De Fryske Marren. - Onverwachte cijfers
Waarom komt het college nu pas met deze cijfers? Deze ontwikkeling lijkt niet plotseling; was dit niet eerder zichtbaar in de begrotingsontwikkeling van het Sportbedrijf? Hadden hier niet veel eerder oplossingen moeten worden gezocht.
Graag verwijzen we naar het antwoord bij vraag 3. Hoewel er signalen waren van negatieve begrotingsontwikkelingen, waren deze nog onvoldoende concreet om als uitgangspunt te nemen. - Voorkomen van sluiting
Worden er scenario’s voorbereid waarbij het sluiten van nog meer zwembaden een risico is?
Wat doet het college concreet om dat te voorkomen. Het onderzoek van het Mulier instituut zal de beoogde grondslag bieden om vervolgens scenario’s te maken en besluiten te nemen voor vervolgstappen. Het doel is dat de gemeente adequaat voorziet in zwemwater voor de zwemveiligheid in onze waterrijke gemeente. .
Vraag raadslid:
Op 12 augustus 2025 ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
In december 2023 heeft de raad een amendement aangenomen bij het onderwerp Evaluatie Grondstoffenbeleidsplan. Het besluit luidde destijds:
Besluit: De evaluatie van het Grondstoffenbeleidsplan 2022-2025 vast te stellen, met dien verstande dat het voorstel als volgt wordt aangepast en punt 3 daaraan wordt toegevoegd:
Voorstel: 1. Kennis te nemen van de stand van zaken van de uitvoering van het Grondstoffenbeleidsplan 2022-2025.
- De doelstellingen om minder afval te verbranden te bereiken door:
a. een aangescherpte communicatiestrategie en
b. de inzamelfrequentie vooralsnog te behouden op eens per twee weken. - Direct al te werken aan de voorbereiding van aanvullende maatregelen, zodat deze, als de definitieve cijfers over 2023 geen significante vermindering van de hoeveelheid te verbranden afval laten zien, samen met die definitieve cijfers aan de gemeenteraad kunnen worden voorgelegd en vervolgens zo nodig ook snel kunnen worden uitgevoerd.
Punt 3 is toegevoegd door ons amendement.
Eerst dacht ik dat we nog helemaal geen cijfers over 2023 hadden gekregen, maar gelukkig wees de griffie mij er (naar aanleiding van een concept van deze vragen) op dat in de vakantieperiode vorig jaar (31 juli 2024) via de nieuwsbrief een raadsmemo verspreid is met de cijfers over 2023. Die heb ik vorig jaar helemaal gemist, vandaar dat ik er niet eerder op terug gekomen ben.
Uit de cijfers maak ik op dat we de doelstelling voor 2025 zeker niet gaan halen als we gewoon maar doorgaan op de ingeslagen weg. Aanvullende maatregelen lijken onvermijdelijk, en dat was dus al in juli 2024 bekend.
Daarom een aantal vragen:
- Wat is er gedaan sinds het amendement van december 2023 om aanvullende maatregelen voor te bereiden? En om welke maatregelen gaat dat dan?
- Denkt het college nog steeds dat we met alleen een communicatiestrategie de reductiedoelstellingen van het Grondstoffenbeleidsplan 2022-2025 gaan halen?
- Zo ja, waar is dat op gebaseerd?
- Zo nee, welke aanvullende maatregelen zijn er al genomen?
Antwoord namens college:
- Wat is er gedaan sinds het amendement van december 2023 om aanvullende maatregelen voor te bereiden? En om welke maatregelen gaat dat dan?
We voeren meerdere campagnes
De jaarlijkse statusrapportage Grondstof beleidsplan gaat in op de samenstelling van het huishoudelijke restafval en de resultaten van de afvalscheiding door onze inwoners. We zien dat het aandeel van onjuist afval in de grijze container is gereduceerd. Vooral waar het gaat om grondstoffen die thuis horen op de milieustraat, textiel- en papiercontainers. We zien ook dat vooral Gft een speerpunt blijft. We doen daarvoor mee aan de per 1 maart 2024 geheel vernieuwde provincie brede campagne om de scheiding van gft en etensresten te verbeteren. Deze campagne is gebaseerd op een gedragsonderzoek en inzichten uit vorige campagnes. Tot slot voeren we meerdere lokale campagnes, hebben we een extra service met een mobiele milieustraat (2024) en milieubus (2025) en voeren we schoolcampagnes met E-waste races (2023, 2024 en 2025) en Textielrace (2024). - Denkt het college nog steeds dat we met alleen een communicatiestrategie de reductiedoelstellingen van het Grondstoffenbeleidsplan 2022-2025 gaan halen?
- Zo ja, waar is dat op gebaseerd?
Afvalreductie stagneert
Overeenkomstig het raadsbesluit van 20 december 2023 streven we de doelstellingen voor een afvalreductie van het actuele Grondstof Beleidsplan 2022-2025 na door een aangescherpte communicatiestrategie en behouden we de inzamelfrequentie op eens per twee weken. Concreet is sinds 2020 de hoeveelheid restafval van 132 kilogram per inwoner per jaar verlaagd naar 103,3 kilogram in 2024. Dat doen we met bestaande campagnes en de in 2024 vernieuwde campagne voor een betere scheiding van Gft. Ook streeft afvalverwerker Omrin er naar om het nascheidingsrendement van hun installaties, stapsgewijs te verhogen van 49% in 2024 tot circa 60%. We wachten de positieve effecten van de afvalcampagnes en het betere nascheidingsrendement van Omrin installaties af. Landelijk nam de hoeveelheid huishoudelijk afval in 2024 voor het eerst iets toe na jaren van daling. Dit blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS over het jaar 2024. Net als in onze gemeente was er ook bij de Friese gemeenten in 2024 sprake van een lichte toename van het aantal kilogrammen afval per inwoner. De doelstelling van 60 kilogram afval per inwoner zullen we vooralsnog niet behalen, nu blijkt dat de afvalreductie onder druk staat. - Zo nee, welke aanvullende maatregelen zijn er al genomen?
Geen aanvullende maatregelen
Het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof (VANG) voor Huishoudelijk Afval (HHA) voor de periode tot en met 2025 is herijkt. De nadruk ligt op hoogwaardigere ingezamelde stromen en het beperken van de hoeveelheid restafval. Alle effecten van het Grondstoffen Beleidsplan worden dan na afloop van het jaar 2025 geëvalueerd. Daarna wordt, zoals in het recente raadsmemo (Z.856004) is aangegeven, in het 1e kwartaal van 2026 een nieuw grondstoffenbeleid opgesteld. Daarom worden nu geen aanvullende maatregelen voorgesteld voor een verdere afvalreductie.
Vraag raadslid:
Op 16 juni jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Naar aanleiding van een aantal verontrustende krantenartikelen over glyfosaat een vraag aan het college.
- Wordt dit middel (glyfosaat) ook gebruikt op gronden van de gemeente ? (eigen gebruik of
verpachte grond). - En zo ja, in welke hoeveelheden ?
Antwoord namens college:
- Er wordt geen glyfosaat gebruikt op eigen gronden van de gemeente. Wij gebruiken al ongeveer 7 á 8 jaren helemaal geen gewasbeschermingsmiddelen meer in de openbare ruimte.
In de pachtovereenkomsten hebben wij geen specifieke voorwaarden opgenomen met betrekking tot het gebruik van glyfosaat. Wel is vastgelegd dat de pachter het bouwland vakkundig en naar behoren moet bewerken, bemesten en zuiver houden van onkruid. Voor de verpachte gronden geldt dus de algemene wetgeving. Particulieren mogen geen gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat gebruiken. In de landbouw mogen boeren en telers gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat gebruiken. Andere professionals, zoals hoveniers en waterschappen, mogen alleen in uitzonderingsgevallen gewasbeschermingsmiddelen (met glyfosaat of een andere stof) gebruiken (Mag ik gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat gebruiken? | Rijksoverheid.nl).
Wij hebben geen zicht op of dit daadwerkelijk wordt gebruikt of niet. - N.v.t
Fraach riedslid:
Skriftlike fragen FNP oer stielslakken
De lêste jierren ûntstiet hieltyd mear it byld dat Fryslân as ôffierput fan Nederlân brûkt wurdt. Wylst de rest fan it lân fêsthâldt oan miljeubeskerming en ynspraak, wurde yn ús provinsje plannen makke foar nije gaswinning, tsjin de útsprutsen wil fan in grut part fan de ynwenners yn. Tagelyk ûntdekke we dat ek oare miljeuriskante praktiken, lykas it brûken fan staalslakken yn de ûnderbou fan diken en oare bouprojekten, hjir sûnder dúdlike ynformaasje of kontrôle útfierd binne.
Yn de LC fan 22 en 27 Maaie 2025 waard dúdlik dat by grutte ynfrastrukturele projekten lykas de Haak om Ljouwert (2011 – Desimber 2014) en de Sintrale As (Dokkum, 2011 – Oktober 2016) staalslakken brûkt binne. Dit wylst Rykswettersteat en it ministearje al sûnt teminsten 2006 witte dat dizze stoffen skealik wêze kinne foar grûn en wetter. De provinsje Fryslân waard net ynljochte en liket, sûnder har derfan bewust te wêzen, as proefregio ynset.
Mooglik is ek by de oanlis fan it nije knooppunt Joure (2016 – oktober 2017), en ek op oare plakken yn ús gemeente, dit materiaal brûkt. Mar der is gjin iepenbiere ynsjoch yn hokker materialen oft brûkt binne, en oft dat gefolgen hat foar folkssûnens of miljeu. It feit dat der gjin meldplicht of beheiningen binne foar it brûken fan dit soarte ôffalstoffen ropt fragen
op: oer hoe’t wy as gemeente witte wat der yn ús grûn sit, oer de ynfloed op ús ynwenners, en oer de fraach oft wy net mear regie nimme moatte op dit mêd.
Yn it ljocht fan dizze ûntwikkelingen en yn it belang fan folkssûnens, miljeu en iepenheid nei ús ynwenners, stelt ús fraksje de folgjende fragen oan it kolleezje:
- Kin it kolleezje oanjaan oft der by de oanlis fan diken, fytspaden of oare ynfrastrukturele of boukundige wurken binnen ús gemeente gebrûk makke is fan staalslakken of ferlykbere ôffalstoffen?
- a. As dat net it gefal is, is it kolleezje it dan mei ús iens dat it frjemd is dat der gjin meldplicht bestiet foar it brûken fan sokke materialen, en fynt it kolleezje dat dit ûnder de oandacht brocht wurde moat by de provinsje of it Ryk?
- b. As dat sa is, is it kolleezje dan bekend mei mooglike risiko’s foar de folkssûnens en/of skea oan de kwaliteit fan boaiem en wetter?
- Fynt it kolleezje it winsklik, ek mei it each op iepenheid nei ús ynwenners ta – om yn kaart te bringen oft, wêr’t en hoe der mooglik staalslakken yn de gemeentlike grûn ferwurke binne, sadat wy as gemeente dêr yn de takomst goed op ynspylje kinne mochten der oanliedingen komme?
https://lc.nl/friesland/Staalslakken-46361967.html
https://lc.nl/friesland/leeuwarden/Knooppunt-Werpsterhoeke-mogelijk-lang-afgesloten-doorstaalslakken-46458676.html
Antwurd nammens kolleezje::
- Kin it kolleezje oanjaan oft der by de oanlis fan diken, fytspaden of oare ynfrastrukturele of boukundige wurken binnen ús gemeente gebrûk makke is fan staalslakken of ferlykbere ôffalstoffen?
- Binnen ús gemeente binne op meardere plakken dykfundearringen oanlein mei stielslakken of fergelykbere stoffen. As foarbyld binne der by Knooppunt Joure IBC terpen oanlein mei de boustof ‘AEC-bodemas’. Dit is restmateriaal fan ôffalenerzjysintrales.
Binnen onze gemeente zijn op meerdere plekken wegfunderingen aangelegd met staalslakken of vergelijkbare stoffen. Als voorbeeld zijn er bij Knooppunt Joure IBC terpen aangelegd met de bouwstof ‘AEC-bodemas’. Dit is restmateriaal van afvalenergiecentrales.
- Binnen ús gemeente binne op meardere plakken dykfundearringen oanlein mei stielslakken of fergelykbere stoffen. As foarbyld binne der by Knooppunt Joure IBC terpen oanlein mei de boustof ‘AEC-bodemas’. Dit is restmateriaal fan ôffalenerzjysintrales.
- a. As dat sa is, is it kolleezje dan bekend mei mooglike risiko’s foar de folkssûnens en/of skea oan de kwaliteit fan boaiem en wetter?
Ja it kolleezje is bekend mei de risiko’s en folget de aktualiteiten fan no op’e foet. Der bestiet binnen ús gemeente amper oant gjin risiko op skea oan boaiem en wetter omdat de oanbelangjende fundearringen boppe it grûnwetterpeil lizze en der dikke sânpakketten ûnder de fundearring lizze. Kâns op útleaging is nihil. Der binne binnen de reguliere diken dan ek gjin yndikaasjes dat der grûn – of oerflaktewetter fersmoarge is. Foar de IBC terpen Knooppunt Joure is ûndersteand artikel fan tapassing. Dit artikel is ûnderdiel fan de Eigendom, behear en
ûnderhâldoerienkomst tusken de ferskate oerheden. Ja, het college is bekend met de risico’s en volgt de huidige actualiteiten op de voet. Er bestaat binnen onze gemeente weinig tot geen risico op schade aan bodem en water omdat de betreffende funderingen boven het grondwaterpeil liggen en er dikke zandpakketten onder de
fundering liggen. Kans op uitloging is nihil. Er zijn binnen de reguliere wegen dan ook geen indicaties dat er grond- of oppervlaktewater verontreinigd is. Voor de IBC terpen Knooppunt Joure is onderstaand artikel van toepassing. Dit artikel is onderdeel van de Eigendom, beheer en onderhoudsovereenkomst tussen de verschillende overheden.
Artikel 5: Eigendom, Beheer en Onderhoud ‘Drainage IBC Knooppunt Joure’ Het eigendom van de IBC-terpen volgt de eigendomsgrenzen zoals die zijn aangegeven op de bij deze overeenkomst gevoegde tekening met nr. NN-W 2021-001 (bijlage 1).
1 Vanwege het door de Gemeente en de Staat gedeeld eigenaarschap van de IBC werken, zoals uiteengezet in het “Ontwerp en beheers- en controleplan IBC-werken”, waarvan de passage met betrekking tot het gedeelde eigenaarschap zijn opgenomen in bijlage 3 “Onderdelen Ontwerpplan IBC voor EBO” , spreken de Gemeente en de Staat de volgende taakverdeling af.
Monitoring IBC werken.
De taken van de Staat betreffen:
a. Het inschakelen van onafhankelijke gecertificeerde partijen, die de in het Controle en beheersplan
opgenomen verplichtingen uit gaan voeren.
b. Het optreden als “norm adressant” richting het bevoegd gezag met betrekking tot de IBC werken ter
plaatse van de aansluiting Joure.
c. Het laten uitvoeren van de taken zoals opgenomen in paragraaf 3.4.4 van het “Ontwerp en beheers- en
controleplan IBC —werken”
d. Het (laten) afhandelen van afwijkingen indien deze zich voordoen zoals opgenomen in paragraaf 3.5
van het “Ontwerp en beheers- en controleplan IBC —werken”
3De kosten van de hiervoor genoemde onderdelen a t/m c komen ten laste van Rijkswaterstaat.
De rapportage van de monitoring, die in opdracht van WVL wordt uitgevoerd, zal aan beide eigenaren (Gemeente en de Staat) worden verzonden. - Bij afwijkingen zal er nader overleg plaatsvinden tussen de Gemeente en de Staat als eigenaren over de vervolgstappen volgens punt d.
- Alle kosten als gevolg van het genoemde bij hiervoor genoemde punt d komen ten laste van de eigenaar van het onderdeel waar de afwijking is geconstateerd.
2b. As dat net it gefal is, is it kolleezje it dan mei ús iens dat it frjemd is dat der gjin meldplicht bestiet foar it brûken fan sokke materialen, en fynt it kolleezje dat dit ûnder de oandacht brocht wurde moat by de provinsje of it Ryk?
Yn’e tiid fan de oanlis fan it Knooppunt De Jouwer bestie der wol deeglik in meldplicht en in
fergunningtrajekt. De folgjende saken binne meinaam yn it kontrakt:
1.3. Wet- en regelgeving, richtlijnen en contractuele eisen
Het ontwerp, afwijkingen op het ontwerp en het beheers- en controleplan (plan)
moeten voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 3.9 Isolatie-, beheers- en
controlemaatregelen van de Regeling bodemkwaliteit.
In deze paragraaf is opgenomen dat het plan moet worden gekeurd door de
Advieskamer Bodembescherming volgens het normdocument “Werkvoorschrift
Beoordelen ontwerp IBC-werk” (Werkvoorschrift) waarin eisen uit de Regeling
bodemkwaliteit zijn uitgewerkt naar onderdelen met beschrijving, eisen (criteria) en
toelichting. Tenminste vier weken voor het toepassen van de IBC-bouwstof moet de
voorgenomen toepassing worden gemeld bij de Minister (Meldpunt bodemkwaliteit,
Rijkswaterstaat Leefomgeving). Bij de melding moet onder andere het plan en het
beoordelingsrapport van de Advieskamer in de vorm van een afgegeven advies zijn
gevoegd. De melding wordt via het meldpunt meteen doorgezonden naar het bevoegd
gezag, hier de gemeente Fryske Marren. Relevante richtlijnen zijn bij bronnen in paragraaf 1.5 genoemd.
De belangrijkste hiervan zijn:
- SIKB: Werkvoorschrift Beoordelen ontwerp IBC-werk;
- Ministerie van VROM: Richtlijn dichte eindafwerking.
RWS hat desjarzje ferliend oan Van der Lee oangeande de juste oanlis fan de IBC konstruksje. Op de folgjende webside stiet de meast aktuele regeljouwing oangeande tapassen IBC boustoffen:
Ten tijde van de aanleg van het Knooppunt Joure bestond er wel degelijk een meldplicht en een vergunningentraject. De volgende zaken zijn meegenomen in het contract:
1.3. Wet- en regelgeving, richtlijnen en contractuele eisen
Het ontwerp, afwijkingen op het ontwerp en het beheers- en controleplan (plan)
moeten voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 3.9 Isolatie-, beheers- en
controlemaatregelen van de Regeling bodemkwaliteit.
In deze paragraaf is opgenomen dat het plan moet worden gekeurd door de
Advieskamer Bodembescherming volgens het normdocument “Werkvoorschrift
Beoordelen ontwerp IBC-werk” (Werkvoorschrift) waarin eisen uit de Regeling
bodemkwaliteit zijn uitgewerkt naar onderdelen met beschrijving, eisen (criteria) en
toelichting. Tenminste vier weken voor het toepassen van de IBC-bouwstof moet de
voorgenomen toepassing worden gemeld bij de Minister (Meldpunt bodemkwaliteit,
Rijkswaterstaat Leefomgeving). Bij de melding moet onder andere het plan en het
beoordelingsrapport van de Advieskamer in de vorm van een afgegeven advies zijn
gevoegd. De melding wordt via het meldpunt meteen doorgezonden naar het bevoegd
gezag, hier de gemeente Fryske Marren. Relevante richtlijnen zijn bij bronnen in paragraaf 1.5 genoemd.
De belangrijkste hiervan zijn: - SIKB: Werkvoorschrift Beoordelen ontwerp IBC-werk;
- Ministerie van VROM: Richtlijn dichte eindafwerking.
RWS heeft decharge verleend aan van der Lee m.b.t. de juiste aanleg van de IBC constructie. Op de volgende website IPLO IBC bouwstoffen staat de meest actuele regelgeving omtrent toepassen IBC bouwstoffen.
- Fynt it kolleezje it winsklik, ek mei it each op iepenheid nei ús ynwenners ta – om yn kaart te bringen oft, wêr’t en hoe der mooglik staalslakken yn de gemeentlike grûn ferwurke binne, sadat wy as gemeente dêr yn de takomst goed op ynspylje kinne mochten der oanliedingen komme?
Foarearst hantearret de gemeente de wurkwize om allinnich by ferfanging fan komplete weikonstruksjes, dus de hiele fundearring en asfaltlagen, te ûndersykjen oft der soartgelyk materiaal yn de fundearring tapast is. Dit dogge wy ek by asfaltlagen dêr’t noch tear yn ferwurke sit. Wy binne wetlik ferplichte om dy stoffen ôf te fieren nei in erkend ferwurkingsbedriuw en dêrmei út de leefomjouwing te ûntlûken. Mocht it winske wêze om better oersjoch te krijen, moatte wy alle earder útfierde asfaltboarrings beskôgje en de ûnbekende lokaasjes ûndersykje. In ynskatting is dat wy mei + / – 10.000 boarringen in reedlike mar gjin 100% garânsje ynskatting jaan kinne. Kosten foar dy eksersysje kinne oprinne ta in bedrach fan € 1.000.000, – besteande út ynhier foar it neilibjen fan besteande boarringen, oanbesteegjen en begelieden fan de ekstra ûndersiken en rapportaazjes.
Vooralsnog hanteert de gemeente de werkwijze om alleen bij vervanging van complete wegconstructies, dus de gehele fundering en asfaltlagen, te onderzoeken of er soortgelijk materiaal in de fundering is toegepast. Dit doen we ook bij asfaltlagen waarin nog teer verwerkt zit. We zijn wettelijk verplicht om deze stoffen af te voeren naar een erkend verwerkingsbedrijf en daarmee uit de leefomgeving te onttrekken. Mocht het gewenst zijn beter overzicht te verkrijgen moeten we alle eerder uitgevoerde asfaltboringen beschouwen en de onbekende locaties onderzoeken. Een inschatting is dat we met +/- 10.000 boringen een redelijke maar geen 100% garantie inschatting kunnen geven. Kosten voor deze exercitie kunnen oplopen tot een bedrag van € 1.000.000,- bestaande uit inhuur t.b.v. nalopen bestaande boringen, aanbesteden en begeleiden van de extra onderzoeken en rapportages.
Vraag raadslid:
Op 2 juni jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Op 21 april 2021 heeft de raad een motie aangenomen met betrekking tot het realiseren van een zg radar nadering detectiesysteem op de Noordoostpolderdijk. De raad is hierover 2 keer mbt de de voortgang geïnformeerd. Maart 2024 voor de laatste keer.
- Kan het college de CDA fractie op de hoogte stellen van de voortgang?
Dit mede naar aanleiding van de laatste memo van het college waarin staat: “.Daadwerkelijke aanpassing van de verlichting kan eind dit jaar (2024) of begin volgende jaar (2025) aan de orde zijn’’ einde citaat.
Antwoord namens college:
Voor wat betreft de aanschaf van een radardetectiesysteem voor de windmolens zit het op dit moment in de offertefase. De verwachting is positief dat het radardetectiesysteem er definitief komt. Het loopt wel moeizaam(er) omdat het om een bestaand windmolenpark gaat. Bij een nieuw park zou een radardetectiesysteem sneller te regelen zijn. Zodra er een update is worden wij door onze contactpersoon op de hoogte gesteld. De hoop/verwachting is dat er komende winter serieuze ontwikkelingen zijn en dat dan begonnen wordt met de aanleg van het radardetectiesysteem. Daarnaast wordt een apart radardetectiesysteem, waarmee vogels gedetecteerd kunnen worden, ook meegenomen in de lopende uitvraag. Het is de bedoeling dat onderscheid gemaakt kan worden tussen bijvoorbeeld rode lijst soorten zoals zeearenden en aalscholvers en niet rode lijst soorten zoals meeuwen.
Vraag raadslid:
Op 18 april jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Er is ons in Q4 van 2024 medegedeeld dat er een zebrapad zal worden gerealiseerd in Q1 van 2025 nabij Vegelin State gelegen aan de Harddraversweg in Joure. Tot heden is er nog steeds geen veilige oversteek gerealiseerd en is er ook nog nergens een zebrapad te bekennen op de aangewezen plek.
- Kan het College aangeven hoeveel tijd zij nog nodig denken te hebben voor de realisatie van het beloofde en door de gemeenteraad bepaalde zebrapad? De gelden zijn immers toegezegd en we zijn inmiddels al bijna weer een maand verder van Q1.
Wij ontvangen spoedig graag uw antwoord!
Deze vraag werd mede gesteld door:
- Burgerpartij De Fryske Marren
- VVE it Heem I & II
- Diverse bewoners van de Harddraversweg
- Diverse bewoners van Vegelin State als mede personeel welke hier werkzaam zijn
- Verschillende ondernemers uit de Winkelstraat van Joure
Alle bovengenoemde zijn niet te spreken over de lakse houding ten aanzien van de uitvoering en de disrespectvolle omgang van de inwoners die met smart zitten te wachten op een veilige oversteekplaats.
Antwoord namens college:
In voorbereiding op de werkzaamheden voor de aanleg van het zebrapad is ten behoeve van het te nemen verkeersbesluit advies gevraagd aan de verkeerspolitie. Dit was advies is negatief. Om deze reden is besloten om de aanleg van het zebrapad opnieuw aan de gemeenteraad voor te leggen. Het voorstel is geagendeerd voor het Petear op 7 mei a.s.
Vraag raadslid:
Op 10 april jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
In de grote Lelylijn-dagbladcampagne begin dit jaar ontbrak tussen alle noordelijke gemeenten en provincies, alle belangrijke ondernemingen en nutsbedrijven, onderwijsinstellingen, maatschappelijke organisaties en corporaties, als enige de naam van De Fryske Marren.
Daarom hebben wij de volgende vragen aan u:
- Waarom stond De Fryske Marren hierin niet vermeld?
- Wat is uw positie ten aanzien van de Lelylijn?
- Beseft u dat de provincie Fryslân flink inzet op het realiseren van de Lelylijn?
- Wat is de rol van onze twee FNP-wethouders die volgens hun partijprogramma zeer
gereserveerd zijn ten opzichte van de Lelylijn terwijl de FNP-gedeputeerde Sijbe Knol zij aan zij
met zijn collega Friso Douwstra vecht voor deze infrastructuur? - Bent u nog van plan een constructieve bijdrage aan het bestuurlijk proces te leveren?
Antwoord namens college:
- Gelet op het coalitieakkoord “Fûnemint foar moarn” en de raadsbehandelingen over de Lelylijn van 8 mei en 23 oktober 2024, hebben wij er voor gekozen om de dagbladcampagne voor de Lelylijn niet mee te ondertekenen.
- Onze positie ten aanzien van de Lelylijn is conform het coalitieakkoord: “Als de Lelylijn er komt, dan zijn we actief betrokken bij de gevolgen van die komst voor De Fryske Marren”.
- Wij zijn goed op de hoogte van de inzet van de provinsje Fryslân waar het gaat om het dossier Lelylijn.
- Wij handelen als college conform het coalitieakkoord.
- Wij blijven ambtelijk en bestuurlijk aangesloten op het proces. In 2025 en 2026 wordt door Rijk en regio gewerkt aan een masterplan Lelylijn. In het Masterplan worden door Rijk en regio de financieringsmogelijkheden nader onderzocht, een aantal complexe locaties verder uitgewerkt en wordt de impact van de Lelylijn over 100 jaar in beeld gebracht. De uitvoering is inmiddels gestart. Het voornemen van het Kabinet om een deel van de in de Rijksbegroting opgenomen middelen voor de Lelylijn aan te gaan wenden voor andere infrastructurele projecten in Nederland, zet voor nu geen streep door het opstellen van het masterplan. De uitdaging om voldoende middelen beschikbaar te krijgen blijft, maar is met de besluitvorming rond de Voorjaarsnota van het Rijk wel groter geworden. Wij leveren als De Fryske Marren input voor het
onderzoek. Het gaat onder meer om kansen en bedreigingen omtrent natuur en landschap, mogelijke stations bij Joure en Lemmer, het gebied Tsjûkemar, e.d.
Vraag raadslid:
Op 10 april jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Recent is een 36-jarige man van Eritrese afkomst om het leven gekomen bij een bedrijfsongeval in Follega. Voor hem is een inzamelingsactie gestart om de man te repatriëren omdat volgens zijn geloof iemand moet worden begraven op de plek waar hij is geboren. Onze gemeente heeft € 3.000,00 bijgedragen. Volgens u is dat een wettelijke regeling. Of dat in dit geval zo is valt te bezien.
Geloofsovertuiging en repatriëring zijn namelijk niet relevant. Ook is niet duidelijk of de familie onvermogend is. Het slachtoffer, een statushouder die drie jaar in Nederland is, had werk en stond op de loonlijst van een detacheringsbureau dat in opdracht van een schoonmaakbedrijf een werk uitvoerde, waarbij de man van een dak viel en dodelijk verongelukte.
Aangezien er geen wettelijke noodzaak was om financieel bij te springen en een repatriëring van het stoffelijk overschot uit geloofsovertuiging maatschappelijk niet relevant is, stellen wij de volgende vragen aan u:
- Klopt het dat de gemeente € 3.000,00 aan de familie heeft overgemaakt ter tegemoetkoming in de uitvaartkosten c.q. repatriëring van de man?
- Voelde de gemeente zich hiertoe verplicht?
- Is dit geld geoormerkt en welke kosten zijn ermee gedekt?
- Kon er geen beroep worden gedaan op de (verplichte) verzekeringspolis van werknemer en/of werkgever, zijnde een detacheringsbureau en schoonmaakbedrijf in wier opdracht de man werkte?
- Was er niet voldoende geld ingezameld via de crowdfunding met het streefbedrag van € 15.000?
- Schept deze financiële bijdrage geen precedent?
Antwoord namens college:
- Klopt het dat de gemeente € 3.000,00 aan de familie heeft overgemaakt ter tegemoetkoming in de uitvaartkosten c.q. repatriëring van de man?
Ja, dit klopt. Wij hebben € 3000,00 bijgedragen ten behoeve van het dekken van de kosten voor een begrafenis van deze man.
- Voelde de gemeente zich hiertoe verplicht?
Omdat er op het moment van beoordelen aanleiding was, qua financiële omstandigheden, om aan te nemen dat de Wet op de Lijkbezorging (Wlbz) toegepast moest worden, voelden wij ons wettelijk verplicht om hierin bij te dragen. Uiteindelijk waren we hier niet toe verplicht, dit was nog niet duidelijk op het moment dat deze vraag zich voor deed. - Is dit geld geoormerkt en welke kosten zijn ermee gedekt?
Deze bijdrage is bestemd voor het begraven van deze persoon en staat gelijk aan het bedrag wat wij verstrekken voor een basis-begrafenis op grond van de Wlbz. - Kon er geen beroep worden gedaan op de (verplichte) verzekeringspolis van werknemer en/of werkgever, zijnde een detacheringsbureau en schoonmaakbedrijf in wier opdracht de man werkte?
Op het moment van handelen is en was nog niet bekend of hier een beroep op kon worden gedaan. Het was nodig om snel een besluit te nemen omdat er anders geen financiën leken te zijn
voor het verzorgen van de begrafenis. - Was er niet voldoende geld ingezameld via de crowdfunding met het streefbedrag van €15.000?
Op het moment van toezeggen was dit niet aan de orde. - Schept deze financiële bijdrage geen precedent?
Wij hebben naar eer en geweten gehandeld, iedere situatie is uniek en wordt getoetst aan de uitgangspunten van de Wlbz. Gelet hierop achten wij de precedentwerking klein.
Vraag raadslid:
Op 10 april jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Roeken verpesten het leef-, woon- en werkgenot. Deze (beschermde) kolonievogel kan zo storend en dominant aanwezig zijn, dat veel inwoners maatregelen wensen. Uw college ondervindt dagelijks het enorm geschreeuw en de schijterij van honderden roeken die nestelen in park Herema State tegenover het gemeentehuis, dat niet representatief mag worden genoemd door de grote overlast voor werkenden, bezoekers, watergasten en wandelaars.
Een verjaging zou hier op zijn plaats zijn. De brutale roek vindt wel elders plek. Indien dat in de buurt is van een woonwijk zou de vogel ook daar verjaagd moeten worden. Niet alleen vanwege het verstoorde woongenot maar ook vanwege de waardevermindering van de huizen.
Op zijn minst is beheer noodzakelijk want roeken zijn beruchte predatoren die heel veel eieren van kwetsbare weidevogels leegroven, een bedreiging zijn voor al even kwetsbare tuinvogels (je hoort nauwelijks nog lijsters zingen). Zelfs de 4 mei-herdenking in Joure is door het doodsgekrijs onwaardig.
Onze vragen zijn:
- Onderkent u de overlast en de bedreiging voor de balans in de natuur?
- Bent u van mening dat de situatie onhoudbaar is?
- Bent u bereid maatregelen te nemen?
- Zo ja, waar gaat uw voorkeur naar uit: verstoring, verjaging, nestverwijdering of beheer (afschot)?
Antwoord namens college:
1. Onderkent u de overlast en de bedreiging voor de balans in de natuur?
Wij onderkennen dat mensen overlast kunnen ervaren van de aanwezigheid van de roek,
voornamelijk tijdens het broedseizoen (maart tot en met juli) wanneer de roeken zich weer
verzamelen zijn ze vocaal aanwezig. De roek is geen bedreiging voor de balans in de natuur. De roek eet vooral ongewervelden die in de bodem leven, zoals wormen, emelten, engerlingen en kevers. Daarnaast eet de roek zaaigoed (zaden, granen) en vruchten. Het eten van eieren of kuikens van weide- en zangvogels komt sporadisch voor, maar vormt geen belangrijk onderdeel van het dieet van de roek. De roek speelt geen significante rol als predator, waardoor de afname van zang- en weidevogels niet aan deze vogel kan worden toegeschreven. Wellicht is hier een verwarring met de zwarte kraai ontstaan, deze soort staat bekend als een belangrijke predator van weidevogel eieren en kuikens. De afname van weide- en zangvogels zijn voornamelijk aan andere factoren te wijten, zoals door afname van geschikt leefgebied en voedsel.
2. Bent u van mening dat de situatie onhoudbaar is?
De gegevens van de roekentellingen over de afgelopen negen jaar tonen aan dat de
populatieaantallen bij Herema State per jaar fluctueren en dat er geen sprake is van een
exponentiële populatiegroei (zie onderstaande grafiek). Wij zijn van mening dat deze situatie niet onhoudbaar is. Wel kunnen wij ons voorstellen dat sommigen dit anders ervaren.
3. Bent u bereid maatregelen te nemen?
Voor het uitvoeren van een roekenbeheerplan is een omgevingsvergunning nodig omdat de roek beschermd is d.m.v. de vogelrichtlijn. Van het verbod de vogels of hun kolonies te verstoren kan enkel worden afgeweken met toestemming van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 11.37, lid 1, BAL. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning om roeken te mogen verjagen, moet een activiteitenplan opgesteld worden waarbij andere locaties voor de roeken worden aangewezen. Deze potentiële vestigingslocaties moeten zorgvuldig zijn ontwikkeld en gerealiseerd voordat men mag beginnen met verjagen. De provincie moet dit activiteitenplan goedkeuren.
In december 2016 is door het college besloten aan de raad voor te leggen de roekenoverlast conform de notitie “beperken roekenoverlast” Roekenbeheerplan 2017-2020 aan te pakken. Dit voorstel is op 1 maart 2017 door de raad verworpen. Destijds zijn hierop dan ook geen verdere acties in gang gezet. Overigens (zie hiervoor) zijn de mogelijkheden om roeken te verjagen juridisch beperkt. Ook is het in de praktijk lastig om roeken te verjagen. Dit is meerdere keren onderzocht in het verleden.
Tot op heden is er geen aanleiding geweest dit te herzien aangezien de roekenkolonies in onze gemeente redelijk stabiel zijn qua aantallen.
4. Zo ja, waar gaat uw voorkeur naar uit: verstoring, verjaging, nestverwijdering of beheer
(afschot)?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag raadslid:
Op 17 april 14.59 uur jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Wij hebben vragen gekregen over het intrekken van vergunningen voor paasvuren.
In de brief wordt er aangegeven dat i.v.m. tijdelijke droogte dat er geen paasvuren ontstoken mogen worden. Als u de laatste week naar buiten kijkt, is er weinig sprake van droogte. Er worden ook vergunningen ingetrokken voor kleine paasvuren, op eigen terrein. Een traditie die op deze manier ‘om zeep wordt geholpen’.
- Waarom is er niet voor gekozen om in overleg te gaan met de betrokkenen om te kijken naar de mogelijkheden, maar wordt er meteen tot een verbod overgegaan?
- Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen, maar de brief is pas verzonden op 10 april. Belanghebbenden kunnen dus nu niets meer doen, aangezien het 20 april al Pasen is. Kortom zou u een heroverweging willen maken, om (kleine) paasvuren in onze gemeente toch toe te staan en deze traditie te behouden?
Antwoord namens college:
Op zaterdag 19 april 2025 heeft u telefonisch contact gehad met de portefeuillehouder betreffende uw vragen. Bijgaand treft u de schriftelijke beantwoording op uw vragen aan.
1.Waarom is er niet voor gekozen om in overleg te gaan met de betrokkenen om te kijken naar de mogelijkheden, maar wordt er meteen tot een verbod overgegaan?
Ten tijde van het besluit om de verleende ontheffingen voor het mogen ontsteken van paasvuren weer in te trekken, was het al enkele weken droog en zonnig weer. De natuur (en landerijen) waren dusdanig droog dat de Veiligheidsregio Fryslân risicofase 2 heeft ingesteld. Dit houdt in dat het natuurbrandrisico zeer hoog is. Een natuurbrand kan zich in droge periodes snel en onvoorspelbaar ontwikkelen, zeker bij harde wind. Om bovenstaande reden is ons als gemeente gevraagd om onze medewerking te verlenen om (de gevolgen van) natuurbranden te voorkomen of te beperken. Specifiek is ons gevraagd om terughoudend te zijn met het verlenen van (ontheffingen op) stookverboden in relatie tot het komende paasweekend. Dat is voor ons dan ook aanleiding geweest om de vier reeds afgegeven ontheffingen weer in te trekken en de drie verzoeken die nog bij ons nog in behandeling waren niet te honoreren.
2. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen, maar de brief is pas verzonden op 10 april. Belanghebbenden kunnen dus nu niets meer doen, aangezien het 20 april al Pasen is. Kortom zou u een heroverweging willen maken, om (kleine) paasvuren in onze gemeente toch toe te staan en deze traditie te behouden?
Dinsdag 15 april jl. heeft de Veiligheidsregio Fryslân een zogenaamd ‘faseoverleg’ gehad binnen de drie noordelijke veiligheidsregio’s en heeft besloten om de ingestelde fase 2 te handhaven. Dit is gebaseerd op de volgende punten:
- Droogte in de natuur,
- Aantal meldingen natuurbrand momenteel,
- De sapstromen komen door de droogte in de voorliggende periode langzamer op gang. Er ligt nog steeds veel ‘dode’ vegetatie van vorig jaar (afgevallen bladeren/afgestorven gras) in de natuur.
- Er wordt weinig neerslag verwacht voor de komende periode. Er is momenteel een neerslag tekort. De neerslag die er valt is niet voldoende om de natuur dermate nat te maken dat het voldoende is om het gevaar op een natuurbrand volledig weg te nemen.
Naast bovenstaande heeft de Veiligheidsregio de volgende vraag aan ons gesteld: “Terreineigenaren, natuurbeheerders en hulpdiensten zijn in deze periode extra alert, maar vragen ook uw medewerking om de gevolgen van natuurbrand te voorkomen of te beperken. Gemeenten vragen wij terughoudend te zijn met het verlenen van stookverboden in relatie tot het komende Paasweekend”. Dit heeft ons er toe gebracht om voor onze gehele gemeente geen ontheffingen op het stookverbod te verlenen en daarbij dus ook geen onderscheid te maken tussen kleine of grote paasbulten. Het risico op brand is gewoonweg te groot en wij volgen hierin het advies van de Veiligheidsregio Fryslân. Omdat het verlenen van een ontheffing (en daarmee ook het intrekken) een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zit er standaard een bezwaarclausule onder de uitgegane brief.
Tot slot
We begrijpen de teleurstelling dat de ontsteking van de paasvuren dit jaar niet door kan gaan vanwege veiligheidsreden.
Vraag raadslid:
Op 31 maart (en 10 april een aanvulling) jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Project
Aan de Tsjûkemar in Sint Nicolaasga is een zonnepark in ontwikkeling op de perceelnummers 687, 688 en 88 sectie S kadastrale gemeente Langweer. De percelen groot ca. 10 hectare (waarvan ca. 7,3 hectare panelenveld) zijn gelegen aan de rand van het dorp nabij het tankstation van Fieten. In de organiserende werkgroep is het dorp breed vertegenwoordigd (Dorpsbelang, Ondernemersvereniging). Uitvoerende partij is Novar in Drachten. De capaciteit van het park is voldoende voor de stroomvoorziening van 3.500 huishouden. Genoeg voor de verduurzaming van het hele dorp. Het zonnepark valt binnen de wet- en regelgeving qua ligging en omvang.
Een belangrijk onderdeel van het zonnepark is het voorgenomen snellaadplein bij Fieten. Dat is een belangrijke infrastructuur voor de regio. Op dit snellaadplein komt een energieopslagsysteem waardoor de leveringszekerheid van energie wordt geoptimaliseerd. Bovendien kan de energie flexibel worden ingezet via mobiele units.
Kortom: Zonnepark Sint Nyk verdient een adequate aanpak en een urgente plek op de economische agenda van gemeente De Fryske Marren.
Echter, de planvorming verloopt stroef. Het initiatief is reeds in 2020 genomen. Het project is na vijf jaar nog steeds niet gestart. Vorig jaar zou het zonnepark in behandeling worden genomen en op de agenda van de raad worden gezet. Dat is tot op heden ondanks toezeggingen uitgebleven. De werkgroep vraagt zich af waarom het allemaal zo lang duurt en op welke termijn er een aanvang kan worden genomen met realisatie.
Daarom hebben wij de volgende dringende vragen aan u:
- Waarom is er nog steeds geen zicht op realisatie van dit plan?
- Beseft uw college wel de urgentie in verband met economische ontwikkelingen?
- Waarom is het plan nog steeds niet op de agenda geplaatst?
- Wanneer wordt het plan in de gemeenteraad besproken
Antwoord namens college:
1. Waarom is er nog steeds geen zicht op realisatie van dit plan?
Op 12 december 2019 is er een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van het zonnepark te Sint Nicolaasga. Op 13 april 2022 heeft de gemeenteraad het voorstel van
het college om de omgevingsvergunning te verlenen besproken. De gemeenteraad heeft
besloten het voorstel van het college niet te volgen en een andersluidend besluit genomen. Op 4 juli 2022 heeft de gemeenteraad vervolgens gemotiveerd besloten geen ontwerp – verklaring van geen bedenkingen (VVGB) af te geven voor dit plan. Dit raadsbesluit leidt ertoe dat wij niet kunnen meewerken aan het plan. Met het oog hierop hebben wij logischerwijs de omgevingsvergunning geweigerd. Hierop zijn zienswijzen binnengekomen, waardoor het plan voor een definitief besluit opnieuw aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.
2. Beseft uw college wel de urgentie in verband met economische ontwikkelingen?
Hier zijn we van op de hoogte. Maar omdat er door de gemeenteraad geen (ontwerp) VVGB is afgegeven voor dit plan, en in het verlengde hiervan de vergunning in ontwerp door het college is geweigerd, zullen er (voor zover het nu lijkt) geen economische consequenties zijn bij een definitieve weigering van het plan.
3.Waarom is het plan nog steeds niet op de agenda geplaatst?
De afronding van deze procedure heeft langer geduurd dan voorzien. Dat is spijtig en betreuren wij. Dit heeft meerdere redenen. Zo is afgesproken met de initiatiefnemers dat zij eerst nog gesprekken wilden houden in de buurt en met de gemeenteraad. Daarnaast waren er ook aan de organisatiezijde wat wisselingen van de wacht, die de voortgang van dit dossier niet ten goede is gekomen.
4. Wanneer wordt het plan in de gemeenteraad besproken?
Wij verwachten dat het dossier nu op korte termijn op onze agenda zal landen. Dat betekent dat wij koersen op bespreking van dit dossier in het Petear van 28 mei 2025.
Vraag raadslid:
Via de griffie ontvingen wij de navolgende vragen:
Tijdens het Petear zijn enkele van onze vragen niet beantwoord. Deze vragen waren onder andere naar aanleiding van de landelijke discussie over de wetgeving betreffende statushouders. Graag ontvang ik nog antwoord op onderstaande vragen voor de raadsvergadering:
- Is de gemeente bereid om, ruim voor november wanneer we de urgentie verordening in de gemeenteraad komt, onderzoek te doen naar creatieve oplossingen om de druk op de sociale huurwoningen te verminderen?
- Zoekt de gemeente alternatieve huisvesting voor statushouders om de druk op de sociale woningbouw te verlichten?
- Is de gemeente bereid om kamerbewoning in leegstaande gebouwen of tijdelijke huisvesting, zoals pensions, te onderzoeken voor statushouders?
- Is de gemeente bereid de voorrang voor statushouders op sociale huur af te bouwen en alternatieve huisvesting te zoeken?
- Accepteert de gemeente de hogere kosten van alternatieve huisvesting op korte termijn voor een eerlijkere verdeling op de lange termijn?
- Is het niet tijd om de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen op te heffen en hen gelijk te behandelen met andere woningzoekenden?
Antwoord namens college:
Op 19 maart 2025 vond een Petear plaats over de Centrumgemeenteregeling huisvesting urgent woningzoekenden. Inleidend bij de beantwoording van deze vragen het volgende: de
Huisvestingsverordening urgent woningzoekenden komt in het najaar terug op de agenda van de raad, nadat de formele inspraak op de concept verordening is afgerond. De vragen van de fractie van KFM, “raken” weliswaar aan het maatschappelijk thema ‘urgent woningzoekenden’ maar zijn als zodanig op dit moment geen onderdeel van de beraadslagingen die over Centrumgemeenteregeling huisvesting urgent woningzoekenden op 2 april 2025 plaatsvinden. De Centrumgemeenteregeling is een organisatievorm om de urgentieverordening op centraal niveau uit te voeren.
- Zoekt de gemeente alternatieve huisvesting voor statushouders om de druk op de sociale woningbouw te verlichten?
Primair zet het college in op de huisvesting van statushouders, via de met de woningcorporaties overeengekomen prestatieafspraken. Daarnaast benut de gemeente al enkele jaren andere mogelijkheden om statushouders (tijdelijk) te huisvesten, dit gezien de forse taakstelling van het Rijk. - Is de gemeente bereid om kamerbewoning in leegstaande gebouwen of tijdelijke huisvesting, zoals pensions, te onderzoeken voor statushouders?
Dit is reeds staande praktijk, waar kansen zich voordoen voor huisvesting, benutten we die. Zo hebben we van de provincie al twee jaar een woning in bruikleen gekregen, die we gebruiken als een zogenaamde doorstroomlocatie. - Is de gemeente bereid de voorrang voor statushouders op sociale huur af te bouwen en alternatieve huisvesting te zoeken?
Het intrekken van de voorrang voor statushouders enkel om het feit dat zij statushouders zijn, ligt nu voor in het wetsvoorstel Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders. De minister heeft middels een internetconsulatie hier om reacties gevraagd. Het college heeft met de brief van 12 maart 2025 aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hierover een standpunt
ingenomen, deze brief is ter kennisgeving aan de raad gezonden. Wij wachten het debat over het wetsvoorstel af. Inmiddels zijn wij geïnformeerd dat het thema wordt besproken in het Commissiedebat van de Tweede Kamer op 21 mei 2025. Voor het antwoord op de tweede vraag voor het zoeken van alternatieve huisvesting: zie beantwoording onder vraag 2. - Accepteert de gemeente de hogere kosten van alternatieve huisvesting op korte termijn voor een eerlijkere verdeling op de lange termijn?
Dat is op dit moment niet bekend, omdat niet inzichtelijk is of en welke alternatieve huisvesting nodig zal zijn en wat dan de zogenaamde verdeling per gemeente zal worden. - Is het niet tijd om de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen op te heffen en hen gelijk te behandelen met andere woningzoekenden?
Zie beantwoording onder 3. - Is de gemeente bereid om, ruim voor november wanneer we de urgentie verordening in de gemeenteraad komt, onderzoek te doen naar creatieve oplossingen om de druk op de sociale huurwoningen te verminderen?
We hebben in 2024 een Plan van Aanpak Statushouders opgesteld, waar meerdere alternatieven zijn uitgewerkt, waaronder het huisvesten van meerdere alleenstaande statushouders in één woning via woningdelen. Dit werken we nu uit met de corporaties. Op dit moment benutten we alle mogelijkheden en creatieve oplossingen ten volle. Dit wordt ook bevestigd in onze bestuurlijke overleggen met de provincie. Gezien de dynamiek van het asiel- en migratiedossier, wachten wij de besluitvorming op landelijk niveau vooralsnog af. Ondertussen gelden de prestatieafspraken met de corporaties en onze gezamenlijk inzet om onze nieuwe inwoners een zo goed mogelijk thuis en start te geven.
Fraach riedslid:
De FNP fraksje hat noch wat fragen oer it Brûsplak. We ha tocht dat it miskien goed wêze soe om dizze yn it foar te stellen foar dat it stik nei de gemeenteried komt, sadat eltsenien op ‘e tiid op de hichte is. Dizze fragen gean net oer de lokaasje mar binne mear “wat as” fragen
- Wat bard der as it Brûsplak net de ferienings en/of frywilligers leverje kin sa as hja no sizze?
- Hoe nedich is it om daliks by it begjin al by te bouen? Soe it ek sa wêze kinne om dat fasearre te dwaan, sadat we earst ôfwachtsje kinne wat echt nedich is?
- Hoe wurdt it kontraktueel boarge dat: As begelyks it Haske failyt gean soe, net it troch ús betelle gebou mei giet yn in faillisemint?
- Wa wurdt it oansprekpunt foar de gemeente nei it Brûsplak. Wurdt it in stifting, feriening of wat oars?
Antwurd nammens kolleezje:
- It brûken fan it Brûsplak wurdt net ôftwongen by ferieningen. As sy bygelyks finansjeel net by steat binne om romten te hieren of op basis fan oare redenen karren meitsje, dan ûntstiet leechstân.
Het gebruik van het Brûsplak wordt niet afgedwongen bij verenigingen. Als zij bijvoorbeeld financieel niet in staat zijn ruimtes te huren of op basis van andere redenen keuzes maken, dan ontstaat leegstand. - It ûndersyk is basearre op in tal m2 dat mei It Lokaal ôfstimd is. Technysk is it mooglik om de bou te fasearjen, lykwols sil dat liede ta hegere kosten en oerlêst foar omjouwing en hierders wêrfan’t no de (finansjele en praktyske) impact net bekend is.
Het onderzoek is gebaseerd op een aantal m2 dat met It Lokaal is afgestemd. Technisch is het mogelijk om de bouw te faseren, echter zal dat leiden tot hogere kosten en overlast voor omgeving en huurders waarvan nu de (financiële en praktische) impact niet bekend is. - As ’t Haske subsydzje krigen hat en it Brûsplak realisearre is, giet dat yndied mei yn in fallisemint. Der wurdt yn de rapportaazje ek yngien op finansjele risiko’s.
Als ’t Haske subsidie heeft gekregen en het Brûsplak is gerealiseerd, gaat dat inderdaad mee in een faillissement. Er wordt in de rapportage ook ingegaan op financiële risico’s. - Nei it beslút oer de lokaasjekar wurdt It Lokaal opheft, want dat is it belang fan It Lokaal folbrocht. Der wurdt op it stuit neitocht oer hokker gearwurkingsfoarm oprjochte wurdt om yn de realisaasjefaze oansprekpunt te wêzen foar de gemeente. Ut It Lokaal wei wurdt oanjûn dat omwenners fan herte útnûge binne om hjir diel út te meitsjen.
Na het besluit over de locatiekeuze wordt It Lokaal opgeheven, want dan is het belang van It Lokaal volbracht. Er wordt momenteel nagedacht over welke samenwerkingsvorm wordt opgericht om tijdens de realisatiefase aanspreekpunt te zijn voor de gemeente. Vanuit It Lokaal wordt aangegeven dat omwonenden van harte zijn uitgenodigd om hier deel vanuit te maken.
Vraag raadslid:
Via de griffie ontvingen wij de navolgende vragen:
Bijgaand staatje toont een aantal recente aanvragen uit de mededelingen en aanvragen van de gemeente. Bij al de hier genoemde zaken:
- Hoe past dat in het beleid vee- en stikstofdruk te doen afnemen, en de wens te extensiveren?
- Kunt u mij aangeven of dergelijke aanvragen getoetst worden aan specifieke gemeentelijke beleidsstukken of richtlijnen vanuit de landelijke of provinciale overheid die tot doel hebben de stikstofuitstoot van de veehouderij terug te dringen hetzij door innovatie hetzij door het reduceren van vee-aantallen, alvorens de aanvragen toe dan wel af te wijzen?
- Zo ja: welke beleidsstukken en richtlijnen gaat het hier om
- Zo nee: waarom niet gezien de ernst van de stikstofproblematiek en de onrust die dat
veroorzaakt
Antwoord namens college:
Vraag 1:
Hoe past dat in het beleid vee- en stikstofdruk te doen afnemen en de wens te extensiveren?
Reactie:
Wij hebben geen beleid gericht op extensivering. Hier kan dan ook niet op getoetst worden bij aanvragen.
Vraag 2:
Kunt u mij aangeven of dergelijke aanvragen getoetst worden aan specifieke gemeentelijke
beleidsstukken of richtlijnen vanuit de landelijke of provinciale overheid die tot doel hebben de stikstofuitstoot van de veehouderij terug te dringen hetzij door innovatie hetzij door het reduceren van vee-aantallen, alvorens de aanvragen toe dan wel af te wijzen?
Reactie:
Dit is complexe materie omdat de trajecten een veelheid aan varianten kent. Hieronder lichten wij dit toe:
Gang van zaken sinds Omgevingswet per 1-1-2024
Een verzoek komt binnen. Deze is door verzoeker zelf gespecificeerd naar de activiteiten “bouwen”, “afwijken omgevingsplan (BOPA)”, “milieubelastende activiteit”, “natura 2000-activiteit”, of “overige omgevingstypen”. Het kan ook een combinatie van activiteiten zijn. De Omgevingswet staat toe dat de activiteiten los aangevraagd worden.
Verzoeken bouwen passend in omgevingsplan
Bij verzoeken voor het bouwen wordt getoetst of deze binnen het omgevingsplan passen, zo ja, dan volgt een gebonden beschikking.
Verzoeken bouwen niet passend in omgevingsplan
Past een verzoek niet binnen het omgevingsplan, dan wordt beoordeeld of het met een Buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA) toegestaan kan worden. Vervolgens moet bij de BOPA onder andere aangetoond worden dat het uitvoerbaar is. Hier komt dan ook de stikstoftoets om de hoek. Het project op zichzelf mag geen depositie veroorzaken. Dan is het uitvoerbaar zonder natuurvergunning voor de natura 2000-activiteit. Is er wel depositie, wordt overleg gestart met de provincie. Die staat extern salderen niet meer toe. Intern salderen ligt ook stil, maar kan mogelijk na nieuw beleid van provincie weer door de provincie opgepakt worden. Ook dit is een lastige, want de natuurdoelen
(additionaliteitsvereiste), waterkwaliteit en CO2-emissies beperken steeds vaker vergunningverlening. In feite vindt hier, door de stikstofwetgeving, een koude extensivering plaats omdat bedrijven niet kunnen groeien, extensiveren, verduurzamen, veranderen of anderszins. Als het project door stikstof niet uitvoerbaar is dan moet het verzoek in feite worden geweigerd. Verzoeken worden dan ook wel omgezet in conceptverzoeken.
Verzoeken om een vergunning voor een milieubelastende activiteit voor een veehouderij (voorheen de milieuvergunning) De milieubelastende activiteit gaat, met name voor een veehouderij, vaak gepaard met een aanmeldnotitie MER. In de aanmeldnotitie moet ook gekeken worden naar stikstofemissie. Bij een depositie door het project, zal hier een MER-procedure gevolgd moeten worden. Een zware procedure die op dit moment, door de stikstofuitspraak, ook geen uitzicht biedt op vergunningverlening.
Veehouderijen die niet milieuvergunningplichtig zijn maar meldingsplichtig
Er zijn ook veehouderijen die door hun meer geringere omvang slechts een melding met informatieplicht hoeven in te dienen. Daar is toetsing aan beleid niet aan de orde en kan doorgang vinden zonder stikstoftoets door de gemeente. Wel is natuurlijk de toets of het plan binnen het omgevingsplan past en mogelijke vergunningen voor het bouwen of afwijken omgevingsplan nodig zijn. Dan komen we uit op bovenstaande voor de vergunningverlening voor bouwen en BOPA.
Gang van zaken onder de inmiddels vervallen Wabo
Onder de Wabo was er een plicht om alle activiteiten die onlosmakelijk verbonden waren, tegelijkertijd aan te vragen. In het geval van veehouderijen zijn de activiteiten bouwen, afwijken bestemmingsplan, milieu en natura 2000-activiteiten altijd onlosmakelijk verbonden. Deze vergunningen konden uitsluitend worden afgegeven als de vergunningverlening voor de natura 2000-activiteit doorgang kon
vinden óf dat er geen depositie voor het project zelf werd berekend. En die kon tot de uitspraak van december 2024 meestal doorgang vinden bij toepassen intern salderen.
Een deel van de veranderingen voor meer bedrijven met geringere omvang, kon voor het milieudeel, via een melding Activiteitenbesluit milieubeheer.
Tot slot
Na beperkende stikstofuitspraken pasten adviseurs zich automatisch aan naar de nieuwe juridische werkelijkheid waardoor vaak geen sprake was van weigering maar aanpassing van het project zodat deze doorgang kon vinden. De nieuwste stikstof uitspraak heeft één en ander weer complexer gemaakt.
Vraag 3:
Zo ja: welke beleidsstukken en richtlijnen gaat het hier om?
Reactie:
- Omgevingswet
- Omgevingsplan
Vraag 4:
Zo nee: waarom niet gezien de ernst van de stikstofproblematiek en de onrust die dat veroorzaakt
Reactie:
Zie hierbij ook het antwoord op vraag 2. In geval van BOPA en Mba-milieu met bijbehorende merbeoordeling is de stikstofbeoordeling onderdeel van de vergunningverlening. In de overige gevallen kan de omgevingsvergunning zonder natuurvergunning verleend worden. De gevraagde activiteit is pas uitvoerbaar als een natuurvergunning is verleend (in die gevallen waaruit uit de voor-toets blijkt dat natuurvergunning nodig is, zoals bij alle veehouderijen).
Antwoord algemeen op het lijstje van genoemde bedrijven:
In de vraagstelling werden indicatief enkele voorbeelden uit onze gemeente genoemd. Deze voorbeelden waren van qua inhoud van verschillende aard. In z’n algemeenheid kunnen we nog het volgende toelichten. In het overzicht zitten enkele bedrijven welke een toename in vee hebben gevraagd. Deze moeten met natuurvergunningen verleend worden. Zo kunnen soms de gemeentelijke vergunningen wel verleend worden, maar de natuurvergunning voor stikstof niet. De uitbreiding kan dan niet eerder plaatsvinden totdat die natuurvergunning is verleend. In het overzicht zitten ook enkele bedrijven waarbij een melkstal wordt gevraagd. Een deel van de stal voor het melken van het vee waarbij geen toename plaatsvindt in vee. Als deze binnen het omgevingsplan verleend kan worden, dus zonder BOPA, dan is geen toets stikstof aan de orde bij de gemeente en kan deze verleend worden. Mogelijk is voor de combinatie uitvoering huidige veehouderij plus bouwen van een stalgedeelte, alsnog een natuurvergunning nodig omdat het veehouderij gedeelte zorgt voor een depositie op de stikstofgevoelige natura 2000-gebieden. De provincie is hiertoe bevoegd voor vergunningverlening en toezicht.
Vraag raadslid:
Op 17 december jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
N.a.v. de eerder gestelde schriftelijke vragen van de NCPN-fractie over de kwestie m.b.t. beschoeiing
Lemmer ontvangt u hierbij, op basis van nieuwe inzichten, aanvullende schriftelijke vragen van de KFMfractie.
De vragen gaan ter kennisgeving naar alle raads- en commissieleden.
- Is het college/portefeuillehouder bekend dat een kadastrale meting door het Kadaster in het veld heeft uitgewezen dat de beschoeiing op de grond staat van de gemeente?
- Is het college/portefeuillehouder op de hoogte dat zelfs haar eigen afdeling ‘Vergunningen, Toezicht en Handhaving’ heeft bevestigd dat de beschoeiing zich bevindt op gemeentegrond en eigendom is van de gemeente?
- Is het college/portefeuillehouder op de hoogte dat uit kadastraal onderzoek is gebleken dat de beschoeiing destijds niet kon worden mee verkocht met het perceel water, omdat het perceel bouwterrein (waarop de beschoeiing zich bevindt) en het perceel water altijd twee afzonderlijke percelen zijn gebleven?
- Is het college/portefeuillehouder op de hoogte dat de beschoeiing langer dan 20 jaar in het bezit van de gemeente is gebleven, waardoor het eigendom inmiddels ook door verjaring is verkregen?
- Wat zijn de redenen voor het college/portefeuillehouder om vast te houden aan het woord ‘beschoeiing’ in een akte van levering? Dit terwijl notarissen aangeven dat termen zoals schutting, tuinhuis of beschoeiing geen juridische waarde hebben, en een kadastrale meting duidelijk maakt waar het eigendom begint en eindigt, evenals wat zich op het perceel bevindt.
- Wat zijn de redenen voor het college/portefeuillehouder om, ondanks de bovengenoemde feiten, vast te blijven houden aan haar eigen zienswijze en zich hiermee te onttrekken aan haar onderhoudsplicht en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de openbare infrastructuur volledig bij de bewoners aan het Slijkhout neer te leggen?
Antwoord namens college:
Op 12 februari 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in het hoger beroep dat bewoners van het Slijkhout te Lemmer hadden aangespannen tegen gemeente De Fryske Marren. Dit hoger beroep ging over de vraag of de gemeente eigenaar is van de (wal)beschoeiing aan het Slijkhout in Lemmer. Het gerechtshof heeft, evenals de rechter in eerste aanleg, bepaald dat de gemeente geen eigenaar is van de betreffende beschoeiing. Hoe het gerechtshof tot haar conclusie is gekomen, is te lezen in het arrest (bijlage). Er is nog cassatie mogelijk binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
dat is 12 mei. In cassatie zou de Hoge Raad enkel toetsen of het recht juist is toegepast en worden de feiten niet meer vastgesteld. Aangezien er nu een gerechtelijke uitspraak ligt dat de gemeente geen eigenaar is van de betreffende walbeschoeiing, is een meer gedetailleerde beantwoording van de vragen niet meer relevant.
Vraag raadslid:
Op 25 februari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Behalve voor de Reddingsbrigade Lemmer is zwembad Nij Súdersee in Lemmer dit jaar nog niet geopend. Twee maanden…! Dit is voor de NCPN weer aanleiding om u het volgende te vragen:
- De onderhandelingen tussen de eigenaar van het strandpaviljoen en Sportbedrijf De Fryske Marren over de exploitatie van het zwembad in 2025 – zoals eerder met de Gemeenteraad afgesproken – willen kennelijk niet vlotten. Liggen de gerezen moeilijkheden hierin dat Sportbedrijf De Fryske Marren niet akkoord kan gaan met de door de eigenaar gestelde voorwaarden?
- Klopt het dat in het aangepaste contract (sideletters) destijds is opgenomen dat de eigenaar van het zwembad de jaarlijkse gemeentelijke bijdrage voor de exploitatie van het zwembad vooraf voor het hele jaar uitbetaald krijgt?
- Zo ja, heeft u inmiddels, omdat het zwembad dit jaar nog niet beschikbaar is geweest, in verband daarmee het jaarbedrag in mindering gebracht?
Antwoord namens college
- Nee. Eerst nadat de onderaanbesteding van de exploitatie van zwembad Ny Sudersé juridisch ordentelijk is ingeregeld ligt de vraag voor of Sportbedrijf De Fryske Marren de exploitatie van zwembad Ny Sudersé gaat uitvoeren.
- Nee dat is onjuist. De gemeentelijke bijdrage wordt in 4 termijnen aan Mondeel Recreatie BV betaald.
- Er is geen sprake van een jaarbedrag, maar van 4 termijn bedragen. Deze hebben wij niet in mindering gebracht. Wij hebben Mondeel Recreatie BV erop gewezen, nu het zwembad voor de overige gebruikers nog gesloten is, dat hij in verzuim is en dat eventuele vervolgstappen overwogen worden mocht hij dit verzuim niet herstellen.
Vraag raadslid:
Op 25 februari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Via de media hebben wij vernomen dat de brug Uitwellingerga niet te repareren is en een nieuwe burg minstens tot 2029 duurt. Dat duurt in onze ogen veel te lang om de weg naar Sneek weer open te krijgen. De VVD maakt zich zorgen over de infrastructuur in en om onze gemeente en heeft daarom de volgende vragen aan het college.
- Wat heeft het college gedaan om bij Rijkswaterstaat aan te dringen op een snelle oplossing?
- Wat gaat het college doen om te zorgen dat de brug eerder vervangen wordt?
- Wat is de laatste stand van zaken met de brug van Spannenburg?
Antwoord namens college
- We zijn zowel ambtelijk als bestuurlijk aangehaakt bij de overleggen met gemeente Súdwes- Fryslân, provincie Fryslân en Rijkswaterstaat. Hierin vragen we constant aandacht voor de inwoners en andere belanghebbenden. Alle partijen hebben hierin hetzelfde belang, namelijk zo snel mogelijk een nieuwe brug, maar tot die tijd zo weinig mogelijk overlast voor de inwoners en andere belanghebbenden. Er wordt momenteel gewerkt aan een tijdelijke vaste verbinding, Rijkswaterstaat doet er op aandringen van de beide gemeentes en provincie alles aan om deze zo snel mogelijk gereed te hebben. Een nieuwe verbinding ontwerpen, maken en plaatsen duurt 20 tot 24 weken (dit proces is al in gang gezet). Verwacht wordt dat de nieuwe verbinding in augustus 2025 gereed is.
- Samen met gemeente Súdwest-Fryslân, de provincie Fryslân en Rijkswaterstaat zijn we in gesprek over de huidige, maar ook de toekomstige situatie waarin wij er alles aan doen om de nieuwe brug zo snel mogelijk gerealiseerd te hebben. Dit is de wens van alle partijen, maar hierin zijn we afhankelijk van Rijkswaterstaat, zij zijn aan zet.
- Sinds de brug Uitwellingerga op 27 november 2024 is afgesloten voor landbouw- en
autoverkeer, zijn wij in nauw contact met Rijkswaterstaat. Tijdens ieder bestuurlijk overleg hebben wij er op aangedrongen dat we ons ernstige zorgen maken over staat van de brug Spannenburg en dat we graag zien dat deze aanvullend wordt onderzocht. Dit komt mede omdat in eerdere berichtgevingen van Rijkswaterstaat werd gemeld dat brug Uitwellingerga ´de beste van de 3´ was. Rijkswaterstaat heeft ons toegezegd dat er een aanvullend onderzoek wordt gedaan naar de staat van de brug Spannenburg. Het onderzoek wordt op zeer korte termijn opgestart. Het is op dit moment nog niet bekend wanneer de resultaten van deze onderzoeken bekend zijn. Wij zullen u op de hoogte houden als er ontwikkelingen zijn en blijven er tot die tijd op aandringen bij Rijkswaterstaat.
Vraag raadslid:
Op 10 februari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Wij krijgen nog steeds meldingen dat de termijnen rondom de bezwarencommissie niet worden gehaald. Daarnaast worden de benodigde stukken pas een week voor de zitting verstuurd. Dit zorgt ervoor dat bezwaarmakers te weinig tijd hebben om zich goed voor te bereiden en deskundige hulp in te schakelen.
Daarom hebben wij de volgende vragen aan het college:
- Is het college bereid ervoor te zorgen dat bezwaarmakers meer tijd krijgen om zich goed voor te bereiden?
- Waarom worden de termijnen niet gehaald?
- Wat gaat het college doen om dit te verbeteren.
- Waarom krijgen bezwaarmakers de stukken zo laat?
Antwoord namens college
- Waarom worden de termijnen niet gehaald?
- Het college kan nu nog niet aangeven of en in welke mate de termijnen niet worden gehaald. Deze informatie wordt op dit moment verwerkt in het jaarverslag van de commissie voor de bezwaarschriften 2024. Naar aanleiding van het rekenkameronderzoek en opmerkingen van de commissie voor de bezwaarschriften is afgesproken informatie over de behandeltermijnen op te nemen in het jaarverslag. Hieruit zal blijken of er sprake is van termijnoverschrijdingen en eventueel wat de redenen zijn van de termijnoverschrijdingen.
- Wat gaat het college doen om dit te verbeteren.
- Eén van de reeds ingezette acties is de termijnbewaking door de administratief medewerkers Juridische Zaken (zie ook reactie college op aanbeveling 6 Rekenkameronderzoek). Uit het jaarverslag 2024 zal blijken welke fase(n) in de behandeling van bezwaarschriften eventueel zorgt voor termijnoverschrijding. Op basis van deze informatie kunnen nog aanvullende verbeteringen worden gedaan.
- Waarom krijgen bezwaarmakers de stukken zo laat?
- In de ‘Verordening commissie voor de bezwaarschriften De Friese Meren’ is vastgelegd dat belanghebbenden en het verwerend orgaan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk drie weken van te voren, geïnformeerd worden over de datum en het tijdvak van de hoorzitting (artikel 11 lid 1; kennisgeving). Ook is in de Verordening bepaald dat de voorzitter de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten minste 10 dagen voor de zitting schriftelijk uitnodigt en daarbij het tijdstip van de hoorzitting vermeldt (artikel 11 lid 4; uitnodiging).
De hiervoor genoemde termijnen van 3 weken en 10 dagen worden gehaald. Bij het versturen van de uitnodiging worden de stukken toegestuurd.
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moeten het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen, ten minste een week voor de hoorzitting, ter inzage te worden gelegd (artikel 7:4 lid 2 Awb). De gehanteerde werkwijze is dus gunstiger dan hetgeen wettelijk verplicht is.
De stukken worden per post toegestuurd, zodat alle partijen op het moment van de hoorzitting over dezelfde informatie kunnen beschikken. In de praktijk worden de uitnodiging en de stukken 13 kalenderdagen voor de hoorzitting verstuurd (op donderdag). Uitgaande van ontvangst op de volgende dag hebben de deelnemers daarmee minimaal 10 kalenderdagen, inclusief 2
weekenden, om de stukken door te nemen.
De afgelopen maanden is enkele keren geconstateerd dat ondanks de tijdige verzending de stukken later dan gebruikelijk door PostNL werden bezorgd. Met de partijen voor de betreffende hoorzittingen is afgestemd over het al dan niet door laten gaan van de hoorzitting. In verband met de geconstateerde bezorgproblemen worden de stukken nu naast de post ook per mail toegestuurd. In het kader van verdere digitalisering van het bezwaarproces wordt digitale verzending binnen enkele maanden het uitgangspunt.
De bezwaarmakers beschikken vaak al over een deel van stukken, omdat zij deze stukken zelf hebben aangeleverd of eerder hebben ontvangen. Dit is vooral aan de orde als de bezwaarmaker degene is waaraan het bestreden besluit is gericht of de stukken met een pro-forma bezwaar heeft opgevraagd.
De stukken bestaan uit het bezwaarschrift, het bestreden besluit, aanvraag, bijlagen bij een aanvraag aangevuld met de reactie van het bestuursorgaan op het bezwaar, wetteksten, jurisprudentie en eventueel informatie uit bestemmingsplannen.
- In de ‘Verordening commissie voor de bezwaarschriften De Friese Meren’ is vastgelegd dat belanghebbenden en het verwerend orgaan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk drie weken van te voren, geïnformeerd worden over de datum en het tijdvak van de hoorzitting (artikel 11 lid 1; kennisgeving). Ook is in de Verordening bepaald dat de voorzitter de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten minste 10 dagen voor de zitting schriftelijk uitnodigt en daarbij het tijdstip van de hoorzitting vermeldt (artikel 11 lid 4; uitnodiging).
- Is het college bereid ervoor te zorgen dat bezwaarmakers meer tijd krijgen om zich goed voor te bereiden?
- Het college is gezien hetgeen vermeld is bij de beantwoording van vraag 3 van mening dat bezwaarmakers voldoende tijd hebben om zich goed voor te bereiden.
Vraag raadslid:
Op 28 januari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Onlangs werd het heugelijk feit bekend dat de Reddingsbrigade Lemmer vanaf 5 februari weer van zwembad Nij Sudersé gebruik kan maken, maar dat wist niet weg dat het bad dan al weer vele weken niet gebruikt kon worden en er nu nog geen zicht op is wanneer het bad voor alle anderen weer beschikbaar is. Op uw antwoorden op vragen van de VVD-fractie tijdens het vragen-half-uurtje op 22 januari jl kwam daar ook geen enkele duidelijkheid over. Naar aanleiding hiervan wil ik u het volgende vragen:
- (1) Bent u met mij van mening dat hoe langer de huidige situatie voortduurt des te moeilijker het zal worden het bad weer met voor de exploitatie voldoende gebruikers op te starten?
- Wat is er de reden van dat Sportbedrijf De Fryske Marren, waar onze gemeente voor 100% aandeelhouder van is, en de eigenaar van het Strandpaviljoen nog steeds niet tot een overeenstemming zijn gekomen over de exploitatie van het zwembad? Uw college moet daarvan op de hoogte zijn.
- Bent u bereid om met in onze gemeente en daar buiten opererende schoolbesturen in overleg te gaan over herinvoering van het voor veiligheid en lichaamsbeweging als ook voor de exploitatie van het zwembad belangrijke schoolzwemmen?
Antwoord namens college:
- Bent u met mij van mening dat hoe langer de huidige situatie voortduurt des te moeilijker het zal worden het bad weer met voor de exploitatie voldoende gebruikers op te starten?
- Wij kunnen ons een dergelijke situatie goed voorstellen.
- Wat is er de reden van dat Sportbedrijf De Fryske Marren, waar onze gemeente voor 100% aandeelhouder van is, en de eigenaar van het Strandpaviljoen nog steeds niet tot een overeenstemming zijn gekomen over de exploitatie van het zwembad? Uw college moet daarvan op de hoogte zijn.
- Eerst nadat juridisch ordentelijk is ingeregeld dat Sportbedrijf De Fryske Marren het zwembad mag exploiteren én daar in de lijn van de motie van de raad geen financiële nadelen van ondervindt volgt finale besluitvorming daaromtrent in de AVA.
- Bent u bereid om met in onze gemeente en daar buiten opererende schoolbesturen in overleg te gaan over herinvoering van het voor veiligheid en lichaamsbeweging als ook voor de exploitatie van het zwembad belangrijke schoolzwemmen?
- Wij zijn in afwachting van de stappen die het rijk zet naar aanleiding van de motie die is aangenomen in de Tweede Kamer om het schoolzwemmen opnieuw in te voeren. De aangenomen motie verzoekt de regering om in overleg met het onderwijs realistische scenario’s op te stellen om schoolzwemmen op termijn weer in te voeren. Wij wachten de uitkomsten van dit overleg af, voordat wij zelf voorbereidingen gaan treffen.
Vraag raadslid:
Op 22 januari jl. ontvingen wij via de griffie de navolgende vragen:
Gisteravond zagen we in het actualiteitenprogramma 1 Vandaag dat medewerkers die bij de sociale werkvoorziening partime werken er in salaris op achteruitgaan per 1 januari door veranderde belasting wetgeving in plaats van vooruit zoals andere werkenden.
Dit kan oplopen tot enkele tientjes per maand.
Volgens de spreker is hier weinig aan te doen, alleen via bepaalde subsidies die naar persoonlijke situaties te verkrijgen zouden zijn, zou dit recht te trekken zijn.
De spreker gaf aan dat er weinig kans is dat Den Haag dit zou oplossen.
Onze vragen zijn:
- is het college bekend met deze veranderde belasting wetgeving?
- is het college bekend met de negatieve gevolgen voor onze medewerkers van Empatec.?
- is het college bereidt de mogelijkheden te laten onderzoeken om deze medewerkers te compenseren.
Antwoord namens college:
- Ja, het college is bekend met de veranderende belastingwetgeving. De belastingwetgeving is op 1 januari 2025 veranderd, waaronder de verlaging van de algemene heffingskorting. Dit heeft negatieve gevolgen voor vooral parttimers, die hierdoor minder salaris ontvangen. Het kabinet wil hiermee mensen stimuleren meer uren te werken. Voor hen die dit niet kunnen, heeft dit een negatief effect. De
heffingskorting geldt voor iedereen die werkt en verlaagt de belasting op premies volksverzekeringen. Elke werkgever moet dit toepassen. - Ja, het college is bekend met de negatieve gevolgen voor de medewerkers van Empatec. De medewerkers van Empatec merken de effecten van de belastingwijziging in hun loon. Vooral parttimers met beperkingen, zoals medische urenbeperkingen, kunnen niet meer werken en zien geen verbetering in hun inkomen. Als werkgever moet de belastingwet worden gevolgd. De wijziging raakt zowel de CAO Sociale Werkvoorziening als de CAO Aan de slag.
- Het Rijk is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de middelen. Op dit moment ontvangen wij onvoldoende middelen van het Rijk om de compensatie te kunnen realiseren. Wij vragen hier blijvend aandacht voor via de VNG richting de gesprekken met het Rijk om tot een oplossing te komen voor deze doelgroep. Hiernaast brengen wij dit ook als prioriteit onder de aandacht van het bestuur van
de gemeenschappelijke regeling Fryslân-West. Dit is op dit moment de lijn die wij volgen om tot een oplossing van dit probleem te komen. Hiernaast maakt Divosa zich ook zorgen over het ontbreken van een CAO voor werknemers van sociaal ontwikkelbedrijven, gesprekken over een nieuwe CAO Aan de Slag zijn eind vorig jaar gestopt. Divosa blijft zich hier ook voor inzetten (lobby richting het Rijk).